De geheime brieven van pater Jules
 

Hoe redeneert een misbruikpriester? Hoe verleidt hij meisjes en rechtvaardigt hij zijn gedrag? Kerkhistoricus Peter Nissen vindt het antwoord in een uniek egodocument – brieven van pater Jules.

Die beschikte over retorisch talent, een elastisch geweten en een goedkoop filosofietje. ’Het geestelijke sluit het lichamelijke niet uit, maar in.’

Trouw, 17 april 2010, bijlage Letter & Geest

 

Op 11 juli 1980 overleed in het kloosterbejaardenoord Berchmanianum te Nijmegen pater Jules K. SJ, tachtig jaar oud. Binnen zijn orde gold hij als een man van vele talenten. Zijn medebroeders hebben waarschijnlijk nooit geweten dat hij nóg een bijzondere gave had: het verleiden van minderjarige meisjes. In de jaren vijftig hield de pater er ’hartsvriendinnen’ op na: tieners wier biechtvader en geestelijk leidsman hij was en met wie hij een relatie opbouwde die ’ook het lichamelijke insluit, aangezien de ziel in het lichaam huist’.

Dertig jaar na K.’s overlijden komen verhalen los over seksueel misbruik door priesters, paters en broeders. Gerard van Westerloo beschrijft in ’De pater en het meisje’ de verhouding die zich in de jaren vijftig afspeelde tussen zijn zus Tineke en pater Frits. De pater ging ’grenzen verkennen’.

Een andere pater zei in een tv-programma: „De jongens zochten zelf troost en intimiteit; zo begon het vaak.” Maar hoe werkte dat nu? Hoe kon een man die zich door gelofte tot seksuele onthouding had verplicht, zijn lichamelijke intimiteit met een ander, en dan ook nog met een minderjarige, voor zichzelf verantwoorden? Hoe verleidde hij haar? En hoe rekbaar was daarbij zijn klerikale geweten?

Een krantenlezer vindt op zolder bijna dertig brieven, gericht aan zijn vrouw. Ze had hem ooit verteld over de verhouding die zij in haar puberteit had gehad met een pater jezuïet. Dat was de auteur van de brieven. Die zijn bijzonder; ik ken geen andere egodocumenten die zo duidelijk laten zien hoe een celibataire man toenadering zoekt tot een minderjarige en hoe hij de relatie zo opbouwt dat het tot intimiteiten kon komen. We kennen vooral slachtofferverhalen op basis van journalistieke reconstructies van decennia na dato.

Hier ontmoeten we een pater die zijn brille inzet – zijn overtuigingskracht en zijn inlevingsvermogen – om op en over de grens van het celibaat te opereren. Het is een particuliere geschiedenis, maar ik vermoed dat het vaker zo ging; ook in de verhalen uit internaten en seminaries komt naar voren dat eenzame leerlingen tederheid en begrip zochten en dat paters of broeders daar misbruik van maakten.

Pater Jules speelt in op de ontluikende erotische gevoelens van een tienermeisje. Zijn brieven documenteren hoe hij zijn lichamelijke intimiteit met haar goedpraat: via een goedkoop filosofietje over de eenheid van het ’psychosomatische’ verantwoordt hij dat hij zich ook voor haar lichaam interesseert, ja zelfs moet interesseren. En ten slotte laten de brieven zien dat hij de verantwoordelijkheid voor de intimiteit bij het meisje legt: zij begon met zoenen en hij ’ging mee’.

Laten we het meisje Betsy noemen. De eerste brief schreef pater Jules op 23 maart 1952 op briefpapier van het landelijk secretariaat der Mariacongregaties aan ’Beste Betsy’. Hij ondertekende nog met zijn eigen naam. Betsy was toen vijftien, hij 52. In de tweede brief heette zij al ’Lieve Betsy’, de derde brief ondertekende hij als ’je vader’. Dat bleef zo, soms met varianten als ’je vaderlijke vriend’. Betsy heette in de aanhef onder meer ’Lief kind’, ’Lieve schat’, ’Mijn lieve beste Betsy’, ’Lieveling’.

