Leren is geduldig luisteren naar het leven

Speling 62 (2010), nr. 1, 73-78 

 

Als Benedictus van Nursia in het begin van de zesde eeuw in zijn regel voor monniken het klooster beschrijft als een school, staat hij in de traditie van de woestijnvaders en –moeders van de voorbije twee eeuwen. Hij denkt bij school nog helemaal niet aan een onderwijsinstelling, zoals die in latere eeuwen zo vaak aan kloosters verbonden werden. Niet alleen de orde die uit de monnikengemeenschap van Benedictus voortkwam, die van de benedictijnen, maar ook vele andere, tot en met mannen- en vrouwencongregaties in de negentiende en twintigste eeuw, hebben immers grote betekenis gehad voor de geschiedenis van onderwijs en vorming.

Zij richtten al in de vroege middeleeuwen kloosterscholen op en zijn dat tot de dag van vandaag blijven doen.[i] Die onderwijsgeschiedenis van de kloosters heeft haar grootse kanten, maar ook haar schaduwzijden, tot en met die van seksueel misbruik, mishandeling van kinderen, de bevordering van onderdanige gehoorzaamheid en de onderdrukking van eigen creatieve ontplooiing. Recente berichten over misbruik op kloosterscholen in Ierland en Duitsland en nu ook in Nederland hebben ons, terecht, ook weer eens aan die kant van de geschiedenis herinnerd. Het ging er in kloosterscholen lang niet altijd om jonge mensen in spiritualiteit te laten groeien. Integendeel, spiritualiteit was vaak schrijnend afwezig.

 

Een oefenschool in het dienen

 

Maar aan die vaak mooie maar soms ook gruwelijke traditie van kloosterscholen denkt Benedictus nog helemaal niet als hij zijn regel schrijft. Hij denkt aan de school als een oefenplaats, een plek waar mensen samenkomen om er zich iets eigen maken. Het Latijnse schola komt van het Griekse woord scholè, dat rust betekent, vrije tijd, op zijn gemak zijn, vrij van verplichtingen. Het werd ook gebruikt voor wat men kon doen in die vrije tijd: ontspannen, zich op een liefhebberij toeleggen, discussiëren, studeren. Specifiek werd het ook wel gebruikt voor de plaats waar men zich op die ‘vrije bezigheid’ toelegde. In de tijd van Benedictus had de betekenis van het woord schola zich al losgemaakt van de bijklank van het onverplichte of de vrijheid. Het was een woord geworden voor elke plek waar mensen samenkomen om zich toe te leggen op datgene wat hen met elkaar verbindt: een verzamelplaats van een compagnie van het leger, een gebouw waar mensen zich op eenzelfde ambacht toeleggen, een plek waar leerlingen samenkomen rond een leraar.[ii]

Voor Benedictus is de kloostergemeenschap als school dus op de eerste plaats een plek waar mensen samenkomen om er zich iets eigen te maken, zich in iets te oefenen, iets te leren. Dat leren deden zij door er zich met aandacht en volharding op toe te leggen.[iii] En waar zij zich in een monastieke leefgemeenschap dan specifiek op toeleggen, is de dienst van de Heer. In de proloog op zijn regel zegt Benedictus: ‘wij willen daarom een oefenschool gaan stichten voor de dienst van de Heer’.[iv] Het is belangrijk dat die formulering (in het Latijn dominici scola servitii) goed verstaan wordt. In de traditie is zij immers vaak uitgelegd alsof het klooster een plaats is waar monniken of zusters de Heer (leren) dienen. Hij stond centraal, niet zelden ten koste van de medebroeder of –zuster, om nog maar te zwijgen over de wereld buiten de kloostergemeenschap. Dit ‘dienen van de Heer’ werd vertaald in een van de wereld afgesloten concentratie op de liturgie, het werk van God, dat de hoofdtaak van de monastieke kloosterlingen werd. Zij waren er voor Hem en niet voor elkaar. Benedict Guévin heeft er – m.i. terecht – op gewezen dat de formulering van Benedictus ook anders verstaan kan worden: het klooster is niet een school waar de kloosterlingen leren de Heer te dienen, maar een school waar zij leren elkaar te dienen op de wijze van de Heer.[v] Het klooster is dus een school waar Christus het pedagogische model vormt: mensen leren er dienstbaar te zijn op de wijze waarop Hij dat was. Christus is niet het object van die dienstbaarheid, maar het model ervan, het voorbeeld, en in zekere zin dus de leermeester. Kloosterlingen leren in hun leefgemeenschap niet primair Christus te dienen, maar zij leren mensen te dienen, elkaar dus en de wereld om hen heen. Zij sluiten zich niet aan bij een kloostergemeenschap om Christus te vinden, maar om mensen te vinden, om elkaar te vinden, en om te leren hoe zij naar het model en het voorbeeld van Christus, in zijn navolging dus, elkaar kunnen dienen. Navolging van Christus, gepaard aan ‘jezelf geheel opgeven’, is volgens Benedictus een van middelen ‘om het goede te doen’.[vi] Navolging van Christus is ook, zo mogen we in het verlengde daarvan zeggen, de rode draad door het lesprogramma in de oefenschool van de dienstbaarheid, die het klooster is.

