Moederkerk: een katholiek familiedrama

In het boek Moederkerk uit 2012 vertelt historicus en journalist Jos Palm het verhaal van de rooms-katholieke kerk in Nederland in de twintigste eeuw aan de hand van de geschiedenis van zijn eigen familie, en vooral van zijn moeder. Peter Nissen wijdde er een korte boekbespreking aan in het tijdschrift VolZin (2 maart 2012, jg. 11, nr. 5) en een uitgebreidere in het zomernummer (juli/augustus) 2012 van het Effata Parochieblad. Hieronder volgt de uitgebreidere versie.

Moederkerk is een documentair boek van de historicus en journalist Jos Pal, bij velen bekend van het VPRO-radioprogramma OVT, dat wekelijks op zondagmorgen twee uur aandacht schenkt aan geschiedenis. De rooms-katholieke kerk speelde in het leven van de moeder van Jos Palm – en daarmee ook in zijn eigen leven – een zo dominante rol, dat het woord Moederkerk een bijzondere lading krijgt. De roomse kerk was de kerk van zijn moeder, en die kerk bemoederde haar. Zij bood lange tijd warmte, zekerheid en bescherming, maar zij stuurde en regeerde ook haar leven. De titel is niet de enige rake vondst van dit prachtige boek van Jos Palm. Op een knappe wijze verbindt hij het levensverhaal van zijn moeder met het levensverhaal van de rooms-katholieke kerk in Nederland: de ‘kleine’ familiegeschiedenis en de ‘grote’ geschiedenis van kerk en samenleving zijn op een natuurlijke manier met elkaar verweven. En die geschiedenis omspant bijna de hele twintigste eeuw.

De kerk was in het leven van de moeder van de schrijver voortdurend aanwezig. Zij werd geboren uit een door de pastoor gearrangeerd huwelijk, dat vervolgens, toen de vader ‘iets met een jongetje’ had gedaan, ook weer door de pastoor uit elkaar werd gehaald. Met haar moeder en broer groeide ze vaderloos op in het huis van de dominante grootvader, tevens het kostershuis, naast een parochiekerk in Arnhem. Een prille verkering moest zij verbreken omdat de geliefde niet van de ware kerk was. Zij trouwde met een jongen uit Groessen en zag het als haar roeping om met hem in Zeddam een katholiek gezin te stichten. ‘God was de kerk en de kerk dat waren de pastoors en kapelaans’, zo was de sfeer toen, en ‘de lange arm van God was overal voelbaar’ (p. 60). Met dit soort trefzekere beelden beschrijft Jos Palm het katholicisme zoals dat tot in de vroege jaren zestig was. Vrijwel alles passeert de revue: het boek is een geschiedenis van het katholieke leven in Nederland in kort bestek. Maar in de jaren zestig veranderde er veel. Het katholieke bouwwerk leed aan slijtage, aan ‘instituutmoeheid’, aldus Jos Palm (p. 176). De kerk werd vermenselijkt. Moeder Palm voelde zich in de kou gezet. Zij zocht haar toevlucht bij bakens van behoudzucht als Klaas Beuker van de Rooms-Katholieke Partij Nederland en pater Winand Kotte. Van de zes kinderen bleef niemand de moederkerk trouw. Drie van de zes zochten hun heil bij andere profeten: Marx en Mao. Bij het veertigjarig huwelijksfeest van zijn ouders wilde zoon Jos nog wel een keer misdienaar spelen, maar verder ging de loyaliteit aan de moederkerk niet meer. 

Het is een knap boek, zoals gezegd, maar ook een slachtofferboek, een geschiedenis van verliezers. De kerk zit in de beklaagdenbank. De compassie met zijn moeder verleidt Jos Palm ertoe haar vooral te beschrijven als slachtoffer van de kerk. Dat was zij in de tijd waarin de kerk nog machtig en vanzelfsprekend was en dat was zij opnieuw toen de kerk zich ging vernieuwen. Die vernieuwing van de jaren zestig beschrijft de auteur op een meewarige toon. De vernieuwers hadden wel goede bedoelingen, maar zij waren toch vooral verraderlijke beeldenstormers, schuldig aan de ontheemdheid van zijn moeder.