Betsy had een moeizame verhouding met haar ouders, vooral met haar vader. Daar maakte de pater handig misbruik van; hij drong zichzelf geleidelijk maar schaamteloos in de rol van haar echte vader. Zo probeerde hij haar in nog sterkere mate van hem afhankelijk en zichzelf onmisbaar te maken.

Ruim drie jaar heeft de verhouding en daarmee de briefwisseling geduurd, tot in de zomer van 1955. Toen was de relatie al een jaar bekoeld. Pater Jules zat inmiddels in het jezuïetenklooster Mariëndaal in Grave. Vlak voor zijn verhuizing kondigde hij aan de schriftelijke uiting van hun ’innige zielsgemeenschap’ te moeten matigen, omdat in het klooster de post mogelijk door de overste werd gecontroleerd, iets wat later bleek mee te vallen. Maar er kwamen geen brieven van Betsy meer.

Betsy had twee jaar eerder Jan leren kennen, haar latere man die op dat moment in militaire dienst zat. Acht jaar waren zij verloofd en vervolgens ruim veertig jaar gelukkig getrouwd; zij overleed in 2002.

Pater Jules bemoeide zich intensief met hun prille relatie en gaf Betsy – zestien was ze toen – aanwijzingen hoe ver zij mocht gaan: „jij mag Jan op zijn mond kussen, daar ben jij rijp genoeg voor”. En een jaar later: „Denk je bij Jan nooit aan mij? Stel je gerust voor dat ik er getuige van ben: ik gun je alle genoegens, ook de erotische, maar niet de zondige.”

De brieven van de pater zijn in een frisse stijl geschreven, zij het met wel erg veel uitroeptekens en onderstrepingen. K. had een vaardige pen. Ben Tervoort herinnert zich uit de lessen van de pater diens voorliefde voor de Tachtigers en vooral voor de Mei van Gorter. De pater schreef ook zelf: gedichten onder het pseudoniem van zijn eerste twee voorletters en kleine eenakters, die in het jezuïetentijdschrift De Heraut verschenen.

Die vaardige pen gebruikte pater Jules al in de eerste brief om Betsy, een meisje met ’hoge idealen’, aan te moedigen tot een vriendschap die meer dan gewoon is.

Zij moet intiem worden, want dan alleen kan zij ’opwaarts streven’. Maar onder jongelui is zo’n intieme vriendschap gevaarlijk. „Jij kunt ’het lichamelijke’ er buiten willen houden en alleen geestelijk-intiem contact zoeken, o, in het begin is dat allemaal heel mooi”, maar de jongen zal al spoedig meer willen. Daarom kan Betsy zich beter toevertrouwen aan hem als priester: hij „heeft de zending daartoe gekregen, hij heeft zijn studies gemaakt en is gewijd!”

Deze brief vormt de uitnodiging tot een intieme vriendschap die op het eerste oog een geestelijk en pastoraal karakter heeft. Maar al spoedig blijkt dat de pater niet veel anders is dan de jongens voor wie hij het meisje waarschuwt: ook hij wil meer. Vanaf de tweede brief is de correspondentie vol van zinspelingen met een intiem, lichamelijk, erotisch en seksueel karakter. Die tweede brief schreef de pater in zijn geliefde meimaand. Met de voorjaarswind verschijnen ook de zomerse toiletjes. „De kleren maken de man”, zegt de pater, maar geldt dan ook: „hoe minder kleren, hoe méér vrouw”? Het is een voorbeeld van de flauwe mopjes waar de pater als docent befaamd om was. Ook de brieven staan er vol mee, zoals ze bol staan van de zinspelingen op het meisjeslichaam van Betsy. „Een meisjesfiguurtje is wel zowat af te lezen uit een wapperende lentejurk!” Of: „Wat is aan jullie, meisjes, puur natuur, wat kunstmatig, met behulp van b.h.tjes en corsetten?”