 

 Aandachtig luisteren

Hoe wordt in die school geleerd? Op de eerste plaats door te luisteren. En luisteren wordt hier dan niet bedoeld in de zin van onderdanige gehoorzaamheid, maar in de zin van aandachtige ontvankelijkheid. Het luisteren is voor Benedictus het begin van het leerproces van het leven. De Regel van Benedictus begint met de lezer als luisteraar aan te spreken: ‘Obsculta, o fili, praecepta magistri et inclina aurem cordis tui’, ‘Luister aandachtig, o zoon, naar de richtlijnen van een leermeester en neig het oor van je hart’.[vii] In deze oproep klinkt een hele religieuze traditie door, die begint bij het ‘Sjema Jisraeel’ van Deuteronomium 6, 4, dat de vrome jood dagelijks reciteert: ‘Luister, Israël: de Heer, onze God, de Heer is de Enige’.‘Luister’, het is het eerste woord van de Regel van Benedictus en tegelijk, zo zegt Esther de Waal, een samenvatting van de hele regel. ‘Ik zou de rest van mijn leven kunnen besteden aan het overwegen van de implicaties van dat ene woord’, aldus Esther de Waal.[viii] En elders schrijft zij dat dit eerste woordje ‘obsculta’ de sleutel is tot wat Benedictus met zijn regel voor ogen staat: een levenswijze van ‘het absolute luisteren’, dat wil zeggen niet alleen het cerebrale luisteren met het verstand, maar het luisteren met het hart, ‘ontvankelijk en open’.[ix] En dat luisteren is niet slechts een eenmalige activiteit, maar een continue levenswijze, die om inzet vraagt. ‘Goed luisteren, met iedere vezel van ons wezen, op ieder moment van de dag, is een van de moeilijkste dingen van de wereld en toch is het van het hoogste belang als we van plan zijn de God, die we zoeken, te vinden’, aldus nogmaals Esther de Waal.[x]

Het luisteren staat dus aan het begin van het leerproces van het leven. Het staat daar in chronologisch opzicht aan het begin: een levenspraktijk als die van Benedictus, opgevat als oefenschool, begint met het luisteren naar, het verstaan van, het gehoor geven aan een roeping, een appèl, een aanspraak of uitdaging. Maar ook in de taxonomie, de waardeschaal, van een op leren gericht leven blijft het luisteren steeds aan het begin staan. Het blijft voor een mens die wil leren het eerste en het belangrijkste om gehoor te geven, ‘om zijn oor te neigen’. Want dat is de etymologische betekenis van het ‘obsculta’ in de Regel van Benedictus, dat ook doorklinkt in het ‘ausculteren’ dat een arts doet: het oor neigen om heel zorgvuldig te kunnen luisteren.[xi] Het luisteren naar wat er omgaat in mensen, in de wereld, in onszelf en om ons heen, het met een aandachtig en gespitst oor bij de werkelijkheid aanwezig zijn, bepaalt het lesprogramma van een mens die het leven als leerschool ziet. Daarmee wordt dus gezegd dat de agenda of het curriculum van een lerend mens wordt bepaald door het avontuur van het met aandacht luisteren, door de ge-hoor-zaamheid dus aan wat de werkelijkheid in hemzelf en om hem heen hem leert. En dat is een andere gehoorzaamheid dan enkel die aan de autoriteit van de leraar. De leraar heeft autoriteit in de mate waarin hij de leerling helpt om de werkelijkheid te verstaan, waar zij beiden aandachtig naar horen te luisteren. De leraar luistert al wat langer dan de leerling. Dat geeft hem een voorsprong in kennis en inzicht. En die voorsprong geeft hem gezag. Meer niet.

