Wat is er gebeurd met God in Nederland?
In het tweede nummer van jaargang 2011 van het tijdschrift Speling staat het 'Vermoeden van het goddelijke' centraal. Peter Nissen vroeg zich in dat nummer af wat er met God is gebeurd in Nederland. Hoe is het beeld van God of het goddelijke in de laatste decennia veranderd?

Is Nederland van God los? Het beeld wordt soms in behoudende christelijke kringen opgeroepen: Nederland is God vergeten. Maar de werkelijkheid is anders: veel mensen zijn in Nederland bezig met de vraag naar wat hen overstijgt, de vraag naar het transcendente, het heilige, het omvattende en het dragende in hun leven, de vraag naar het goddelijke of naar God. Maar die God is doorgaans niet meer de God over wie de kerken vroeger – en vaak ook nu nog – met gezag en grote stelligheid meenden te kunnen spreken. Veel Nederlanders zijn op een of andere manier wel bezig met de vraag naar God, maar het is niet meer de God van de klassieke kerkelijke leer. God is veranderd in Nederland, of beter natuurlijk: de godsbeelden zijn in Nederland veranderd.

Godsbeelden, inderdaad. Want – laat ik daar vanaf het begin duidelijk over zijn – de schrijver van dit artikel heeft niet de pretentie over God zelf iets te kunnen zeggen. Ik kan alleen iets zeggen over de beelden die mensen van God of het goddelijke hebben, over de wijze waarop zij zich God of het goddelijke voorstellen en over de manieren waarmee zij zich tot God of het goddelijke verhouden. Ik kan dus alleen iets zeggen over de ene kant van de relatie tussen God en mensen: de kant van de menselijke perceptie en beleving. Dat is een uitspraak die een soort wetenschappelijke beginselverklaring is. Als wetenschapper onderzoek ik religieuze opvattingen en gedragingen als uiting en onderdeel van menselijke cultuur. Spiritualiteit gaat over menselijke handelingen, over menselijke belevingen en menselijke voorstellingen. Ik heb geen enkele pretentie om – althans in dit verband – iets over God zelf te kunnen zeggen. Mijn benadering van spiritualiteit is daarmee wellicht ook niet theologisch, of als ze al theologisch genoemd wil worden, dan toch slechts in de zin waarin ook het werk van Harry Kuitert theologisch genoemd wordt, namelijk vertrekkend vanuit het uitgangspunt dat ‘alle spreken over boven van beneden komt, ook de uitspraak dat iets van boven komt’, een formulering van Kuitert die wel de beroemdste zin uit de Nederlandse theologie is genoemd.[1]

God in de letteren 

 

Dat Nederland helemaal niet van God los is, wordt duidelijk, om slechts één domein te noemen, uit de recente Nederlandse letterkunde. In hun inleiding op een overzichtswerk over religie in Nederland wijzen Erik Borgman en Anton van Harskamp er terecht op dat het van symbolische betekenis is dat de Boekenweek van 1997 ‘Mijn God’ als thema had. Dat Boekenweekthema bracht aan het licht dat ‘na enkele decennia van vijandige verzwijging’ (deze woorden zijn voor rekening van Borgman en Van Harskamp) religie weer gezien werd als een onderdeel van de cultuur dat belangstelling verdient.[2] Ik denk zelf dat vooral de toevoeging ‘mijn’ dit thema acceptabel maakte: het ging in Nederland, althans in de kring waarin de Boekenweek bedacht en voorbereid werd, niet langer over ‘de’ God (van de christenen, van de kerken), maar over ‘mijn’ God. Het klassieke christelijke godsbeeld, door de kerken op gezagvolle wijze als eeuwige waarheid verkondigd, had voor veel mensen in Nederland, zowel binnen als buiten de kerken, inmiddels zijn overtuigingskracht wel verloren. Die God had afgedaan. Maar dat nam niet weg dat toch heel wat mensen zich wilden bezighouden met datgene wat (of diegene die) henzelf of anderen een soort van goddelijke bezieling verschaft.

