Zestig jaar Carmel en Speling

Verschenen in Speling 61 (2009), nummer 1, 17-26

De Nederlandse samenleving ruist en ritselt in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw van de spiritualiteit. Sinds twee jaar staat de hele maand november in Nederland in het teken van de spiritualiteit. De boekhandels liggen vol boeken over spiritualiteit. En wie nog niet genoeg heeft aan de oude en vertrouwde Gerarduskalender, die dankzij de zorg van de paters redemptoristen te Wittem al sinds 1952 elke dag voedsel voor de ziel aanreikt, kan komend jaar bij minstens drie andere spirituele scheurkalenders te rade.[1] Spiritualiteit is in. Wie op Google het zoekwoord ‘spiritualiteit’ intikt, krijgt maar liefst ongeveer 1.900.000 treffers. Dat is nog maar de helft van het aantal treffers dat de Italiaanse, Duitse en Franse equivalenten ‘spiritualità’, ‘Spiritualität’ en ‘spiritualité’ opleveren: 3.400.000, 3.470.000 en 3.970.000.[2] Maar het Engelse zoekwoord ‘spirituality’ overtreft dit alles bij Google met een astronomisch getal: maar liefst ongeveer 51.700.000 treffers.

Van karmelitaanse zendingsdrang naar ontdekking van de wereld
Wie had dat enkele decennia geleden durven voorspellen? Wie had toen durven denken dat zoveel mensen in 2009 op zoek zouden zijn naar spiritualiteit, bezig zouden zijn met spiritualiteit, zouden lezen en spreken over spiritualiteit? Ik vermoed in elk geval dat de Nederlandse karmelieten deze ontwikkeling zestig jaar geleden niet hadden durven voorspellen, toen zij in 1948 begonnen met het tijdschrift Carmel, met de ondertitel Tijdschrift voor Carmelitaanse geschiedenis en geestelijk leven, en nog minder veertig jaar geleden, toen zij hun tijdschrift Carmel omdoopten in Speling. Het tijdschrift Carmel ging in juli 1948 van start onder redactie van acht geschoeide karmelieten, waarvan er drie gedoctoreerd en drie doctorandus waren. Het was aanvankelijk vooral een geleerd tijdschrift over de eigen ordestraditie. Het eerste nummer bevatte bijvoorbeeld vier lange artikelen over de oudste getuigenissen over de orde, over de Mariaverering in de orde, over de grondtrekken van karmelitaanse spiritualiteit en over Titus Brandsma, en verder enkele citaten van Teresa van Avila en twee boekbesprekingen. Een foto van een schilderij van Onze Lieve Vrouw van de berg Karmel, afkomstig uit de karmel van Boxmeer, opende de eerste aflevering.
Toch was het initiatief van het tijdschrift niet genomen vanwege louter historische belangstelling van de ordeleden voor hun eigen geschiedenis en spiritualiteit. De redactie was integendeel overtuigd van het actuele belang van de karmeltraditie. De karmel ‘bezit het geheim, dat onze tijd verloren heeft en dat hij zoekt, vaak zonder de zin van zijn eigen zoeken te verstaan’. De karmel ‘leeft uit de geheimnisvolle werkelijkheid van de Tegenwoordigheid van Hem, die voor de moderne samenleving geworden is de grote Afwezige’.[3] In de eerste jaargangen treft de lezer nog een toon van grote zekerheid aan over de geestelijke schatten die de karmel bezit en met de wereld wil delen. Carmel wil ‘de zielen in de wereld van heden weer wegwijs maken op de paden van het gebed’, heet het in de eerste jaargang.