De diepgang van het alledaagse

Verschenen in Speling 61 (2009), nummer 2, 8-13. 

Bij het woord spiritualiteit denken veel mensen spontaan aan esoterische hoogstandjes of aan een betrekkelijk elitair fenomeen dat voorbehouden is aan religieuze kampioenen en geestelijke virtuozen. Bij het woord mystiek is die associatie nog sterker. Voor veel mensen valt mystiek samen met visioenen, met extase, met paranormale verschijnselen, met het exotische van de religie. Het woord mystiek wijst op wat geheimzinnig, verborgen of raadselachtig is, een associatie die vanuit de etymologie van het woord niet eens zo heel erg verkeerd is. In elk geval zijn spiritualiteit en mystiek voor veel mensen niet verbonden met het alledaagse, niet met het gewone, maar het uitzonderlijke en ongewone. Fenomenen uit datgene wat doorgaans ‘volksreligiositeit’ of ‘religieuze volkscultuur’ wordt genoemd, worden maar zelden in verband gebracht met spiritualiteit en mystiek. Anders gezegd: spiritualiteit en mystiek worden verbonden met de ‘hoge cultuur’ van de religie en niet met de ‘lage cultuur’.

Hoog en laag: de behoefte aan onderscheid

Op religieus gebied bestaat er een zelfde hardnekkige neiging om gradaties tussen hoog en laag aan te brengen als op algemeen cultureel gebied. Ook daar wordt graag onderscheid gemaakt tussen cultuur met een hoofdletter en cultuur met een kleine letter, tussen elitecultuur en populaire cultuur, tussen hoge en lage cultuur. Als dit onderscheid in het domein van de cultuur wordt aangebracht, is het uiteraard niet verwonderlijk dat het ook in het domein van de religiositeit doordringt. Want naast een heleboel andere dingen is religiositeit zeker ook een onderdeel of aspect van de cultuur. Religiositeit maakt deel uit van de wijze waarop mensen aan hun bestaan vormgeven en er op symbolische wijze betekenis aan verlenen. Om het in de inmiddels klassiek geworden omschrijving van de Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz te zeggen: religiositeit is – ook – een cultureel systeem, een geheel van symbolen die betekenissen dragen en overdragen en die zo stemmingen en gedragingen van mensen beïnvloeden. (1) Religiositeit behoort daarmee, zowel in de geïnstitutionaliseerde vorm van godsdiensten als in haar ‘wilde’ vorm van spiritualiteit, mystiek en religieuze beleving, tot het domein van de verbeeldingskracht, zoals alle cultuuruitingen getuigen van de kracht van de verbeelding.

Het maken van een onderscheid tussen hoge en lage cultuur is in zichzelf een cultuurverschijnsel. (2) Binnen samenlevingen geven mensen vorm en betekenis aan hun bestaan door zich te onderscheiden van anderen. De distinctie tussen hoge en lage cultuur staat in dienst van deze drang om zich te onderscheiden. De lage cultuur is dan iets van de massa, van het volk in de denigrerende betekenis van dit woord, het plebs. Het begrijpen van en het deelnemen aan lage cultuur zou weinig inspanning, weinig kennis en weinig onderscheidingsvermogen vragen. Aan lage cultuur kun je je ongecompliceerd overgeven. Lage cultuur dient het vermaak. Je wordt er in ondergedompeld. Lage cultuur is verbonden met passiviteit, met het ondergaan van cultuuruitingen. Lage cultuur is daarmee iets voor de minder begaafden en de minder talentvollen. De hoge cultuur daarentegen vraagt in die voorstelling meer inspanning, meer kennis en meer onderscheidingsvermogen. Zij is daarom voorbehouden aan degenen die deze inspanning willen leveren en die met kennis en onderscheidingsvermogen gezegend zijn. Hoge cultuur vraagt actieve participatie. Hoge cultuur stelt eisen. Hoge cultuur is voor de happy few, voor de highbrows.