Als de pater bezoekjes van Betsy arrangeert, geeft hij kledinginstructies: „geen statiecostuum vereist – een Schevenings toiletje is misschien nog wel zo psycho-somatisch!” En de gedachte dat zij hem een brief rond middernacht schrijft, in pyjama, maakt de pater lyrisch: „de romantiek is volkomen!”

Op zijn verzoek stuurt Betsy hem foto’s van zichzelf. Hij heeft graag „leuke kiekjes, waar wat pikants aan is, niet schunnig natuurlijk, maar zo’n tikkeltje uitdagend en toch onschuldig”. Over een foto van een van zijn andere hartsvriendinnen schrijft hij dat deze ’sterk-erotisch’ was: „een beetje onnozele ogen boven nogal zinnelijke lippen, en (voor zover te zien) nogal volle, bijna ’wulpse’ vormen”. In een latere brief, schrijvend over een Indonesisch meisje dat voor hem een sluierdans zou willen dansen, bekent hij hoe zeer hem dit fascineert. Hij is een pater die „licht gesluierd of zelfs naakt (mits het niet uit zinnelijke hartstocht voortkomt) op papier of in levenden lijve heel gewoon ’mooi’ durft te vinden”.

Bij een bezoek bekijkt de pater met Betsy zijn naakttekeningen. Hij is lyrisch over haar waardering daarvoor, waar anderen zo ’puriteins en preuts zijn’. Het naakte lichaam is toch ’het mooiste onder al het geschapene’. „Bij jou was het direct vanzelfsprekend dat ik alles meteen liet zien; er was geen verklaring nodig, integendeel: je gaf meteen zelf je heus niet gekke kijk op een en ander.”

Uit een van de brieven blijkt dat Betsy een van de vijf ’hartsvriendinnen’ van de pater is. Maar zij is wel de meest uitverkorene. Met haar deelt hij zaken die hij met de andere ’dochters’ niet deelt. Betsy kent sommige meisjes persoonlijk. De pater instrueert Betsy over hoe zij hun gedrag, vooral in hun omgang met jongens, moet proberen te beïnvloeden. Als er een nieuw meisje bijkomt, hoeft Betsy niet jaloers te zijn: hun verhouding zal er niet onder lijden. „In mijn hart is veel plaats en aan mijn borst ook, als het moet! Ik kan jullie daar best allebei bergen, zonder dat je mekaar in de weg hoeft te zitten!” In een andere brief wordt hij dwingender: „als je m’n dochter blijven wilt, mag je niet overhaast met je oordeel klaar staan.”

Een van de nieuwe meisjes heet handtastelijk te zijn met jongens. „Ook met Paters?”, voegt hij er suggestief vragend aan toe.”Ik kan me goed indenken in jongens, die graag met een meisje stoeien.” Soms gaat het bijna mis. Een van de ’dochters’ bewaarde een brief van de pater op haar hart. Haar moeder ontdekte deze en ’toen was ’t mis’. „Verbeeld je – ik mocht me alleen met de ziel van haar dochter bemoeien, niet met haar lichaam of kleding.” Een andere dochter (’sappig meisje’) had een brief van de pater op haar nachtkastje laten liggen, waar haar broer hem ontdekte. Paniek! De pater had het bijna met haar ’uitgemaakt’. Hij vraagt ook Betsy om voorzichtig te zijn met zijn brieven, want de inhoud daarvan moet voor een ander ’wel haast pornografie lijken’.

Betsy zelf vindt hij veilig: „Wat met lichaam en sexe te maken heeft, daarin vind ik je ’safe’, dat kun je verwerken.” Dat is voorwaarde om dochter te zijn. „Als ik er maar van op aan kan, dat mijn ’dochters’ weten, wat ze zwijgen moeten, wat alleen voor ’intern gebruik’ is.”.

