Bisschoppelijke krokodillentranen

De Nederlandse bisschoppen zeggen diep geraakt te zijn door de verhalen over seksueel misbruik in katholieke internaten. Maar doen zij zelf wel alles wat zij kunnen doen om herhaling van seksueel misbruik te voorkomen? Bijvoorbeeld door priesters die over de schreef zijn gegaan, niet meer opnieuw in pastorale functies te benoemen?

De Volkskrant, 20 maart 2010

De bisschoppen van Nederland hebben, samen met die van Duitsland en Oostenrijk, de vorige week een pluimpje gekregen van de perschef van het Vaticaan, pater Federico Lombardi, voor hun snelle en doortastende optreden naar aanleiding van de berichten over seksueel misbruik in de kerk. Dat pluimpje is enigszins bedenkelijk. Dat er seksueel misbruik op katholieke kleinseminaries en internaten werd gepleegd, was immers al lange tijd bekend. Op internet zijn al jaren pagina’s te vinden waar slachtofferervaringen worden uitgewisseld over door paters en broeders geleide internaten in ondermeer Eindhoven, Deurne, Stevensbeek en Maastricht. Die ervaringen hadden de bisschoppen en oversten van de orden en congregaties al veel eerder kunnen aansporen tot pro-actief optreden, bijvoorbeeld door een onderzoek in te stellen. Wat nieuw is nu, is de grote omvang van het aantal meldingen, en die omvang heeft, samen met de publieke verontwaardiging daarover, de bisschoppen en de oversten eindelijk tot actie gedwongen.

De Nederlandse bisschoppen zeiden afgelopen week diep geraakt te zijn door de aangrijpende verhalen over seksueel misbruik die naar boven zijn gekomen. Zij hebben die vormen van seksueel misbruik ‘krachtig veroordeeld’. Dat kunnen ze om twee redenen gemakkelijk doen. Om te beginnen gaat het vrijwel uitsluitend om gevallen van misbruik die zich decennia geleden, soms al een halve eeuw geleden, hebben voorgedaan. Het laatste door paters geleide internaat in Nederland, dat van de jezuïeten in Zeist, is in 1981 gesloten. Het gaat dus om een vorm van misbruik die in Nederland tot het verleden lijkt te behoren, ‘een donkere bladzijde in de geschiedenis van de katholieke kerk’, zoals een van de bisschoppen vorige week zei. Op de tweede plaats heeft het overgrote deel van de nu gemelde gevallen zich voorgedaan in kleinseminaries en internaten die geleid werden door paters en broeders, religieuzen dus, die niet direct onder het gezag van de bisschoppen vallen, maar onder dat van de oversten van hun eigen orde en congregatie.

De publiciteit rond deze gevallen van misbruik zou de aandacht wel eens kunnen afleiden van vormen van seksueel misbruik die zich in de kerk helaas nog steeds voordoen, namelijk die door priesters en andere kerkelijke werkers in pastorale situaties. Toen daarover zo’n tien jaar geleden berichten uit de Verenigde Staten kwamen, heeft paus Johannes Paulus II in 2002 met de Amerikaanse bisschoppen een beleid van ‘zero tolerance’ afgesproken: wie seksueel misbruik heeft gepleegd, keert nooit meer terug in een pastorale functie. In het vroegere bisdom van de paus, het aartsbisdom München-Freising, is maandag aan achterstallig onderhoud gedaan: een priester die al in 1986 voorwaardelijk was veroordeeld, is nu eindelijk, opnieuw onder druk van de publieke opinie, in de uitoefening van zijn priesterambt geschorst (‘gesuspendeerd’ heet dat in kerkelijk jargon). Maar ook onder de huidige Nederlandse bisschoppen zijn er die er verantwoordelijk voor zijn dat priesters die seksueel misbruik hebben gepleegd, toch nog of weer opnieuw in de zielzorg werkzaam zijn. Een bekend geval is een priester die in 1998 tot zes maanden voorwaardelijk werd veroordeeld wegens seksuele handelingen met een minderjarige. Na een therapie te hebben ondergaan, werd hij in 2000 weer opnieuw in een parochie benoemd, waar hij in 2002 weer pastoor werd. Toen een journaliste van Netwerk hem drie jaar geleden op zijn mobiele nummer probeerde te bereiken, was hij met de misdienaars op kamp. Nu maar hopen dat de therapie werkelijk effectief is geweest. Een ander geval: een slachtoffer doorliep in 2008 de hele procedure van de door de bisschoppen opgerichte instelling Hulp&Recht, en uiteindelijk kwam de Beoordelings- en Adviescommissie van die instelling tot een advies aan de bisschop. Deze ging echter, samen met het hoofd van zijn eigen kerkelijke rechtbank, de halve procedure nog eens overdoen en legde uiteindelijk het advies van Hulp&Recht naast zich neer. Het slachtoffer mailde mij twee weken geleden: ‘ook afgelopen weekeinde stond pastoor R. weer gewoon op de kansel en ik bezoek nog steeds tweewekelijks mijn therapeut die ik zelf betaal.’

De bisschoppen die dit op hun geweten hebben, zouden, net als hun collega in München, als de wiedeweerga aan achterstallig onderhoud moeten doen en de betreffende priesters alsnog moeten suspenderen. Pas dan zou blijken dat de bisschoppelijke tranen over seksueel misbruik in de kerk meer zijn dan krokodillentranen en dat de Nederlandse bisschoppen werkelijk lering willen trekken uit het verleden.