Met het oog op de Boekenweek van 1997 bundelde Désanne van Brederode een aantal verhalen en gedichten uit de Nederlandse literatuur waarin God een rol speelt, van Hadewijch tot Huub Oosterhuis en van Harry Mulisch tot Henriëtte Roland Holst. In de inleiding op die bundel schreef zij: ‘Ik kan u nog steeds niet zeggen in welke God ik geloof, laat staan waarom. Het enige wat ik weet is dat ik alle schrijvers in deze bundel geloof. Op hun woord. Op al het wit ertussen.’[3] Anders gezegd: het godsbeeld is gesubjectiveerd, en wat vooral boeit is de persoonlijke overtuiging die mensen ertoe brengt in een God, beter nog in ‘hun’ God te geloven. Niet het geloof in God staat voorop, maar het geloof in mensen die zeggen in iets goddelijks te geloven. Hun subjectieve overtuiging - en niet een objectief godsgeloof - verdient krediet.

Die belangstelling voor het subjectieve godsgeloof en voor wat dit in mensen teweeg kan brengen, verklaart volgens mij, behalve natuurlijk de literaire kwaliteit van het werk, ook het enorme succes van de roman Knielen op een bed violen van Jan Siebelink uit 2005. Na drie jaar waren er van dit boek al meer dan een half miljoen exemplaren verkocht. In september 2009, vier en een half jaar na verschijnen, beleefde de roman zijn vijftigste druk. Ook de auteur zelf ziet een relatie tussen de thematiek van zijn boek, namelijk het bevindelijke geloof van de hoofdfiguur (voor wie zijn eigen vader model heeft gestaan), en de subjectivering van het godsbeeld in onze tijd. ‘Eigenlijk doet zijn geloof nu heel modern aan’, zei hij in een interview. ‘Het gaat puur om die ene gelovige en God, tussen hen moet het goed komen. Dat staat los van dogma’s, van kerken.’[4]

Niet alleen in het werk van Jan Siebelink speelt God een rol. Ook in dat van andere min of meer succesvolle Nederlandse literatoren is God, uitgesproken of tussen de regels door, aanwezig: Willem Jan Otten, Vonne van der Meer, Désanne van Brederode, Oek de Jong, Rosita Steenbeek, Renate Dorrestein, Marjoleine de Vos en anderen. Zij worden niet bij voortduring bespot om het ter sprake brengen van religieuze gevoelens of ervaringen. Bovendien vinden sommigen van hen veel lezers. God is dus niet (langer) passé in de letterkunde. Het blijkt ook uit andere initiatieven. Zo wijdde De Gids, het oudste literaire tijdschrift van Nederland, in 2008 onder de titel Hemel en Aarde een dubbelnummer aan ‘het verlangen naar, of de ervaring van het hogere’.[5] Er komen voor- en tegenstanders van religie in aan het woord, maar vooral ook auteurs die ‘nu eens niet belemmerd (worden) door de kwestie van “voor of tegen”’.[6]

Soms klinken in het werk van de genoemde (en andere) auteurs echo’s door van het kerkelijke godsgeloof dat enkelen van hen in hun jeugd nog hebben meegekregen. Maar nooit is dat overheersend in hun werk. Als God ter sprake komt, is dat niet ‘de’ God, maar ‘hun’ God. ‘In hun beleving en articulering van hun religie’, aldus literatuurhistoricus Jaap Goedegebuure, kiezen zij ‘voor een individueel profiel.’[7] Zij vertegenwoordigen geen religie, geen kerkgenootschap en geen specifieke traditie. Maar zij zijn niet van God los.

 

God verhuist 

Wat hiervoor over literatoren is gezegd, geldt voor veel Nederlanders: zij zoeken God of het goddelijke niet meer uitsluitend of zelfs niet op de eerste plaats waar zij dat vroeger gewend waren te doen, namelijk in de kerk. Voor veel Nederlanders ligt het niet meer voor de hand om God in de kerk te zoeken. God is losgeraakt van de klassieke levensbeschouwelijke instituties. Hij is verhuisd, naar buiten de kerken. God woont voor veel mensen eerder buiten dan binnen de kerken.