We zouden de historische feiten geweld aandoen, wanneer we het beeld oproepen dat de Regel van Benedictus niet ook de simpele eis van gehoorzaamheid aan de overste zou kennen. Benedictus wijdt er een heel hoofdstuk aan. En daarin wordt de kloosterling vermaand een bevel van de overste zonder dralen uit te voeren, onder het opzijzetten van zijn persoonlijke belangen. Maar die gehoorzaamheid heeft alleen zin, aldus Benedictus, wanneer ze welgemoed wordt beleefd, en dus niet met tegenzin en mokkend. Want wie zo gehoorzaamt, ‘zal God niet behagen, zelfs al voert hij het bevel uit’.[xii] Die karakteristiek van de gehoorzaamheid kan ook op het leerproces worden toegepast: alleen wie welgemoed leert, leert echt. Wie iets leert ‘omdat het moet’, maar met tegenzin en onder gemor, zal van het geleerde weinig onthouden. Het zal niet beklijven.

 

Leren van het goede voorbeeld

De afkeer van dralen, van uitstellen, van het zoeken van uitvluchten deelt Benedictus met de traditie van de woestijnvaders en –moeders. Deze asceten zochten in de vierde en vijfde eeuw alleen of in kleine leefgroepjes de stilte op, symbolisch uitgedrukt in het beeld van de woestijn, om daar vrij te zijn voor het zoeken van God.[xiii] Van hen zijn levensbeschrijvingen bewaard gebleven en korte spreuken of ‘wijze woorden, de zogenaamde apophthegmata. Hun ‘vrij zijn’ voor het zoeken van God (vacare Deo) vroeg om toeleg, volharding en daadkracht, want juist de vrijheid (scholè in de oorspronkelijke betekenis van het woord) kon verleiden tot het voortdurend uitstellen van dingen. Van amma (= moeder) Theodora, een van de weinige woestijnmoeders die we bij naam kennen[xiv], is het verhaal overgeleverd over een monnik die telkens voor een gebedsdienst overvallen werd door koortsrillingen en hoofdpijn en daardoor in de verleiding kwam de dienst maar uit te stellen. Maar hij nam steeds een kloek besluit: ‘Kijk, ik ben ziek, en misschien ga ik wel dood. Daarom kan ik nu maar beter opstaan en de gebedsdienst verrichten vóór ik sterf.’ En met die gedachte gaf hij zichzelf kracht, stond op en verrichtte de gebedsdienst. En als dan de dienst was afgelopen, was ook de koorts steeds verdwenen. Hij had dus weerstand geboden tegen de verleiding van het uitstellen en dralen: daadkracht genas hem telkens.[xv]