[4] Maar geleidelijk werd de toon voorzichtiger en terughoudender, meer zoekend en tastend ook, en werd de horizon van het tijdschrift minder exclusief karmelitaans, maar ruimer. De wereld buiten de karmel begon het tijdschrift binnen te dringen, met scherpe vragen en ontnuchterende ervaringen. De wereld van de arbeid drong bijvoorbeeld binnen met een reeks korte artikelen onder pseudoniem, onder de titel ‘En route’. Thema’s als de vervreemding van de kerk kwamen daarin aan de orde. De redactie vond het toen, in 1953, wel nog nodig er een waarschuwende voetnoot bij te plaatsen met de verklaring dat ‘dè realiteit van de Katholiek juist gelegen is in de volledige vervulling ook van zijn kerkelijke verplichtingen, en dat slechts een buiten schuld dwalend geweten dat in speciale toestanden wel verklaarbaar kan zijn, het niet nakomen daarvan vergeeflijk kan doen zijn’.[5]
In de eerste jaargang was slechts één bijdrage van een niet-karmeliet opgenomen, namelijk van de letterkundige Bernard Verhoeven over Johannes van het Kruis als dichter.[6] In de volgende jaargangen werden bijdragen van buiten de orde wel talrijker, maar zij bleven toch uitzonderingen. Het merendeel van de artikelen kwam uit de eigen orde en ging over de eigen orde. In het midden van de jaren vijftig van de twintigste eeuw nam de aandacht voor karmelitaanse geschiedenis in het tijdschrift af. De ondertitel werd teruggebracht tot ‘Tijdschrift voor geestelijk leven’. De eerste themanummers verschenen ook, zoals aflevering 2 van jaargang 10 (oktober 1957) over eenzaamheid, een aflevering die opende met een verkenning van ‘Menselijke eenzaamheid in de moderne katholieke roman’ door Jan Willem Hofstra.[7] Er kwam dus aandacht voor bellettrie, al was dat dan nog alleen die van katholieken huize.
Vanaf 1960, toen de karmeliet dr. Bruno Borchert (1923-1994), die al vanaf 1958 redactiesecretaris van Carmel was geweest, hoofdredacteur van het tijdschrift werd, zette een ontwikkeling in die uiteindelijk in de herdoop van het tijdschrift tot Speling zou uitmonden. Het tijdschrift kreeg steeds meer een thematische invulling. Vanaf de zomer van 1967 (het dubbelnummer 2/3 van jaargang 19, over ‘Lichamelijkheid’) werden de thema’s ook nadrukkelijk als zodanig aangekondigd, vanaf het eerste nummer van 1968 ook op de omslag van het tijdschrift (‘Zekerheid en onzekerheid’). Ook kreeg Carmel een meer artistieke inslag. Elk nummer opende bijvoorbeeld met een linosnede van de Limburgse kunstenares Marianne van der Heijden (1922-1998), de levenspartner van Bruno Borchert. En de aandacht voor de actualiteit groeide zienderogen. Het besef drong door dat de wereld verkend en ontdekt moest worden in plaats van bekeerd of gemeden. Bruno Borchert en soms ook anderen tekenden voor de rubriek ‘Horizon’, die actuele ontwikkelingen in kerk en wereld in kaart bracht. Die actualiteit draaide aanvankelijk nog sterk rond kerkelijke thema’s, zoals het Tweede Vaticaans Concilie, het celibaat, John Robinsons boek Honest to God, de leek en de vrouw in de kerk, de vernieuwing van het religieuze leven en de secularisatie.
Vanaf de lente van 1967 kwam de exploitatie van het tijdschrift, die voordien bij de Nederlandse karmelprovincie berust had, in handen van uitgeverij Gianotten te Tilburg, die tot de dag van vandaag de uitgever van Speling is gebleven. Op hetzelfde moment deden naast geschoeide ook enkele ongeschoeide karmelieten hun intrede in de redactie.[8]