Dat kwam scherp aan het licht bij een grootschalig onderzoek dat in oktober en november 2003 werd uitgevoerd door het bureau Motivaction in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, in het kader van het beleidsthema ‘religie in het publieke domein’. Bij dat onderzoek naar de relatie tussen religie en leefstijl werd een drietrapsvraag aan mensen gesteld. Eerst werd gevraagd of ze zichzelf als ‘zeker, enigszins of niet religieus of spiritueel ingesteld’ beschouwden. Vervolgens kwam de vraag of ze zich tot een levensbeschouwelijke, religieuze of spirituele groepering rekenden. Degenen die daar ja op antwoordden, kregen een derde, open vraag naar de naam van die groepering voorgelegd. Uit het onderzoek kwam naar voren dat 54% van de Nederlandse bevolking zichzelf als ‘religieus of spiritueel ingesteld’ beschouwde. Dat betekent dus dat ruim de helft van de Nederlandse bevolking – althans in de eigen beleving - met religie of spiritualiteit bezig is. Van die ruime helft beleeft echter slechts wederom de helft die religiositeit of spiritualiteit binnen een religieuze institutie: 25% beschouwt zichzelf als christen en 3% is verbonden met een andere religieuze institutie (vooral de islam), samen dus 28%. De andere helft, om precies te zijn 26%, beleeft religie of spiritualiteit zonder zich tot een groepering of institutie te bekennen.[8] Dat betekent dus dat zij God of het goddelijke, of hoe zij het ook zullen noemen, zoeken buiten een kerkgenootschap of een andere religieuze, spirituele of levensbeschouwelijke groepering. Sinds de publicatie van het onderzoek in 2006 gaan zij door het leven als de ‘ongebonden spirituelen’. Het onderzoek is inmiddels bijna acht jaar oud. Het zou mij niet verbazen als de groep ‘ongebonden spirituelen’, die in 2003 al groter was dan de groep kerkelijke christenen, intussen ook al groter is dan die van alle ‘gebonden spirituelen’ bij elkaar.

De verhuizing van God naar buiten de kerken hangt uiteraard samen met de krimp van de kerkgenootschappen. Die krimp is het gevolg van het proces van ontkerkelijking dat zich in alle Europese landen voordoet.[9] In Nederland is dat proces goed gedocumenteerd in statistieken over het kerklidmaatschap. Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceerde in 2010 een overzicht waaruit zou blijken dat rond 1900 slechts 2% van de Nederlanders zich niet verbonden voelde met een kerkgenootschap en in 2008 maar liefst 42%.[10] Maar in werkelijkheid is de terugloop in kerkelijkheid in Nederland nog veel sterker. De meeste statistieken geven namelijk een voor de kerken veel te rooskleurig beeld. Het in opdracht van het RKK-televisieprogramma Kruispunt uitgevoerde onderzoek ‘God in Nederland’ kwam in 2006 al tot onkerkelijkheidspercentage van 61.[11] Uit het boven aangehaalde onderzoek van Motivaction blijkt zelfs dat in 2003 nog slechts een kwart van de Nederlandse bevolking zichzelf als christen beschouwde.