Cultuurcritici merken terecht op dat we nu in een vicieuze cirkel terechtkomen. Het zijn namelijk precies ook de happy few en de highbrows die bepalen wat hoge cultuur hoog maakt. Anders gezegd: de distinctie tussen hoge en lage cultuur wordt gemaakt door degenen die zich willen onderscheiden van anderen. De distinctie dient een maatschappelijk belang. Wat hoge cultuur is, wordt bepaald door degenen die zichzelf in het bezit achten van smaak en kennis van zaken. Alleen zij weten wat ‘ware’ kunst, ‘echte’ literatuur, ‘verfijnde’ muziek, ‘goede’ manieren, ‘smaakvolle’ interieurs enzovoorts zijn. Het onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur wordt dus gemaakt door diegenen die zelf aan de culturele en maatschappelijke touwtjes trekken. Een zelfde procédé voltrekt zich op het vlak van de religiositeit. Ook daar is het een kleine bovenlaag binnen de religieuze instituties – je zou kunnen zeggen die van de ‘religieuze professionals’ - die bepaalt wat ‘hoge’ religiositeit is en wat ‘volksreligiositeit’.

 Beschavingsoffensief

Het onderscheid tussen hoge en lage cultuur is niet van alle tijden. Het is ontstaan in een tijd waarin een bepaalde maatschappelijke groep de behoefte voelde om zich te onderscheiden van andere maatschappelijke groepen.  De wortels daarvan liggen in de vroegmoderne tijd. Daarvoor, dus in de middeleeuwse samenleving, waren er ook al verschillende cultuurcircuits. Het onderscheid tussen die cultuurcircuits had vooral te maken met het al dan niet schriftelijke karakter van de cultuur. Er was de cultuur van de geletterde minderheid, vooral de geestelijkheid en in mindere mate de adel en een klein deel van de stedelijke burgerij. Die minderheid participeerde aan culturele tradities die in geschreven vorm werden doorgegeven en waarvoor zij zich voornamelijk, maar niet uitsluitend, bediende van het Latijn. Daarnaast was er het cultuurcircuit van de ongeletterde meerderheid. De tradities in dit circuit werden mondeling doorgegeven of in rituele handelingen en feesten uitgedrukt en overgedragen. De antropoloog Robert Redfield gebruikt voor deze twee cultuurcircuits, die ook in andere en latere samenlevingen, deels zelfs tot de dag van vandaag, voorkomen, de termen grote en kleine traditie, waarbij paradoxaal genoeg de grote traditie die van de minderheid is en de kleine traditie die van de meerderheid. (3) In de middeleeuwse samenleving was er echter nog nauwelijks sprake van een onderscheid in participatie en appreciatie tussen beide cultuurcircuits. Ook de adel en de geestelijkheid namen deel aan uitingen van de ongeschreven, orale cultuur van de meerderheid en zij hadden, op enkele uitzonderingen na, nog geen sterke behoefte zich van de cultuur van het ‘gewone volk’ af te zetten. Het onderscheid tussen cultuurcircuits bracht nog niet een onderscheid in waardering tussen hoge en lage cultuur met zich mee. (4)

In de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd beginnen er echter breuken te ontstaan in het betrekkelijk harmonieuze samengaan van de cultuurcircuits. De maatschappelijke en kerkelijke elite begint zich terug te trekken uit de cultuur van alledag, waarmee die laatste meer en meer de cultuur van het gewone volk, de volkscultuur dus, begint te worden. De cultuur van alledag werd dus tot volkscultuur door de terugtrekkende beweging van de elite: die deed niet meer mee aan bijvoorbeeld bepaalde vormen van feestcultuur en participeerde niet langer in bepaalde rituelen. Het verschil in participatie dat zo ontstond,  werd vervolgens ook een verschil in appreciatie: de cultuur van de elite werd als hoger, als meer beschaafd, als meer verfijnd, als meer gekerstend ook beschouwd dan de cultuur van het volk. De hogere geestelijkheid, de adel en de stedelijke burgerij achtten het ook meer en meer hun taak en roeping om het gewone volk op te voeden, te beschaven. Zo ontstond het fenomeen van het beschavingsoffensief. De keerzijde van dat beschavingsoffensief was het optreden tegen als minderwaardig beschouwde elementen van de cultuur van alledag. De lage cultuur moest uitgeroeid worden, het volk moest verheven, opgevoed, gecultiveerd worden. De tegenstelling tussen hoge en lage cultuur was geboren en kreeg militante vormen. (5)