Van Carmel naar Speling
In de lente van 1969 verscheen dan het eerste nummer van het tijdschrift onder de nieuwe naam Speling. De naamsverandering, zo werd door de redactie in dat eerste nummer uitgelegd, was nodig omdat lezers bij de oude naam te snel zouden kunnen denken dat het tijdschrift een deftig visitekaartje was van de orde der karmelieten, gedrukt om het imago van de orde op te bouwen. Dat was ook van Carmel nooit de bedoeling geweest, maar twintig jaar later werd het mogelijke misverstand omtrent de naam door de redactie toch echt als een onoverkomelijke hindernis ervaren. Dat laatste had vast en zeker te maken met de bewogenheid van de tijd, waarover in het voorwoord op het eerste nummer van Speling gesproken werd. De situatie van kerk en samenleving was bewogen, en ‘beweging is noodzakelijk’. Dat zou men als een soort credo van de redactie van Speling kunnen zien, en dit credo – ‘beweging is noodzakelijk’ – gaf ook de nieuwe naam in. Die riep en roept namelijk enerzijds de notie op van ruimte voor beweging, speelruimte dus of bewegingsvrijheid, daar waar iets dicht dreigt te groeien of vast lijkt te roesten, en anderzijds riep en roept hij de notie op van spel, ‘het spel van perspectivisch denken’, aldus de redactie in 1969.[9]
De nieuwe naam was niet de enige verandering die het tijdschrift onderging. Op de omslag was al enige tijd eerder aan de voorzijde het logo van de karmelorde en op de achterflap de lijfspreuk ‘Sub tutela Matris’ verdwenen; voortaan moest het tijdschrift het dus zonder de nadrukkelijk aangekondigde bescherming van de Moeder Gods stellen. Die verandering was al begonnen in de laatste jaargang van Carmel, toen de vormgeving in handen kwam van Jos Kipping. Hij verruilde de bruine omslag – de kleur van het karmelietenhabijt – van het tijdschrift door een glanzende witte omslag. Jos Kipping bleef de vormgeving van Speling verzorgen van 1969 tot 1993. Toen nam Bart Gladdines de vormgeving over. De eerste tien jaar verscheen Speling in paperbackformaat. In 1978 kreeg het tijdschrift het huidige formaat. De artistieke ontwikkeling van de omslagen van het tijdschrift wordt in een andere bijdrage in dit nummer van Speling belicht.
Zette de verandering in de vormgeving dus al iets eerder in, wat wel precies vanaf het eerste nummer onder de naam Speling veranderde, was dat de redactie niet langer uitsluitend bestond uit leden van de karmelorde, geschoeid of ongeschoeid. Twee niet-karmelieten traden tot de redactie toe, de publiciste Joke Forceville-van Rossum en de literator, publicist en journalist Tom van Ewijk. Beiden hadden aan de laatste jaargangen van Carmel al verschillende bijdragen geleverd, van Ewijk in 1968 bijvoorbeeld een reeks van vier artikelen over de actualiteit van Dostojewski. Zij werden in een redactionele mededeling over de redactieverandering nog plechtig als ‘leken’ aangekondigd, zij het al tussen aanhalingstekens.[10] Want verder droeg het eerste nummer van Speling nog een betrekkelijk klerikaal karakter, vooral door de thematiek. Dat was namelijk die van het celibaat, van de relatie tussen priester en vrouw en van de genegenheid in het religieuze leven. Hoe bevrijdend ook bedoeld – de redactie zocht ook op dit terrein oprecht naar ‘speelruimte’ –, de thematiek maakt wel duidelijk op welk publiek het tijdschrift zich toen nog voornamelijk richtte: dat van priesters en religieuzen, de spirituele professionals dus.

Tijdschrift voor bezinning
Zo standvastig als de nieuwe naam Speling vervolgens is gebleken – hij bestaat nu al veertig jaar en de redactie heeft geen enkel voornemen daar verandering in aan te brengen –, zo standvastig is ook de ondertitel van het tijdschrift gebleken. Die luidt namelijk ook al veertig jaar ‘tijdschrift voor bezinning’. Ook die ondertitel was het resultaat van een bewuste keuze, want Carmel droeg tot 1968 als ondertitel nog de meer klassieke aanduiding ‘Tijdschrift voor geestelijk leven’. Speling heeft nooit toegegeven aan de verleiding om het woord ‘spiritualiteit’ in de titel van het tijdschrift op te nemen, ook niet toen dit woord de laatste jaren furore ging maken en met succes verscheen in de naam of de ondertitel van nieuwe tijdschriften. Bezinning geeft aan waar Speling zich gedurende al die veertig jaargangen voor wilde inzetten. Bezinning staat namelijk voor rustige overweging van de dingen, gericht op een al even rustig en helder besef of bewustzijn van hoe de dingen ervoor staan. En dat besef is uit op betekenis, op de zin van de dingen.
Maar bezinning heeft ook met de zintuigen te maken, met de ‘zinnen’, de ‘senses’. Spiritualiteit staat niet los van lichamelijkheid. Onze ziel zit in ons lijf. Dat besef was veertig jaar geleden al bij de redactie van Speling aanwezig. In wellicht geen enkele jaargang van het tijdschrift is er zoveel aandacht geweest voor seksualiteit, lichamelijkheid, hunkering en genegenheid als in die eerste onder de nieuwe naam Speling. Maar ook in Carmel kwam dit thema al nadrukkelijk aan bod; zie het genoemde themanummer over lichamelijkheid uit 1967.
Bezinning heeft ten slotte ook te maken met ‘verzinnen’, dus met de kracht van de verbeelding. In het Middelnederlands betekent hem versinnen zoveel als ‘over iets nadenken’ of ‘zich bedenken’, waarbij het laatste vaak het resultaat van het eerste is: ik heb me bedacht, omdat ik er goed over heb nagedacht. Ook komt versinnen rond 1290 voor in de betekenis van ‘iets begrijpen’, ook weer het resultaat van bezinning dus. Een verzinsel betekent nog in de zestiende eeuw zoiets als een ‘overweging’; pas in de achttiende eeuw krijgt het woord de bijklank van ‘bedenksel’, een bewering dus die niet waar hoeft te zijn, een verdichtsel.[11] Bezinning als verzinning wijst op de rol van de verbeeldingskracht, de imaginatie, de creativiteit in de spiritualiteit.