 

De meeste andere recente onderzoeken geven hogere percentages.[12] Die onderzoeken zijn ofwel gebaseerd op de gegevens die de kerkgenootschappen zelf verschaffen ofwel op onderzoeken die slechts met een tweetrapsvraag werken (bent u lid van een kerkgenootschap, en zo ja, van welk?). Volgens de opgave van de kerkgenootschappen zelf zou nog ruim 45% van de Nederlandse bevolking christen zijn. Eén ding wordt daarmee duidelijk: de eigen administratie van de kerkgenootschappen geeft een vertekend beeld. Kennelijk zitten er nog heel veel mensen in de (al dan niet digitale) kaartenbakken van de kerkgenootschappen die zichzelf niet meer als lid van die kerkgenootschappen beschouwen en die waarschijnlijk zelf ook niet meer weten dat ze nog als zodanig te boek staan. De getallen die gebaseerd zijn op de tweetrapsvragen zijn te vinden in onder meer rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau en in het in opdracht van het RKK-programma uitgevoerde onderzoek ‘God in Nederland’. Volgens deze getallen zou nog 31 tot 34% van de Nederlandse bevolking christen zijn. Dat beeld ontstaat blijkbaar als mensen niet, zoals in het onderzoek van Motivaction, eerst gedwongen worden na te denken of ze zichzelf wel als ‘religieus of spiritueel ingesteld’ beschouwen. Of anders gezegd: er zijn blijkbaar mensen die wel lid zijn van de kerk, maar die niet religieus zijn ingesteld. Het Sociaal en Cultureel Planbureau sprak in 2006 de verwachting uit dat in 2020 72% van de Nederlandse bevolking buitenkerkelijk zou zijn.[13] Maar op basis van het onderzoek van Motivaction zou men moeten zeggen dat dit getal al in 2003 bereikt was.

Maar met de toename van de buitenkerkelijkheid is God niet uit Nederland verdwenen, althans zeker niet in dezelfde mate als de kerkgenootschappen zijn gekrompen. Ook dat is overigens niet een typisch Nederlands verschijnsel. Het doet zich volgens het Europese Waardenonderzoek in heel Europa voor: ‘most of the Europeans who leave church do not loose their religion.’[14] Overal in Europa doet zich het fenomeen voor dat door de godsdienstsociologe Grace Davie voor Groot-Brittannië al in de jaren negentig is beschreven met het beeld ‘believing without belonging’.[15] Ook dus in Nederland, en daar zelfs in sterke mate. Uit het al genoemde onderzoek ‘God in Nederland’ blijkt dat in 2006 60% van de Nederlandse bevolking geloofde in God of een hogere macht. Slechts 26% beschouwde zichzelf als agnost (‘ik weet niet of er een God of hogere macht bestaat’) en slechts 14% was uitgesproken atheïst (‘er bestaat geen God of hogere macht’).[16] Als het klopt dat nog slechts een kwart van de Nederlandse bevolking zichzelf als kerkelijk christen beschouwt, dan betekent dit dat er in Nederland meer buitenkerkelijke dan kerkelijke mensen zijn die in een God of een hogere macht geloven. Er zijn méér mensen die God buiten de kerk zoeken of vinden dan mensen die hem daarbinnen zoeken of vinden.

God in beweging: van theïsme naar holisme

 Maar God is in Nederland niet alleen verhuisd. Hij is ook van karakter of van wezen veranderd.[17] De meest ingrijpende verandering in het godsbeeld lijkt me die van een theïstisch naar een holistisch godsbeeld. De klassieke beelden van God, geïnspireerd op de bijbelse verhalen en vervolgens in de kerkelijke traditie steeds nauwkeuriger ingevuld, blijken voor veel mensen niet meer te voldoen. Zij hebben hun zeggingskracht verloren.[18] Het beeld van God als een persoon, die ingrijpt in de wereld en die zich met ieder van ons persoonlijk bemoeit, heeft op grote schaal plaatsgemaakt voor het beeld van God als een hogere macht, een kracht of een energie, die ons doet bestaan en die als dragende grond in de werkelijkheid werkzaam is. In 1966 was 47% van de Nederlanders ervan overtuigd dat er een God is die zich met ieder mens persoonlijk bezighoudt, in 2006 was nog slechts 24% daarvan overtuigd, dus iets meer dan de helft. En terwijl in 1966 31% geloofde dat er ‘iets’ moest zijn ‘als een hogere macht die het leven beheerst’, geloofde dat in 2006 36%, en tien jaar eerder, in 1996, 39%. Tegelijk blijkt ook het agnostische standpunt (‘ik weet niet of er een God of een hogere macht bestaat’) flink toegenomen: van 16% in 1966 naar 26% in 2006.[19] De grote verandering zit dus niet in een explosieve toename van het atheïsme, maar in de vervanging van het traditionele godsgeloof door ‘een onzeker of vaag transcendentiegeloof’.[20]