Het beschavingsoffensief van de vroegmoderne tijd richtte zich ook op de religiositeit van het volk. Religieuze opvattingen en gedragingen die in strijd werden geacht met een beschaafde vorm van kerkelijk christendom, bijvoorbeeld bepaalde vormen van magisch handelen, moesten uitgeroeid worden. (6) Het volk moest in zijn religieuze gedrag gedisciplineerd en in zijn opvattingen gekerstend worden. Het beschavingsoffensief werd een kersteningsoffensief. Dat kersteningsoffensief moest ook de cultuur van het alledaagse doordringen. De religieuze cultuur van het ‘gewone volk’ werd meer en meer gezien als een fenomeen dat deels uitgeroeid, deels verfijnd, verbeterd en op een hoger plan gebracht moest worden. Met die bedoeling beschreef de lutherse predikant Friedrich Heydenreich in 1800 de religieuze cultuur van de plattelandsbevolking in zijn boek Über den Charakter des Landmanns in religiöser Hinsicht. Die beschrijving moest zijn ambtgenoten die op het platteland gingen werken, van dienst zijn bij de religieuze opvoeding van het ‘gewone volk’. (7)

In de negentiende eeuw veranderde de tweedeling tussen hoge en lage cultuur of elitecultuur en volkscultuur in een driedeling. Deze ontstond doordat er onderscheid gemaakt ging worden tussen ‘goede’ en ‘slechte’ vormen van lage cultuur. Onder invloed van de romantiek ging men de alledaagse cultuur van het platteland idealiseren als een vorm van zuivere, onbedorven cultuur, bepaald door de waarden van traditie en gemeenschap. Deze cultuur werd voortaan volkscultuur of folklore genoemd en moest zoveel mogelijk opgetekend, geconserveerd en beschermd worden. Vanuit de hoge cultuur werd met sympathie en romantische waardering naar deze rurale vorm van lage cultuur gekeken. Daartegenover stond een andere vorm van alledaagse cultuur, die van de arbeiders in de steden. Die lage cultuur gold als minderwaardig en verwerpelijk, ja zelfs als gedegenereerd. Zij werd aangeduid met termen als massacultuur of consumptiecultuur. Zo ontstond er een culturele driehoek, sterk verbonden met waardeoordelen over cultuurvormen. In de top stond de hoge cultuur, waaronder de kunsten. Aan de basis stonden aan de ene kant de geïdealiseerde volkscultuur, aan de andere kant de verwerpelijke populaire of massacultuur. (8)

Grenzen vervagen

Op het vlak van de kunsten zijn de onderscheiden tussen hoge en lage cultuur vanaf het begin van de twintigste eeuw vervaagd. De statusverschillen tussen cultuuruitingen zijn minder scherp geworden: een academisch gevormde intellectueel mag zich met popmuziek, strips en thrillers bezighouden en bepaalde vormen van klassieke muziek zijn – al dan niet in bewerkte vorm (André Rieu) – gemeengoed van de massa geworden. Cassettes met cd’s met klassieke muziek – van Bach tot Bruckner - liggen in de schappen van een winkelketen als het Kruidvat. De schrijver en criminoloog Herman Franke gaf in een column in de boekenbijlage Cicero van de Volkskrant blijk van zijn verbazing over het feit dat tijdens een signeersessie in een boekhandel een zwaar getatoeëerde man met het uiterlijk van een Hells Angel een roman liet signeren. De man kreeg later de column van Franke onder ogen en schreef hem een briefje. Hij las elke week een roman: ‘U ziet, ook glazenwassers lezen wel eens een boek.’ (9) De opmerking verraadt nog wel een onderhuids statusverschil: de glazenwasser stijgt op de maatschappelijke ladder – en stijgt minstens in de waardering van de schrijver Herman Franke – door boeken te lezen. Tegelijk geeft het voorbeeld, net als dat van André Rieu met betrekking tot de lichtklassieke muziek, aan dat de verschillen in participatie aan cultuurvormen minder groot zijn dan zij tot het begin van de twintigste eeuw waren. Dat is het gevolg van een complex van maatschappelijke ontwikkelingen in de twintigste eeuw die we hier niet hoeven uiteen te zetten. (10)

Maar er is meer gebeurd. Ook tussen wat traditioneel als uitingen van hoge en van lage cultuur werd gezien, is een wisselwerking ontstaan: cultuurvormen ontlenen aan elkaar, verwijzen naar elkaar, beïnvloeden elkaar. Schilders en beeldhouwers ontlenen aan wat als ‘primitieve kunst’ werd gezien of willen zelf ‘art brut’ (‘pure, ongeciviliseerde’ kunst) tot stand brengen. In de popmuziek zitten verwijzingen naar de klassieke muziek. Stripverhalen en spektakelfilms, ja zelfs soaps variëren op thema’s uit de klassieke literatuur, zelfs in sterke mate op thema’s uit de religieuze mythologie. De grenzen tussen de cultuurvormen zijn dus minder strikt en minder scherp geworden.