Betsy is speciaal, de liefste lieveling van de pater. Zij moet hem dan wel helemaal vertrouwen. „Je moet helemaal naakt en bloot voor me willen staan.” Want de pater is van mening „dat een intieme verhouding, ook al is die geestelijk, toch ook het lichamelijke insluit, aangezien de ziel in het lichaam huist, daaruit spreekt en daarmee zich mededeelt”. Een intieme verhouding moet volgens hem een ’psycho-somatische grondslag’ hebben. En in dat opzicht heeft hij het met Betsy getroffen, ’ook somatisch’.

Dat blijkt helemaal als de pater in augustus 1953 tien dagen bij Betsy in de buurt logeert. Hij spreekt er later over als over een ’vacantieroes, met uitbundigheid van beide zijden’. Tijdens die ontmoetingen wordt er ijverig gezoend. De pater probeert Betsy daarvoor verantwoordelijk te maken. „Ik schrok wel een heel klein beetje van je: je begon meteen mals te zoenen, toen ik je alleen maar vaderlijk aan mijn hart wilde drukken. Ja, toen zoende ik terug, want ik vond die spontane hartelijkheid wel fijn. Omdat jij nog jong bent, en ik al oud, en omdat onze liefde van een heel andere orde is, meende ik dat ook wel verder te kunnen blijven doen, die zeldzame keer dat wij elkaar ontmoeten. Maar de tweede maal vond ik je manier van kussen al wat hartstochtelijker; je leek me een wild katje, niet onbekend met de trucjes van een verliefde manier van kussen.”

De pater meent wegens die hartstochtelijkheid paal en perk te moeten stellen, ook aan de contacten van Betsy met haar verloofde: geen tongzoenen bijvoorbeeld. Betsy schrikt hevig van deze brief en voelt zich schuldig. Dan neemt de pater gas terug. Hij ziet in dat hij zich zorgen heeft gemaakt over ’een hartelijkheid, die ik zelf in de hand gewerkt heb’. Hij had er beter niet over kunnen beginnen en hij ’wilde helemaal niet zeggen dat er kwaad in stak’. Liefst zou hij ’onomwonden en vrij’ willen uiten wat hij voor Betsy voelt, maar dat kan nu eenmaal niet. „Een Pater mag niet te vrij zijn met een meisje”, zeker niet omdat ’jij nogal temperamentvol bent’. Later schrijft hij nog eens dat hij niet had moeten zeuren over ’die uitingen van levenslust en hartelijkheid’. Vier maanden later komt hij er weer op terug. „Mijn hartelijkheid heb je fijn gevonden, en mijn vrees dat ik té vrij of té intiem of té verliefd gedaan had, die vrees bracht je in de war.” Die verwarring neemt hij graag weg. „Goed, dan gaan we door waar we in de vacantie gebleven waren, onder één voorwaarde: dat het nooit erotisch wordt.” Hij raadt de ’temperamentvolle’ Betsy aan: „Leer rustig kussen, als een bezegeling van ziel op ziel, niet alsof je elkaar wilt opvreten (of opzuigen)!”

Strubbelingen tussen verliefden, kun je zeggen – maar wel met een leeftijdsverschil van 37 jaar. De priester legt telkens de verantwoordelijkheid bij het spontane meisje, terwijl hij, als celibatair en als geestelijk leidsman, zijn grenzen in acht had moeten nemen. Zijn geweten was rekbaar. In een gedicht dat hij Betsy waarschijnlijk rond haar achttiende verjaardag stuurde, schrijft de pater:

Ik hou van jouw spontane brieven,

ik hou van jouw spontaan gebaar –

al raakten we dan in discussie

over de graad van ’het gevaar’!

Enfin, ik gaf je ’carte blanche’

tot handelen ’in moderne zin’:

en mocht ik ouderwets nog blijken,

dan wijd jij mij wel verder in!