Deze verschuiving van – kort door de bocht gezegd – een persoonlijk naar een onpersoonlijk of een theïstisch naar een holistisch (of panentheïstisch) godsbeeld is vooral onder Nederlandse rooms-katholieken snel gegaan. Koesterde bij het eerste onderzoek ‘God in Nederland’ in 1966 nog 61% van de rooms-katholieken het beeld van ‘een God die zich met ieder mens persoonlijk bezighoudt’, bij het vierde onderzoek in 2006 was dat nog maar 27%.[21] Bij het derde onderzoek, in 1996, was dit trouwens nóg minder: slechts 17%.[22] Waarschijnlijk kan dit verklaard worden door aan te nemen dat met het krimpen van de kerkgenootschappen de geloofsopvattingen van de kerkleden die overblijven verhoudingsgewijs weer wat klassieker worden.

Een ruime meerderheid van de ‘gelovige’ Nederlanders – en zelfs een overweldigende meerderheid van de Nederlandse rooms-katholieken - is, om dat door de moleculaire bioloog, politicus en columnist Ronald Plasterk in 1997 in een column in het blad Intermediair geïntroduceerde begrip te gebruiken, in enkele decennia tijd ‘ietsist’ geworden.[23] Die ontwikkeling is trouwens ook weer niet typisch Nederlands: de Religionsmonitor die in 2008 in opdracht van de Bertelsmann-Stiftung werd gepubliceerd, bracht in Duitsland een zelfde verandering van het godsbeeld in beeld, zij het (nog) niet in dezelfde omvang als in Nederland, en ook daar doet die verandering zich zowel onder kerkleden als onder niet-kerkleden voor.[24] De denigrerende term ‘ietsisme’ suggereert dat er bij de aanhangers ervan slechts een extreem vaag idee van een hogere instantie bestaat. Plasterk bedoelde het in elk geval zo. Hij zag in het fenomeen vooral een uiting van het feit dat mensen die vroeger gelovig waren geweest uit nostalgische of esthetische motieven toch maar aan ‘iets hogers’ blijven vasthouden, ‘anders is het zo kaal’. Maar dit geloof, aldus Plasterk, verplicht tot niets. Plasterk suggereert dat het ‘ietsisme’ eigenlijk een vorm van lafheid is van mensen die het geloof in God zijn kwijtgeraakt, maar dat voor zichzelf en voor anderen niet helemaal durven toe te geven.[25]

Maar er blijkt toch meer aan de hand te zijn. De aanname van dit ‘iets’ gaat namelijk gepaard met een besef van verbondenheid: de hogere macht of goddelijke energie doortrekt en doordringt alles en iedereen en verbindt de elementen van de werkelijkheid tot in de kern met elkaar. Alles hangt op een of andere diepere wijze met alles samen. Dat maakt de term ‘holistisch’ tot een meer adequate aanduiding voor het veranderde godsbeeld. En dat besef van samenhang blijkt ook voor veel mensen ethische implicaties te hebben. Zij verbinden er een spiritueel levensdoel mee.[26] Het ‘ietsisme’ blijkt dus minder leeg, minder vrijblijvend en ook minder oppervlakkig te zijn dan door Plasterk en ook door woordvoerders van de gevestigde kerken gesuggereerd werd en wordt. Van theologische zijde zijn dan ook al verschillende pogingen ondernomen om tot een herwaardering van het verschijnsel van het ‘ietsisme’ te komen, zelfs onder het speelse motto ‘iets is beter dan niets’.[27] Christiane Berkvens-Stevelinck liet in een bijdrage aan Speling zien dat een ‘ietsistische’ opvatting niet een persoonlijke verhouding tot dat ‘Iets’ in de weg hoeft te staan, dat dus ‘ietsisme’ gerust een fundament van (christelijke) spiritualiteit kan zijn. Dat gebeurt volgens haar op het moment dat ik me verbeeld ‘dat iets voor mij iemand is, die onmogelijk in woord en beeld gevangen kan worden, maar die mij aanspoort tot het goede, die naar mij omziet en mijn leven richting geeft. En het is deze vertaling van het onkenbare Iets in een verbeeld Iemand die mijn leven betekenis verleent.’[28]