Cultuurcritici zijn daardoor minder resoluut geworden in het aanbrengen van graduele classificaties. Velen geven ronduit toe: ik weet niet meer zo zeker waar de grens tussen hoge en lage cultuur ligt, als die grens überhaupt al bestaat. Dit weerspiegelt zich bijvoorbeeld in het debat over het onderscheid tussen literatuur en lectuur. Literatuur zou tot de hoge cultuur behoren en als term gereserveerd moeten worden voor teksten die op artistiek verantwoorde wijze een boodschap willen overbrengen. Lectuur daarentegen behoort tot de lage cultuur, heeft een simpele en voorspelbare verhaallijn en dient alleen ter ontspanning of verstrooiing. ‘Leesvoer’, zogezegd. Maar is die grens wel zo scherp te trekken? Een roman kan intrinsieke literaire kwaliteiten van vorm, compositie, stijl, taalgebruik, oorspronkelijkheid of zeggingskracht hebben op grond waarvan een criticus zal durven zeggen dat hij een artistiek meesterwerk is. Maar behoort de literaire roman daarmee tot de hoge cultuur en de dokters- of streekroman tot de lage cultuur? Behoren de boeken van Kluun en Saksia Noort tot de lage cultuur en die van Dostojewski en Proust tot de hoge cultuur? Literatuurwetenschappers zullen dergelijke classificaties niet meer zo gemakkelijk toepassen als zij een halve eeuw geleden nog deden. (11)

 

De diepgang van het alledaagse

 

Maar er is nog iets gebeurd: het besef is doorgedrongen dat ook het alledaagse diepgang heeft. Anders gezegd: hogere cultuurvormen hoeven niet langer hoog boven de grond te zweven. Hoge cultuur kan over het lage gaan en lage cultuur over het hoge. Cultuur is ‘geaard’ geraakt. De beoefenaars van cultuurvormen die traditioneel tot de hoge cultuur werden gerekend, zoals schrijvers en beeldende kunstenaars, gebruiken elementen uit het leven van alledag niet meer alleen om de eenvoud van het simpele, onbezoedelde, ‘natuurlijke’ leven te verheerlijken, zoals schilders dat bijvoorbeeld in de negentiende eeuw deden met scènes uit het ‘pure’ plattelandsleven. Nee, dat alledaagse leven staat niet langer in contrast met het ‘bedorven’ leven van de stedelingen. Ook het alledaagse van het stadsleven, zelfs het triviale van wat vanaf de negentiende eeuw denigrerend massacultuur genoemd werd, heeft een intrinsieke waarde gekregen. In allerlei cultuurvormen is het gewone, het tastbare en het alledaagse herontdekt als drager van betekenis. Wat oppervlakkig lijkt, blijkt ruimschoots diepgang te hebben. Het alledaagse en ogenschijnlijk triviale kan immers verwondering wekken, kan krachten van verbeelding wakker roepen, kan betekenis doen oplichten.

Een voorbeeld daarvan levert het werk van de schrijver en columnist Martin Bril, die onlangs, op 22 april 2009, overleed. Hij ontleende betekenis aan het gewone en alledaagse. In de Volkskrant, het dagblad waarin hij sinds 2001 columns publiceerde, werd hij daags na zijn overlijden herdacht onder de programmatische titels ‘De oppervlakte was diep genoeg’ en ‘Een ononderbroken zoektocht naar het doodgewone’. In zijn columns, zijn romans en zijn feuilleton ‘Evelien’ in het weekblad Vrij Nederland werd hij de chroniqueur van het alledaagse leven in Nederland. ‘Zijn virtuositeit lag in het registreren van trivialiteit’, schreef Michaël Zeeman over hem. Maar die trivialiteit van het alledaagse beschreef hij niet vanuit het neerbuigende perspectief van een vertegenwoordiger van de hoge cultuur, zoals de naturalistische romanschrijvers in de negentiende eeuw dat deden. Martin Bril beschreef, in navolging van enkele Amerikaanse voorbeelden, ‘de tragiek van het alledaagse met ongeëvenaarde indringendheid en onverwoestbare geamuseerdheid’, aldus Zeeman. (12)