Uit compassie met zijn moeder zij het de schrijver vergeven, maar het is de vraag of hij daarmee recht doet aan de historische werkelijkheid. Die werkelijkheid is dat grote groepen rooms-katholieken - en ook leden van andere christelijke kerken - vanaf de jaren zestig – en trouwens minder zichtbaar ook al in de jaren vijftig – allerlei door de kerk opgelegd gedrag achterwege gingen laten: zij gingen niet meer biechten, zij gingen niet meer ter kerke, zij borgen de rozenkrans op, zij gingen voorbehoedsmiddelen gebruiken, het Heilig Hartbeeld en de huiszegen verdwenen naar de zolder (om later als nostalgisch object weer tevoorschijn gehaald te worden) en zij stemden niet langer vanzelfsprekend op de KVP. In enkele recente krantenpublicaties naar aanleiding van de opening, nu vijftig jaar geleden, van het Tweede Vaticaans Concilie, onder meer in het dagblad Trouw, wordt de indruk gewekt dat de ‘gewone gelovigen’ hun gedrag veranderden onder druk van hogerhand: omdat de intellectuele elite hun voorhield dat het niet langer verplicht was. Die intellectuele elite, dat zijn dan die gevoelloze beeldenstormers uit het boek van Jos Palm: ‘het verraad der klerken’. De indruk wordt gewekt alsof de gewone katholieken hun rituelen werden afgenomen. Soms kun je zelfs lezen dat de biecht zou zijn ‘afgeschaft’. Dat beweerde bijvoorbeeld Jaap Goedegebuure in een bespreking van het boek van Jos Palm in Trouw (4 februari 2012). Dat laatste is natuurlijk niet waar: de biecht behoort nog steeds tot het verplichte rituele repertoire van de rooms-katholieke kerk, al wordt er in de westerse wereld nog maar op beperkte schaal gebruik van gemaakt. Maar ook het eerste lijkt me evidente onzin, die getuigt van gebrek aan inzicht in het rituele en religieuze gedrag van mensen. Mensen houden niet op bepaalde rituelen te voltrekken, zoals biechten, rozenkrans bidden, heiligen vereren en naar de kerk gaan, omdat een moderne pastor of theoloog, een ‘nieuwlichter’ dus, zegt dat het niet meer hoeft. Zij houden ermee op omdat het ritueel hen niet meer overtuigt. Het werkt niet meer. Het heeft zijn zeggingskracht en zijn plausibiliteit verloren. Dat is wat we in de tweede helft van de twintigste eeuw in de westerse wereld hebben zien gebeuren. En dat is niet de schuld van het Tweede Vaticaans Concilie of van het Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout, want het gebeurde op eenzelfde schaal ook in de protestantse wereld. Het Tweede Vaticaans Concilie is, net als de bredere beweging van ‘aggiornamento’, van aanpassing van de rooms-katholieke kerk aan de moderne tijd, eerder een min of meer wanhopige poging geweest om nog iets te redden.

Sommigen voelden zich in de jaren zestig en zeventig verliezers, zoals de ouders van Jos Palm. Zij voelden zich in de steek gelaten, in de kou gezet. Maar de meeste mensen voelden zich bevrijd van een kerkelijk keurslijf dat zijn overtuigingskracht voor hen had verloren. Anders kan ik niet verklaren waarom de terugloop van het kerkbezoek en het verdwijnen van ander kerkelijk gedrag zich zo snel en zo massaal heeft voorgedaan in Nederland. Het was voorbij, en de meeste mensen namen er zonder veel spijt afscheid van.

Dat neemt niet weg dat het gevoel van verlies van mensen als de ouders van Jos Palm ook heel echt en pijnlijk kan zijn. Zij worden door Jos Palm beschreven als mensen ‘die een kerk wilden waar ze nog konden knielen, een kerk waaruit het kruis, ‘het Corpus Christi’, nog niet was verwijderd, zoals dat in hun dorp was gebeurd.’ (p. 236) Die beschrijving lijkt me niet alleen slordig (het ‘Corpus Christi’ is niet een gangbare aanduiding voor het kruis, maar voor de hostie), maar ook nogal zwaar aangezet: zouden er werkelijk zoveel parochiekerken zijn waaruit het kruis is verwijderd? Ik ken ze niet. En als dat al ooit is gebeurd, dan is het kruis er later zeker weer teruggekeerd. Want de verliezers van de jaren zestig en zeventig kunnen zich momenteel binnen de rooms-katholieke kerk in Nederland tot de overwinnaars rekenen, nu het beleid van de bisschoppen gericht is op restauratie van de oude geloofspraktijk en van de oude kerkelijke gezagsverhoudingen.

Nog een laatste opmerking. Jos Palm slaagt erin zelfs zijn oudste zus en zichzelf min of meer als slachtoffers voor te stellen: toen zijn zus in Nijmegen ging studeren, viel zij ten prooi aan Marx en Mao, en Jos volgde haar. Doet hij zichzelf daarmee niet te kort? Was hij zo zwak en willoos dat hij werd meegesleept in een nieuw systeem, een andere heilsleer, even totalitair als het katholicisme? Het moet toch wel zijn eigen bewuste keuze zijn geweest en die van zijn zus, want heel wat generatiegenoten in Nijmegen – ik ben er een van – lieten zich niet imponeren door Marx en Mao, door de SP en de KEN.ml (die afkorting staat voor: Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland.marxisties-leninisties, inderdaad zo gespeld!). Zij maakten andere keuzes. Sterker nog, zelfs in het ogenschijnlijk zo linkse Nijmegen van die tijd vormden, zoals een recente discussie van Nijmeegse historici heeft duidelijk gemaakt, ideologische diehards van partijtjes als de SP en de KEN.ml een kleine minderheid, zoals de aanhangers van Klaas Beuker en pater Kotte dat in het Nederlandse katholicisme van die tijd waren. Mensen maken eigen keuzes, dat is prima. Maar laten we dan niet anderen de schuld daarvan geven.

Over: Jos Palm, Moederkerk. De ondergang van rooms Nederland. Amsterdam/Antwerpen: Contact, 2012. 269 blz., € 19,95, ISBN 978 90 254 3760 2.