 

God gebeurt 

 

De verschuiving van een theïstisch naar een holistisch godsbeeld heeft nog meer implicaties. Zij heeft voor veel mensen ook de band tussen godsbeeld en moraal losser gemaakt: een energie of hogere macht wordt minder snel beschouwd als een bewaker van de private en de publieke moraal dan een persoonlijke, rechtsprekende God. In het verleden leek het godsbesef, of liever de vrees voor God, een soort garantie te zijn voor de publieke moraal in de samenleving. God was de grote boeman, ‘de alomtegenwoordige politiegod, waar sommigen in hun jeugd bang voor gemaakt zijn’, zoals de dichteres Marjoleine de Vos het formuleert, of meer theologisch uitgedrukt: de Rechter, die tegelijk Straffer en Beloner kon zijn.[29] Zelfs wie zelf niet meer in God – of althans in déze God - kon geloven, kon het nog wel handig vinden Hem af en toe van stal te halen om te zorgen dat de mensen zich, uit vrees voor helse straffen, netjes gedroegen. Van de Franse verlichte filosoof Voltaire wordt verteld, dat hij ooit met vrienden aan tafel een gesprek voerde over het wel of niet bestaan van God. Toen zijn personeel kwam om de tafel af te ruimen, vroeg Voltaire zijn disgenoten om het gesprek te onderbreken. Want, zo zei hij, ‘als zij horen dat er misschien geen God is, gaan ze er met mijn tafelzilver vandoor’.[30]

Zelfs voor de bescherming van het tafelzilver kan deze God voor het merendeel van de Nederlanders niet meer worden opgevoerd. God heeft afgedaan als de bewaker van de publieke moraal. De socioloog en publicist Herman Vuijsje, die eerder bewondering oogstte met zijn boek Pelgrim zonder God, schreef daarover een interessant en – door zijn vlotte stijl – ook vermakelijk boek: Tot hier heeft de Heer ons geholpen. Over godsbeelden en goed gedrag. De boodschap van de titel kan de lezer gemakkelijk aanvullen: ‘maar voortaan moeten we het zelf doen, op eigen kracht’. Vuijsje is ervan overtuigd dat de christelijke traditie ons waardevolle leefregels voor ons morele gedrag aanreikt. Wij staan, zo luidt kort samengevat zijn analyse van de situatie, in Nederland of ruimer in West-Europa nu voor de uitdaging die waardevolle leefregels in stand te houden, ook nu we dat niet meer doen uit collectieve angst voor een dreigende en straffende God. ‘Voortaan moeten we in West-Europa onze normen “uit onszelf halen”, met dank aan het christelijk erfgoed.’[31]