De verhalen en spreuken van de woestijnvaders en –moeders staan vol van dit soort stevige staaltjes van een harde aanpak. Benedictus is in vergelijking daarmee veel milder. Hij zegt ook in de proloog op de regel dat hij in de inrichting van zijn leerschool hoopt niets te bepalen dat te moeilijk of te zwaar is.[xvi] Bij hem onderwijst de leraar niet door harde tucht, maar door het goede voorbeeld. Maar ook daarmee staat hij in de lijn van de woestijnasceten. Ook bij hen onderwees de leraar, de ervaren asceet dus, vooral door zijn voorbeeld. Hij moest model zijn en geen wetgever. Een broeder vroeg eens aan abba Poimen: ‘Er wonen broeders bij me, wilt u dat ik ze bevelen geef?’ De grijze abba zei hem: ‘Geenszins. Maar doe zelf eerst het werk, en als ze willen leven, moeten ze zelf maar zien.’ De broeder hernam: ‘Maar zij verlangen zelf, vader, dat ik ze bevelen geef.’ Abba Poimen antwoordde: ‘Nee, integendeel, word voor hen een model en geen wetgever.’[xvii] De ervaren meester onderricht door zijn voorbeeld, door zijn doen, meer dan door zijn woorden. Een broeder vroeg eens aan abba Sisoës: ‘Spreek een woord tot me.’ Maar abba Sisoës antwoordde: ‘Waarom dwing je mij tot ijdel spreken? Kijk goed, en doe wat je waarneemt aan mij.’[xviii] Deze opvatting was gemeengoed onder de woestijnasceten: je leert het meeste door aandachtig waar te nemen, bijvoorbeeld door te zien hoe je leermeester leeft. Die leermeester is niet te vervangen door het lezen van boeken.[xix] Een leven van toeleg begon door in de leer te gaan bij een ervaren godzoeker. Doordat leerlingen een leermeester opzochten, ontstonden de eerste monastieke gemeenschappen, waaruit in de vierde eeuw het kloosterleven voortkwam.

 

Waakzaam en wakker

De belangrijkste regel bij het leren was ook voor de woestijnvaders en –moeders: aandachtig luisteren, toeleg, concentratie en volharding. De aandachtigheid was bij de woestijnasceten vooral waakzaamheid (nepsis, letterlijk nuchterheid, ‘bij je positieven zijn’).[xx] Die waakzaamheid kon angstvallige en krampachtige vormen aannemen; ook op dit punt is Benedictus weer milder. Van een streng levende grijsaard werd verteld dat hij bij elke stap die hij zette, stil bleef staan om de gedachte te onderzoeken die in hem opkwam.[xxi] Hieraan lag het streven ten grondslag om waakzaam te zijn bij wat in je opkomt. Van abba Poimen is de spreuk overgeleverd: ‘Wij hebben niets anders nodig dan waakzaam te zijn bij het nadenken.’[xxii] Van belang bij die waakzaamheid is, om je bij iedere gedachte af te vragen: waar kom je vandaan?[xxiii] Wellicht is een geschikte eigentijdse vertaling van de waakzaamheid wel de wakkerheid, juist als het gaat om het leren van het leven. ‘Wakkerheid begint met de ogen open doen en hier en nu zien wat er is. Met aandacht kijken, in en om onszelf, en erkennen wat er is.’ Want precies aan die aandachtige wakkerheid schort het vaak, zodat ons veel ontgaat. ‘Veel van wat er te zien is, zien we niet omdat we met andere dingen bezig zijn.’[xxiv]

Die waakzaamheid of wakkerheid vraagt tegelijk om volharding, om bij de dingen te blijven in onszelf en om ons heen waar wij naar willen luisteren en waarvan wij willen leren. Bij de woestijnvaders en –moeders werd die volharding ondermeer uitgedrukt in het streven om elke dag opnieuw te beginnen, met de ijver en de bezieling van het eerste begin. Van heel wat asceten wordt gezegd dat zij die levenshouding hadden. Abba Pioor vertelt het over abba Poimen: ‘Elke dag begon hij opnieuw.’ En van abba Silvanus is de spreuk overgeleverd; ‘Je kunt elk uur opnieuw beginnen.’[xxv] Volharding betekent ook: blijven op de plek waar je bij jezelf bent, blijven op de plek waar je kunt luisteren naar het leven en waar je dus kunt leren. Voor de woestijnmoeders en –vaders was dat de cel of kluis, hun eenvoudige verblijf. Bekend is de spreuk van abba Mozes, die sterke verwantschap heeft met wat in de zen-traditie wordt geleerd. Een broeder was naar de woestijn gekomen om van abba Mozes een richtlijn voor het leven te ontvangen. Abba Mozes zei tegen hem: ‘Keer terug naar je cel en ga zitten, en je cel zal je alles leren.’[xxvi]

Leren is dus vooral: bij de dingen blijven, aandachtig luisteren naar het leven, het oor van je hart neigen naar wat de werkelijkheid je te vertellen heeft, en dat met geduld en volharding.