Verrassende continuïteit
De naamsverandering van het tijdschrift en de uitbreiding van de redactie markeren een zekere overgang in de geschiedenis van Carmel en Speling, maar geen breuk. Wie een blik werpt op het trefwoordenregister dat Anneke Driessen in 1998 bij het vijftigjarig bestaan van Carmel en Speling heeft samengesteld, staat versteld van de continuïteit in thematieken die beide tijdschriften met elkaar verbindt.[12] Ik wees juist al op de aandacht voor lichamelijkheid. Ik kan daar nog een hele reeks thema’s aan toevoegen. Ik noem, in alfabetische volgorde: beeldende kunst, bidden, bijbelse spiritualiteit, deugden, dood, eenzaamheid, ethiek, filosofie, geestelijke begeleiding, geloften, geloof, geloofsgemeenschap, geluk, genot, godsbeeld en godsbegrip, handicap, huwelijk, jeugd, joodse spiritualiteit, katechese, kerk, kinderen, levensbeschouwing, levensloop, liefde, lijden, literatuur, liturgie, maatschappij, man en vrouw, Maria, het materiële, mystiek, natuurbeleving, New Age, oecumene, oosterse levensbeschouwingen, pastoraat, relaties, religie, religieuze ervaring, religieuzen, roeping, sacramenten, schepping, schuld, seksualiteit, spiritualiteit, verlangen, vertrouwen, vriendschap, vrouw, woestijnervaring, zelf, ziekte en zondevergeving.
Op één punt is er duidelijk geen continuïteit: dat van de aandacht voor de eigen ordestraditie van de karmelieten. Carmel verstond zich nog lang als een tijdschrift van en voor de orde en besteedde veel aandacht aan karmelitaanse geschiedenis en karmelspiritualiteit. De ondertitel uit de beginperiode van het tijdschrift legitimeerde dat ook alleszins. Pas in het midden van de jaren vijftig nam, zoals gezegd, de aandacht in Carmel voor geschiedenis en spiritualiteit van de eigen orde af. Het tijdschrift zette in het volgende decennium de ramen en deuren wijd open – zoals de hele rooms-katholieke kerk dat in die dagen van het Tweede Vaticaans Concilie deed – en ontwikkelde zich tot het brede tijdschrift voor bezinning dat Speling werd. Daarin is de karmeltraditie geenszins afwezig. Ook in Speling is er aandacht voor schrijvers uit de karmeltraditie, zoals Teresa van Avila, Thérèse Martin (beter bekend als Theresia van Lisieux), Johannes van het Kruis, Jean de Saint-Samson en Titus Brandsma. Maar zij figureren in Speling omdat zij mensen van onze tijd, op zoek naar bezinning en bezieling, iets te zeggen hebben. Zij worden niet op een naar binnen, op de eigen traditie en de eigen religieuze gemeenschap, gerichte manier behandeld, maar op een naar buiten gekeerde wijze: zij zijn niet ‘van ons, karmelieten’, maar zij zijn van ons allemaal, mensen op zoek naar spiritualiteit. En degenen die over hen in Speling schrijven, zijn lang niet altijd zelf karmeliet, zoals in Carmel vrijwel altijd wel het geval was. (maar ik noemde al de uitzondering in de eerste jaargang: de letterkundige Bernard Verhoeven).
In de veertig jaargangen Speling die op Carmel volgden, zie ik minstens drie lijnen van continuïteit, die deels ook al in de laatste jaargangen van Carmel werden voorbereid. De eerste heeft te maken met de redactionele aanpak van het tijdschrift. Het bevat vanaf 1969 niet langer artikelen over wisselende thema’s en ook geen boekbesprekingen meer. Elk nummer vormt voortaan een afgerond thematisch geheel. Het bevat alleen nog artikelen die met het thema van dat nummer te maken hebben, behalve dan een enkel artikel over de kunstenaar die de omslagen en andere illustraties van een nummer of een hele jaargang verzorgt. Op de eerste jaargangen van Speling na vormen de vier thema’s van een jaargang ook samen weer een eenheid. Er wordt dus steeds gezocht naar een overkoepelende jaarthematiek, waarbinnen trouwens de afzonderlijke nummers toch weer een betrekkelijk zelfstandig karakter krijgen. Anders gezegd: elke nummer kan gelezen worden als een op zichzelf staande bundel rond een thema, maar de vier nummers van een jaargang kunnen ook weer in relatie tot elkaar gelezen worden. Jaargang 1997 moge dit verduidelijken. De vier nummers gaan over twijfel, vriendschap, berusten en wagen, thema’s die betrekkelijk op zichzelf lijken te staan. Maar zij worden met elkaar in relatie gebracht door het overkoepelende jaarthema: ‘riskante spiritualiteit’. Aan de hand van de vier thema’s wordt duidelijk gemaakt dat er in spiritualiteit iets op het spel staat. Ontwikkelingen rond de vier genoemde thema’s kunnen bijdragen tot groei van spiritualiteit, maar het kan ook verkeerd uitpakken, waardoor spiritualiteit als het ware wordt doodgeslagen.