De diepgang van de alledaagse cultuur is herontdekt. Anders gezegd: de hoogte van het lage is in beeld gekomen. Datzelfde geldt ook voor de religieuze cultuur. Ook die is afgedaald, omlaag gekomen en ‘geland’, dat wil zeggen is op het land, in de aarde, de humus terecht gekomen. Het gewone en alledaagse is herontdekt als drager van betekenis omtrent het ongewone en onalledaagse. Het goddelijke is herontdekt als een andere betekenislaag van de alledaagse bestaanshorizon. Spiritualiteit is te vinden in gewone dingen en in het alledaagse, stoffelijke, lichamelijke bestaan van mensen. Alles kan in beginsel drager van goddelijke betekenis zijn. Ook het oppervlak heeft zijn eigen diepgang. Ook het alledaagse kan een openbaring worden.

           

  


1. Clifford Geertz, ‘Religion as a cultural system’, in: M. Banton (ed.), Anthropological approaches to the study of religion, London 1966, 1-46; opgenomen in: The world yearbook of religion 1, New York 1969, 639-688.
2. Voor het navolgende, zie ondermeer John Storey, Cultural theory and popular culture. An introduction, Edinburgh 1996 (tweede druk 2003).
3. Robert Redfield, The little community. Viewpoints for the study of a human whole, Chicago 1955.
4. Peter Dinzelbacher, ‘Het onderzoek van de middeleeuwse volkscultuur. Een schets van de huidige problematiek’, Volkskundig Bulletin 12 (1986), 265-282; idem, ‘Volkskultur und Hochkultur im Spätmittelalter’, in: idem (red.), Volkskultur des europäischen Spätmittelalters, Stuttgart 1987, 1-14.
5. Peter Burke, Popular culture in early modern Europe, London 1978; Robert Muchembled, Culture populaire et culture des élites dans la France moderne (xve-xviiie siècles), Paris 1978 ; idem, L’invention de l’homme moderne, Paris 1988 (vertaald als : De uitvinding van de moderne mens. Collectief gedrag, zeden, gewoonten en gevoelswereld van de middeleeuwen tot de Franse Revolutie, Amsterdam 1991).
6. Keith Thomas, De ondergang van de magische wereld. Godsdienst en magie in Engeland, 1500-1700, Amsterdam 1989.
7. Peter Nissen, ‘Natuur, gevoel en rede. De ontdekking van het gelovige volk rond 1800’, Jaarboek voor liturgie-onderzoek 12 (1996), 187-198; idem, ‘Percepties van sacraliteit. Over religieuze volkscultuur’, in: Ton Dekker, Herman Roodenburg en Gerard Rooijakkers (red.), Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie, Nijmegen-Amsterdam 2000, 231-281, vooral 233-234.
8. Irene Cieraad, De elitaire verbeelding van volk en massa. Een studie over cultuur, Muiderberg 1988, tweede druk Tilburg 1996; Gust de Meyer, Populaire cultuur, Leuven-Apeldoorn 1995; idem, Cultuur met een kleine c, Leuven 2004.
9. Ik werd op deze anekdote geattendeerd door de inleiding van Anita Twaalfhoven op Hoge en lage cultuur. Themanummer van Boekman. Tijdschrift voor kunst, cultuur en beleid nr. 65 (2005), 2-3. Zie voor de column ‘De boerenlul moet de oorlog nog winnen’ van Herman Franke in de Volkskrant van 28 oktober 2005: http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article556025.ece/De_boerenlul_moet_de_oorlog_nog_winnen
10. Susanne Janssen, Het soortelijk gewicht van kunst in een open samenleving. De classificatie van cultuuruitingen in Nederland en andere Westerse landen na 1950, Rotterdam 2005.
11. Jos Joosten, Misbaar. Hoe literatuur literatuur wordt, Nijmegen 2008.
12. Michaël Zeeman, ‘Een ononderbroken zoektocht naar het doodgewone’, de Volkskrant, 23 april 2009.