Met de boven beschreven veranderingen heeft het godsbeeld voor veel Nederlanders ook zijn statische trekken verloren. Zij zijn niet meer zo zeer op zoek naar een God wiens bestaan met filosofische of theologische argumenten bewezen kan worden en die met zekere nauwkeurigheid gekend en beschreven kan worden. Nee, zij zijn veeleer op zoek naar ervaringen waarin het goddelijke gebeurt. Het godsbesef is daarmee veel dynamischer en subjectiever geworden dan voorheen en meer gericht op het ervaren van ‘iets van God’. Deze verschuiving is in 2007 voor een groot publiek ter sprake gekomen in het geruchtmakende boek van dominee Klaas Hendrikse, Geloven in een God die niet bestaat, dat in de ondertitel wordt aangekondigd als ‘manifest van een atheïstische dominee’.[32] Het boek veroorzaakte grote commotie in protestantse kring, waar door behoudende kerkleden werd opgeroepen tot disciplinaire maatregelen tegen de ‘atheïstische dominee’, en het werd in november 2010 de aanleiding tot een debat over het ‘spreken over God’ tijdens de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland.[33] Oud-bisschop Jan Bluyssen wees in een fijnzinnig boekje over de ervaringskennis van de mystici echter terecht op de overeenkomst tussen wat Klaas Hendrikse bepleit en wat – in iets andere woorden – door de middeleeuwse mysticus Meester Eckhart werd gezegd.[34] Het heeft geen zin, aldus Hendrikse (en Eckhart), om het bestaan van God te willen bewijzen, zoals wij het bestaan van een stoel of een tafel kunnen bewijzen. Het heeft wel zin op zoek te gaan naar ervaringen waarin God of het goddelijke ‘gebeurt’, ervaringen van mensen die door het goddelijke aangeraakt worden en daardoor in beweging komen.

Er is dus het nodige met God gebeurd in Nederland: de zekerheid over de christelijke God, één in wezen en in drie personen, heeft voor velen mensen plaatsgemaakt voor het vermoeden van ‘iets goddelijks’. Moeten we dan het woord God wel blijven gebruiken, als we eigenlijk ‘geen idee meer hebben waar we het over hebben’, zo vroeg de dichteres Marjoleine de Vos zich af. Zij geeft ook het antwoord: ‘Er is nu eenmaal een woord voor dat wat ons te boven gaat – en dankzij dat woord voelen we ook weer beter dát er iets is dat ons te boven gaat. Dat woord brengt oneindig veel beelden mee, en ook dat is goed, want die helpen ons om onze houding tegenover de ons omringende wereld te bepalen.’[35]     