Het bewaken van de samenhang in een nummer én in een jaargang vraagt veel van de redactiesecretaris. De redactie van Speling zet tijdens haar vergaderingen wel de lijnen voor een nummer uit, maar vervolgens is het aan de redactiesecretaris om de beoogde auteurs te benaderen en over de streep te trekken, en vooral om hen duidelijk te maken wat de redactie eigenlijk van hen verwacht. Die taak is vanaf 1970, kort na de overgang van Carmel naar Speling, tot en met 2004, 35 jaar lang dus, met grote accuratesse vervuld door de karmeliet dr. Jo Tigcheler, die daarnaast veel bijdragen aan het tijdschrift leverde op het gebied van de spiritualiteit van het Nieuwe Testament.[13] In 2005 werd zijn taak als redactiesecretaris overgenomen door dr. Loet Swart, voor het eerst in de geschiedenis van Carmel en Speling een redactiesecretaris die geen lid is van de karmelietenorde, al heeft hij een grote affiniteit met de spiritualiteit van de karmeltraditie.
Een tweede lijn van continuïteit heeft te maken met de behandeling van het thema. In elk nummer is er aandacht voor de actualiteit én voor de traditie, voor reflectie én voor ervaring. Meer theoretische beschouwingen over een thema dat van belang is voor spiritualiteit worden afgewisseld met ervaringsverhalen. Verkenningen van de actuele maatschappelijke en culturele horizon rond een thema – dat kan in woord én in beeld – worden afgewisseld door artikelen rond getuigenissen uit de traditie: wat hebben schrijvers of scholen van spiritualiteit uit het verleden ons te bieden, wat hebben teksten uit de heilige schriften van joden en christenen ons te zeggen. De term ‘Horizon’ werd, zoals gezegd, al in de laatste jaargangen van Carmel gebruikt als overkoepelende aanduiding voor enkele artikelen die actuele ontwikkelingen – aanvankelijk nog vooral kerkelijke – in kaart brachten en vervolgens voor bijdragen die verkenden hoe een bepaalde thema (bijvoorbeeld ‘de vrouw’) in hedendaagse cultuuruitingen als film, fotografie en literatuur gerepresenteerd werd. Die ‘Horizon’ werd onder leiding van Bruno Borchert bij de overgang van Carmel naar Speling nog verder verbreed en groeide uit tot een soort iconografische knipselkrant. In de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw werden door het Titus Brandsma Instituut te Nijmegen uitgebreide knipselverzamelingen uit kranten en tijdschriften rond actuele thema’s aangelegd, die ondermeer de redactie van Speling ten dienste stonden bij het verkennen van de actuele context van een thema, zoals in de ‘horizonartikelen’.
Een derde lijn van continuïteit is met de vorige al aangekondigd: die van de aandacht voor de vormgeving van het tijdschrift en vooral voor de verbinding tussen spiritualiteit en hedendaagse beeldende kunst. Kunstenaars werkten mee aan de vormgeving van de omslagen en aan de illustratie van het binnenwerk van het tijdschrift. De rubriek ‘Horizon’ van Bruno Borchert hield tot het midden van de jaren tachtig stand als een iconografische verkenningstocht door de hedendaagse beeldende kunst, maar ook door de wereld van film, fotografie en cartoons. Deze verkenningstocht werd daarna door Bruno Borchert voortgezet in iconografische artikelen. Borchert maakte tot 1993 deel uit van de redactie van Speling en was heel die tijd verantwoordelijk voor de beeldredactie. In de wandeling werd gesproken over ‘de plaatjes van Bruno’.[14] Later, van nummer 4 van jaargang 1997 tot en met nummer 4 van jaargang 2002, beschikte Speling in de persoon van Daan van Speybroeck opnieuw over een eigen beeldredacteur. Hij had in 1995 al een eerste artikel aan het tijdschrift geleverd en verzorgde vanaf 1996 in elk nummer een iconografische bijdrage.[15] Die bijdragen zorgden er, samen met de vormgeving van Jos Kipping en Bart Gladdines, voor, dat Speling bij velen de naam kreeg ‘een mooi tijdschrift’ te zijn.