De pater heeft zich, zo is zijn eigen voorstelling van zaken, laten inwijden in de moderne liefde. Hij heeft zich laten ’ontgroenen’, schrijft hij ergens. Maar hij misbruikt een pubermeisje, voedt haar gevoelens ijverig door vanaf het begin toespelingen te maken op lichamelijkheid, op naaktheid, op erotiek. Gretig legde hij haar het verschil uit tussen seksuele spanning, masturbatie (’zich met de hand in sexuele verwarring brengen; manu-dis-turbare’), onaneren (’wat eigenlijk alleen een jongen kan’) en ’orgiasme’, een ’toestand van sexuele roes’, om haar in een volgende brief gerust te stellen dat zij zich geen zorgen hoefde te maken over ’vliegende roesjes’, zoals ze dat eerder over ’zielige zoentjes’ had gedaan.

Hij speelde handig in op de kille verhouding tussen Betsy en haar ouders. Door zichzelf als haar vader op te werpen– een vader die liefde kon bieden, haar eigen vader stond voor het gezag –, wist hij haar genegenheid en haar behoefte aan geborgenheid naar zichzelf toe te trekken. Dat patroon kennen we uit verhalen over misbruik in internaten: een pater of broeder ontfermde zich met ’moederlijke zorg’ over een leerling die verdriet had over het gemis van zijn ouders, die leed aan eenzaamheid en die behoefte had aan tederheid.

Pater Jules’ belangstelling voor Betsy’s lichaam en voor intiem contact beredeneerde hij tegenover haar én zichzelf. Als haar geestelijk leidsman moest hij ook zorg hebben voor haar lichaam. De eenheid van het psychosomatische: dat stond nog geleerd ook, zeker uit de pen van een pater jezuïet.

Na zijn verhuizing naar Grave krijgt de pater geen brieven meer van zijn hartsvriendin. Een jaar lang probeert hij de briefwisseling nieuw leven in te blazen, zich wanhopig afvragend of Betsy nog wel van hem houdt: „veel liefs (als ik nog mag) van je liefhebbende (nog geliefde?) Padre”. Vlak voor zij negentien wordt, schrijft Betsy hem nog één keer en verwijt hem dat hij veel te veel over kussen heeft geschreven en over seksuele problemen waar zij geen last van had. De pater antwoordt haar enkele dagen na haar verjaardag. De brief eindigt met een afstandelijk ’nog vele jaren’, en de aanhef is nog koeler: ’lieve’ Betsy is weer ’beste’ geworden.

Betsy is vrij.

De ’kersjes’ van retoricus pater Jules waren befaamd

Het overlijdensbericht van pater Julius Waltherus Josephus K. prees zijn Brabantse humor. Hij was Brabander: hij werd in 1900 geboren in Gestel , als zoon van een welgestelde linnenfabrikant. Jules kreeg een gedegen opleiding: gymnasium (Nijmegen), noviciaat (Grave), filosofie (Valkenburg), klassieke talen, kunstgeschiedenis en theologie (Amsterdam, Nijmegen en Rome). Daarna werkte hij in verschillende huizen als retraiteleider, bibliothecaris of huisoverste. Hij doceerde welsprekendheid, waarover hij twee boeken publiceerde, naast een werk over ’volmaakter geloofsbeleving’.

In ’Jezus, ben jij dat?’ (1998) beschrijft ex-jezuïet Ben Tervoort docent K. Die stond bekend om zijn flauwiteiten, met een toespeling op zijn naam ’kersjes’ geheten. „Deel van de ouwe jezuïetenfolklore. Je moest er even om lachen om daarna toch ’Gats, jakkes’ te zeggen.”

Kunstkenner K. opende „voor ons de onbekende wereld van beeldhouw- en schilderkunst. Hij leerde je zelfs op vrijmoedige wijze naar het naakt in de kunst kijken. Nou, dat was wat voor de pronte blozers die we waren.”

Overal bleef de pater maar enkele jaren. Het langst, van 1946-1954, werkte hij op het Haagse secretariaat van de Mariacongregaties: vrome, door jezuïeten geleide lekenverenigingen. Van daaruit onderhield pater Jules K. de contacten met zijn ’hartsvriendinnen’.