[1] De uitspraak komt uit een reeks radiolezingen voor de NCRV, gebundeld in H.M. Kuitert, Zonder geloof vaart niemand wel. Een plaatsbepaling van christendom en kerk, Baarn 1974, 28. Een verdere uitwerking en fundering verschaft H.M. Kuitert in Wat heet geloven? Structuur en herkomst van de christelijke geloofsuitspraken, Baarn 1977.
[2] Erik Borgman en Anton van Harskamp, ‘Tussen secularisering en hernieuwde sacralisering’, in: Meerten ter Borg e.a., (red.), Handboek religie in Nederland. Perspectief – overzicht – debat, Zoetermeer 2008, 14-25, met name 14.
[3] Désanne van Brederode, ‘Woord vooraf’, in: Credo. Bezielde verhalen uit de Nederlandse literatuur, Amsterdam 1997, 5-9, citaat 9.
[4] Liesbeth Eugelink, ‘Niets in mij gelooft dat.’ Over religie in de moderne Nederlandse literatuur, Kampen 2007, 226.
[5] Aldus de formulering in het voorwoord van H.M. van den Brink, Ger Groot en Edzard Mik, De Gids 170 (2008), nr. 6/7, 465.
[6] Idem.
[7] Jaap Goedegebuure, Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010, Nijmegen 2010, 11.
[8] Gerrit Kronjee en Martijn Lampert, ‘Leefstijlen en zingeving’, in: W.B.H.J. van de Donk e.a. (red.), Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformatie, Amsterdam 2006, 171-208, met name 176.
[9] Loek Halman, Ruud Luijkx and Marga van Zundert, Atlas of European Values, Leiden 2005, 60-61.
[10] 111 Jaar statisiek in tijdreeksen, 1899-2010, Den Haag/Heerlen 2010, 161-163.
[11] Gerard Dekker, ‘Het christelijk godsdienstig en kerkelijk leven’, in: Ton Bernts, Gerard Dekker en Joep de Hart, God in Nederland 1996-2006, Kampen 2007, 12-73, met name 14.
[12] Voor het navolgende, zie Frans Jespers, ‘Verkenningen en bevindingen over nieuwe religiositeit’, in: idem (red.), Nieuwe religiositeit in Nederland. Gevalstudies en beschouwingen over alternatieve religieuze activiteiten, Budel 2009, 9-40, met name 11-12.
[13] Jos Becker en Joep de Hart, Godsdienstige veranderingen in Nederland. Verschuivingen in de binding met de kerken en de christelijke traditie, Den Haag 2006, 54.
[14] Halman, Luijkx and Van Zundert, Atlas of European Values, 61.
[15] Grace Davie, Religion in Britain since 1945: believing without belonging, Oxford 1994.
[16] Dekker, ‘Christelijk godsdienstig en kerkelijk leven’, 40.
[17] In het navolgende worden enkele elementen hernomen uit mijn artikel ‘In de leer bij ervaringsdeskundigen’, de nabeschouwing bij Jan Bluyssen, De donkere stilte van God. Ervarenderwijs op zoek, Alphen aan de Maas 2009, 108-116.
[18] Arjan Markus, Adieu God. In gesprek over het afscheid van de persoonlijke God, Zoetermeer 2010.
[19] Dekker, ‘Christelijk godsdienstig en kerkelijk leven’, 40; Gerard Dekker, Joep de Hart en Jan Peters, God in Nederland 1966-1996, Amsterdam 1997, 18.
[20] Dekker, de Hart en Peters, God in Nederland 1966-1996, 18.
[21] Dekker, ‘Christelijk godsdienstig en kerkelijk leven’, 42.
[22] Dekker, de Hart en Peters, God in Nederland 1966-1996, 55.
[23] In november 1996 had Ad Verkuijlen in een column in Filosofie Magazine al de term ‘ietsers’ gebruikt. Voor de discussie over de herkomst van het woord, zie de website van het genootschap Onze Taal: http://taal.web-log.nl/taaladviesdienst/2007/02/ronald_plasterk.html.
[24] ‘Religionsmonitor: “Religiös” heisst nicht “kirchlich”’, Herder Korrespondenz 62 (2008), 61-63.
[25] Kune Biezeveld e.a., In Iets geloven. Ietsisme en het christelijk geloof, Kampen 2006, 7-8.
[26] Jespers, ‘Verkenningen bevindingen’, 23-24 en 32-33.
[27] Gijs Dingemans, ‘Iets is beter dan niets. Verslag van een zoektocht’, in: Biezeveld e.a., In Iets geloven, 49-55; zie van zijn hand ook: Ietsisme. Een basis voor christelijke spiritualiteit?, Kampen 2005.
[28] Christiane Berkvens-Stevelinck, ‘Ietsisme: afscheid van een persoonlijke God?’, Speling 59 (2007), nr. 4, 46-50, citaat 50.
[29] Marjoleine de Vos, Godsbeelden. Vierde J.H. van Oosbreelezing, Delft 2003, 18.
[30] Herman Vuijsje, Tot hier heeft de Heer ons geholpen. Over godsbeelden en goed gedrag, Amsterdam/Antwerpen 2007, 33.
[31] Vuijsje, Tot hier heeft de Heer ons geholpen, 23.
[32] Klaas Hendrikse, Geloven in een God die niet bestaat. Manifest van een atheïstische dominee, Amsterdam 2007 (met een voorwoord van Harry Kuitert).
[33] Generale Synode van de Protestantse Kerk in Nederland, Spreken over God, Zoetermeer 2011. Zie ook mijn bijdrage aan het ‘theologisch elftal’ van het dagblad Trouw, 17 november 2010. De website van het Nederlands Dagblad houdt een dossier bij over Klaas Hendrikse: http://www.nd.nl/dossiers/kerk-en-religie/klaas-hendrikse.
[34] Bluyssen, De donkere stilte van God, 21.
[35] De Vos, Godsbeelden, 23.