Niet modieus, wel bij de tijd
Het woord en het fenomeen van de spiritualiteit hebben in de zes decennia waarin Carmel en Speling nu bestaan, een enorme vlucht genomen. De term spiritualiteit is in zijn huidige betekenis nog betrekkelijk jong. Tot een halve eeuw geleden, dus tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw, kwam het woord ‘spiritualiteit’ in Nederlandse encyclopedieën en woordenboeken eenvoudig nog niet voor, al werd het vanaf de jaren dertig naar Frans voorbeeld wel al af en toe gebruikt.[16] En nu is er een hele maand aan gewijd, zijn er boekenreeksen, tijdschriften, opleidingen, cursussen, instituten en centra voor spiritualiteit. In het Nederlandse taalgebruik is de term spiritualiteit vanaf de jaren vijftig geleidelijk in de plaats gekomen van andere, meer klassieke aanduidingen, zoals geestelijk leven – de aanduiding die ook in de ondertitel van het tijdschrift Carmel voorkwam –, innerlijk leven of vroomheid. Inmiddels is het woord nu algemeen verbreid in het publieke debat; het komt voor in de context van de politiek, de sport en de kunst, en het duidt in ruime zin op datgene wat mensen van binnenuit motiveert iets te doen. Spiritualiteit is een containerbegrip geworden, vooral onder invloed van het Amerikaanse gebruik van de term. Daar is hij namelijk min of meer een equivalent geworden van de termen mentaliteit of overtuiging. In Nederland, zo bleek in november 2008 uit een enquête in opdracht van het dagblad Trouw, is spiritualiteit een soort equivalent geworden voor zelfontplooiing of zelfverwerkelijking: het zoeken naar of werken aan ‘mijn betere ik’.[17] Omdat spiritualiteit een betrekkelijk jong woord is, is het nog weinig ingevuld, en dat oningevulde en ook onbelaste heeft er, zoals Kees Waaijman in zijn handboek over spiritualiteit zegt, toe bijgedragen dat het woord juist ook buiten het domein van de spiritualiteitsstudie zo’n grote verbreiding heeft gekregen.[18]
Maar niet alleen het woord spiritualiteit heeft in de afgelopen decennia een grote verbreiding gekregen, ook het fenomeen is op een verrassende wijze zichtbaar geworden in Nederland. Anders gezegd: veel meer mensen doen aan spiritualiteit dan veertig jaar geleden voor mogelijk gehouden werd. Toen, in de jaren zestig, voorspelden sociologen als Peter Berger nog het verdwijnen van de religie uit de Westerse samenleving. In zijn beroemde boek The sacred canopy uit 1967 kondigde hij de instorting van het hemelse baldakijn aan. Hij heeft maar ten dele gelijk gekregen, en heeft dat inmiddels zelf ook al ruimhartig toegegeven.[19] Wat bezig is te verdwijnen uit de Westerse samenleving is de klassieke institutionele religie; dat zijn dus de voormalige volkskerken, die dreven op collectieve en sociaal plausibele vormen van religiebeleving. Maar het afkalven van die institutionele religie heeft ruimte vrij gemaakt voor persoonlijk toegeëigende vormen van religiositeit, voor spiritualiteit dus. Spiritualiteit heeft de afgelopen decennia een grote populariteit gekregen niet dankzij de gevestigde kerken, maar ondanks de gevestigde kerken, of misschien beter: dankzij het krimpen van de gevestigde kerken en dankzij het verdwijnen van hun vanzelfsprekende greep op de religiebeleving van mensen.[20]