[i] Andreas Albert, ‘Vom Kloster als dominici scola servitii (RB Prol. 45) zur benediktinischen Klosterschule’, Studien und Mitteilungen zur Geschichte des Benediktinerordens 107 (1996) 319-338.
[ii] Esther de Waal, A Life-Giving Way. A Commentary on the Rule of St Benedict, London/New York 1995, 12.
[iii] Adalbert de Vogüé, ‘L'Ecole du Christ’, Collectanea Cisterciensia 46 (1984) 1-12, herdrukt in Etudes sur la Règle de S. Benoît, Nouveau Recueil (Spiritualité monastique 34), Bégrolles-en-Mauges 1996, 221-223, en vertaald als ‘The School of Christ’, Cistercian Studies 24 (1989) 16-24.
[iv] Regel van Benedictus Prol. 45. Ik volg hier de vertaling van Frans Vromen o.s.b., Sint Benedictus’ Regel voor monniken, Slangenburg 1983, en niet de overigens voortreffelijke vertaling van Vincent Hunink,  De regel van Sint-Benedictus, Amsterdam 2000, die dit vers namelijk interpreteert door te vertalen: ‘Daarom gaan wij nu een school stichten voor de dienst aan de Heer’.
[v] Benedict Guévin, ‘Dominici Schola Servitii, A School of the Lord's Service or "A School of the Lord's Way of Service"?’, Downside Review 114 (1996) 294-312.
[vi] Regel van Benedictus 4,10. Hier volg ik de vertaling van Vincent Hunink.
[vii] Regel van Benedictus Prol. 1.
[viii] De Waal, A Life-Giving Way, 3.
[ix] Esther de Waal, Zoeken naar God. De weg van Benedictus (Kampen 2007), 9.

[x] De Waal, Zoeken naar God, 41.

[xi] ‘obsculta’ is afgeleid van ‘ausculta’, waarbij ‘aus’ weer is afgeleid van ‘auris’, oor, en ‘culta’ van ‘clinare’, neigen.

[xii] Regel van Benedictus 5,18.
[xiii] Goede inleidingen in het Nederlands zijn: G.J.M. Bartelink, De bloeiende woestijn. De wereld van het vroege monachisme, Baarn 1993, en Pieter W. van der Horst, De woestijnvaders. Levensverhalen van kluizenaars uit het vroege christendom, Amsterdam 1998.
[xiv] In de grootste verzameling van spreuken, het Gerontikon, zijn van de 130 namen er maar drie van vrouwelijke asceten. Zie Christofoor Wagenaar, Woestijnvaders. Een speurtocht door de vaderspreuken, Nijmegen/Beveren 1981, 127.
[xv] Wagenaar, Woestijnvaders, 147.
[xvi] Regel van Benedictus Prol. 46.
[xvii] Wagenaar, Woestijnvaders, 46.
[xviii] Wagenaar, Woestijnvaders, 46.
[xix] Bartelink, De bloeiende woestijn, 92-93.
[xx] Wagenaar, Woestijnvaders, 142-149; Pierre Adnès, ‘Nepsis’, Dictionnaire de Spiritualité XI, Parijs 1982, 110-118.
[xxi] Wagenaar, Woestijnvaders, 142.
[xxii] Wagenaar, Woestijnvaders, 146.
[xxiii] Wagenaar, Woestijnvaders, 143.
[xxiv] Deze mooie gedachten werden geformuleerd naar aanleiding van het gebruik van het woord ‘wakkerheid’ in de nieuwe remonstrantse belijdenis uit 2006 door Christa Anbeek, ‘Wat oneindig groter is’, in: Mijnke Bosman, Johan Goud en Marius van Leeuwen (red.), Een weg van vrijheid. Reflecties bij de nieuwe remonstrantse belijdenis, Zoetermeer 2006, 46-50, citaten op 48.
[xxv] Wagenaar, Woestijnvaders, 165.
[xxvi] Wagenaar, Woestijnvaders, 69; Van der Horst, De woestijnvaders, 241; Anselm Grün, Bidden met de woestijnvaders, Zoetermeer/Kapellen 2002 (derde druk 2007), 19-20.