Achter de heilige huisjes

Over religie als heilig spel en religieus erfgoed als de knikkers.

Verschenen in: Brabants Heem 60 (2008), 78-85.

Het Jaar van het Religieus Erfgoed is, naast vele andere dingen, vooral ook een uitdrukking van verlegenheid: we weten in Nederland en ook in Noord-Brabant eenvoudig niet wat we met ons religieuze erfgoed aanmoeten, noch met het materiële erfgoed noch met het immateriële erfgoed. [1] Maar één ding is zeker: het zal niet allemaal behouden blijven. Er zullen de komende jaren, zoals ook in de afgelopen decennia, in Nederland en in Noord-Brabant nog heel wat heilige huisjes sneuvelen.

Nu is het omverwerpen van heilige huisjes niet zomaar iets. ‘Heilige huisjes’ is in Nederland een staande uitdrukking geworden voor ‘gevestigde opvattingen, belangen of instellingen’. Oorspronkelijk was een heilig huisje een kapelletje. Bij uitbreiding werd het ook een schertsende uitdrukking voor een café. Wie op bedevaart ging en onderweg bij alle heilige huisjes aanlegde, kwam uiteindelijk behoorlijk beschonken in het bedevaartsoord aan, of zelfs helemaal niet. Maar vertrouwder is ons nog de al genoemde betekenis van ‘gevestigde opvatting, gevestigd belang, gevestigde instelling’. ‘Je mag tegen een heilig huisje niet pissen’, ‘je moet van heilige huisjes afblijven’, ‘je mag niet tegen een heilig huisje schoppen’, zo maar enkele uitdrukkingen uit de ‘Dikke Van Dale’, die illustreren hoe heilig die huisjes kunnen zijn.

Van die heilige huisjes zijn er de afgelopen veertig, vijftig jaar in Nederland toch heel wat omvergeworpen. Anders gezegd: er zijn heel wat tot die tijd algemeen aanvaarde opvattingen verdampt, er zijn heel wat gevestigde belangen verdwenen en er zijn heel wat traditionele instellingen flink gekrompen. Tegelijk zijn er vanaf het eind van de jaren zestig ook daadwerkelijk al heel wat heilige huisjes, dus religieuze gebouwen, omvergeworpen. De sloop in 1970 van de neogotische Sint-Barbarakerk in Breda, een kerk uit 1869 van de architect Pierre Cuypers, die sinds 1875 in gebruik was als kathedrale kerk van het bisdom Breda, was in Noord-Brabant een soort symbolisch keerpunt.[2] De consecratie van nieuwe kerkgebouwen is een zeldzaamheid geworden. Veel talrijker zijn de kerkgebouwen en kloosters die hun oorspronkelijke bestemming verliezen en dan in veel gevallen worden afgebroken. Dat laatste – afbreken dus – wordt wat rooms-katholieke kerken betreft zelfs bevorderd door het beleid van de bisdommen, die in Nederland bijna allemaal liever zien dat een aan de eredienst onttrokken kerkgebouw afgebroken wordt dan dat het een andere, profane bestemming krijgt. Zo is trouwens nog onlangs, in september 2008, als gezamenlijk beleid van de Nederlandse bisdommen afgesproken: ‘bij gebrek aan een passende herbestemming gaat voor de Nederlandse bisschoppen de voorkeur uit naar afbraak van de kerk’.[3]

De leegloop van de heilige huisjes

Er is dus reden tot zorg over de ‘heilige huisjes’, en daarom staat dit jaar in het teken van het religieus erfgoed. De religieuze instellingen in Nederland, vooral de christelijke kerken, zijn niet meer in staat om de gebouwen te onderhouden – kerken, kapellen, kloosters, processieparken, begraafplaatsen, synagogen enzovoorts – die zij ooit in hun rijke bloeitijd hebben opgericht. Dat komt door de afkalving van de institutionele religie in Nederland, vooral van de kerken. Eenvoudig gezegd: de heilige huisjes hebben steeds minder bewoners en bezoekers.