Een verrassende ontwikkeling is, dat (anders dan de godsdienst- en cultuursociologen van de jaren zestig verwacht hadden) de religiositeit en de behoefte aan zingeving en spiritualiteit in diezelfde periode niet ook in dezelfde mate zijn afgenomen als de kerkelijkheid. Integendeel, het verdwijnen van het collectieve religieuze patroon van de kerken lijkt ruimte geschapen te hebben voor speling, voor het herontdekken van de omgang met het geheim van het leven, met datgene wat ons overstijgt en tegelijk draagt, anders gezegd: voor de herontdekking van religiositeit als een heilig spel. Spelen is het tegelijk kunnen hanteren van de regels van meer dan één werkelijkheid, bijvoorbeeld de regels van de zichtbare en de onzichtbare wereld, de regels van verleden, heden en toekomst, de regels van de feitelijkheid en van de verbeelding. Dat spelen gebeurt in spiritualiteit, en dit spel blijken mensen in toenemende mate herontdekt te hebben. Het is een spel waarin, anders dan in de meeste institutionele religies, alle mensen, vrouwen én mannen, in beginsel gelijkwaardige spelers zijn. En het is een spel dat wij spelen zoals wij zijn, met inbegrip van ons lijf, onze lichamelijkheid, en dus niet alleen tussen de oren.[21]
Persoonlijke spiritualiteit lijkt dus min of meer de plaats van het collectieve kerkelijke geloof overgenomen te hebben. Maar op de spirituele markt is vervolgens veel te koop. En niet alles op die markt heeft evenveel diepgang en kwaliteit. Spiritualiteit wordt vaak gepresenteerd op een wijze die snel effect belooft, alsof spiritualiteit een eenvoudige methode is om op korte termijn welzijn en geluk te bereiken.[22] Maar spiritualiteit is niet iets voor het snelle effect en het goedkope succes. Spiritualiteit vraagt oefening en geduld, vraagt toeleg en duurzaamheid, vraagt aandacht en uithoudingsvermogen. Daar kunnen de grote tradities van spiritualiteit uit Oost en West ons iets over leren. Er is op de markt van zingeving en spiritualiteit behoefte aan onderscheidingsvermogen en dus aan bezinning, in de zin waarin het tijdschrift Speling die verstaat. Met een open oog en een open oor voor wat er ruist en ritselt in onze tijd, wil Speling de voorraadschuren van de christelijke traditie van spiritualiteit wijd open zetten om de spirituele honger van onze tijd te kunnen stillen, niet met ‘fast food’ uit een religieuze McDonalds, maar met degelijke kost. Dat is waar Speling voor wil staan, in deze bewogen tijden, zo goed als zestig jaar geleden, toen Carmel begon, en veertig jaar geleden, toen het Speling ging heten. Speling wil de vinger bij de pols van de tijd houden. Het tijdschrift is steeds op zoek geweest naar geaarde, belichaamde en bijdetijdse spiritualiteit. Het heeft vanaf zijn oprichting de tekenen van de tijd willen verstaan, zonder trendy of modieus te willen worden. Toen het woord en het fenomeen spiritualiteit in Nederland populair begonnen te worden, heeft Speling de verleiding weerstaan een gemakkelijke glossy te worden. Lezers lieten en laten de redactie soms weten Speling niet altijd gemakkelijke lectuur te vinden. Het zij zo: het lezen van een tijdschrift voor bezinning mag aandacht en concentratie vragen. Carmel en Speling hebben nooit een spirituele eendagsvlieg willen zijn. Daarom bestaat het tijdschrift nu ook al zestig jaar.



1 Namelijk de Scheurkalender van de spiritualiteit van Bruno-Paul De Roeck, de Spirituele scheurkalender van Happinez en de Godinnenkalender van Patricia Telesco. De laatste drie werden in het kader van de maand van de spiritualiteit op 22 november 2008 in het dagblad Trouw besproken, de Gerarduskalender helaas niet.

2 De hier gegeven aantallen komen van zoekpogingen in november 2008, de maand van de spiritualiteit. Het aantal hits kan echter van dag tot dag nogal wisselend zijn. Terwijl in november 2008 het Duitse zoekwoord ‘Spiritualität’ 3.470.000 treffers opleverde, waren dat er twee maanden later, in januari 2009, ‘slechts’ circa 2.750.000. Het Italiaanse trefwoord ‘spiritualità’ daarentegen leverde in januari 2009 maar liefst 12.000.000 treffers!

3 Redactie, ‘Verantwoording’, Carmel 1 (1948-19949), 3-6, citaten 3.

4 Idem, 6.

5 Frans Igari, ‘En route. Geloof zonder titel’, Carmel 5 (1952-1953), 256-265, voetnoot op 256. Naar de noot werd bij een volgende aflevering van de artikelenreeks nog eens opnieuw verwezen: Carmel 5 (1952-1953), 344-354.

6 Bernard Verhoeven, ‘De H. Johannes van het Kruis als dichter’, Carmel 1 (1948-1949), 214-231.

7 Carmel 10 (1957-1958), 111-126.

8 Carmel 19 (1967), nr. 1.

9 Redactie, ‘Naamsverandering’, Speling 21 (1969) nr. 1.

10 Redactie, ‘Mededeling aan onze abonnees’, Speling 21 (1969) nr. 1.

11 J. de Vries en F. de Tollenaere, Etymologisch woordenboek. Onze woorden, hun oorsprong en ontwikkeling, Utrecht 2004 (23e druk), 406.

12 Anneke Driessen, Trefwoordenregister op Carmel-Speling 1948-1998, met een register van besproken bijbelplaatsen en een lijst van themanummers vanaf Speling 1969, Tilburg 1998.

13 Redactie, ‘Afscheid van Jo Tigcheler als redactiesecretaris’, Speling 57 (2005), nr. 1, 6.

14 Redactie, ‘Bij jaargang 1994’, Speling 46 (1994), nr. 1, 2-3; Redactie, ‘Bruno Borchert, ter gedachtenis’, Speling 47 (1995) nr. 1, 2.

15 Daan van Speybroeck, ‘Viering van het licht. Hedendaagse glazenierskunst in Frankrijk en Nederland’, Speling 47 (1995) nr. 4, 39-47.

16 Het eerste voorbeeld dat ik ken, is een artikel van de franciscaan Fidentius van den Borne over ‘Renaissance-probleem en geschiedenis der spiritualiteit’ in de bundel Humanisme en katholicisme, Den Haag 1930, 216-235, later herdrukt in het Historisch tijdschrift 11 (1932).

17 Koert van der Velde, ‘God is weg uit de spiritualiteit’, Trouw, 15 november 2008, De Verdieping, 2-3.

18 Kees Waaijman, Spiritualiteit. Vormen, grondslagen, methoden, Gent-Kampen 2000, 358-362, met name 361.

19 Peter L. Berger, The Sacred Canopy. Elements of a sociological theory of religion, New York 1967 (vertaald als: Het hemels baldakijn. Bijdrage tot een theoretische godsdienstsociologie, Utrecht 1969); idem (red.), The Desecularization of the World. Resurgent Religion and World Politics, Washington-Grand Rapids 1999.

20 Zie voor een beschrijving en analyse van deze ontwikkeling: Meerten ter Borg e.a. (red.), Handboek religie in Nederland. Perspectief – overzicht – debat, Zoetermeer 2008, vooral de bijdragen van Erik Borgman en Anton van Harskamp, ‘Tussen secularisering en hernieuwde sacralisering’(14-25) en van Meerten ter Borg, ‘Religie na 1945: een cultuur-sociologische schets van de achtergronden’(49-66).

21 Peter Nissen, ‘Achter de heilige huisjes. Over religie als heilig spel en religieus erfgoed als de knikkers’, Brabants Heem 60 (2008), 78-85.

22 Zie voor een journalistieke verkenning: Gerry van der List, ‘De zwevende Hollander’, Elsevier 64 (2008), nummer 48 (29 november), 82-87.