Dat de kerken, zoals ook de meeste andere traditionele religieuze instituties, in Nederland krimpen, is geen nieuws. We zien het allemaal om ons heen en we worden er in dit Jaar van het Religieus Erfgoed voortdurend aan herinnerd. Die krimp heeft alles te maken met het proces van ontkerkelijking en secularisering dat zich gedurende de laatste halve eeuw in de Nederlandse samenleving heeft voorgedaan. Dat proces is niet exclusief Nederlands, het doet zich in heel de Westerse wereld voor.[4] Maar in sommige landen, zoals Frankrijk, is het al veel eerder begonnen, en in andere landen komt het nu pas op gang, zoals in Ierland en in Polen, die tot voor kort nog als modelkatholieke landen golden. Overal in de Westerse wereld zien we nu volkskerken afbrokkelen en in elkaar storten, in het ene land wat later en wat langzamer dan in het andere. In Nederland heeft het proces zich vrij snel, in enkele decennia, voltrokken, en is het scherp zichtbaar door het grote contrast met de beginsituatie, die er namelijk een was van een verzuilde samenleving, waar de confessionele zuilen en de grote volkskerken een sterke greep op hun gelovigen en een grote invloed in het maatschappelijk leven hadden. Bij de religietelling in 1809 waren er in Nederland bijvoorbeeld op een bevolking van ruim 2 miljoen slechts 295 mensen die niet tot een kerkgenootschap behoorden.[5] Bij de volkstelling van 1879 behoorde nog steeds 99,7 procent van de Nederlanders tot een kerk.[6] Nu is dat nog maar goed veertig procent van de Nederlanders. Ongeveer zestig procent van de Nederlandse bevolking rekent zichzelf niet meer tot een kerk, moskee, synagoge, tempel of andere religieuze institutie. De rooms-katholieke kerk verloor tussen 1990 en 2005, dus in vijftien jaar tijd, zestien procent van haar leden, de protestantse kerken die samen de PKN vormen, verloren in diezelfde tijd maar liefst 43 procent van hun leden, de doopsgezinden zelfs 51 procent. Ook bij groepen die altijd wat aan de rand van het institutionele christendom hebben geopereerd, zien we teruggang: het Leger des Heils bijvoorbeeld verloor negentien procent van zijn leden en de Getuigen van Jehova verloren zes procent.[7] Ook in joodse kring zet de secularisatie zich door, terwijl een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau vier jaar geleden ook al de eerste indicaties van secularisatie in de islamitische gemeenschap vaststelde.[8]

Groei is er alleen bij drie typen christelijke kerkgenootschappen. Dat is om te beginnen bij de migrantenkerken, die natuurlijk eenvoudig groeien door de migratie. Daardoor zijn er her en der in Nederland, vooral in de randstad, bloeiende katholieke parochies en protestantse gemeenten van Ghanezen, Filippino’s, Nigerianen, Puertoricanen en Polen.[9] Vervolgens is er groei bij de zwaardere reformatorische kerkgenootschappen, zeg maar aan de rechterflank van de PKN, zoals de vrijgemaakt gereformeerden, de Nederlands gereformeerden, de gereformeerde gemeenten en de oud-gereformeerde gemeenten. Die groei, die deze kerkgenootschappen in staat stelt imposante ‘refodomes’ als die in Opheusden te bouwen, valt vrijwel geheel aan de grote gezinnen toe te schrijven en dus ook niet echt aan de werving van nieuwe gelovigen.[10] Het is dus een groei zoals ook de rooms-katholieken in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw meemaakten, een groei die ervoor zorgde dat zij bij de volkstelling van 1960 voor het eerst sinds de zeventiende eeuw de protestanten in aantal inhaalden.[11] Een triomf van korte duur, want zij deed zich voor juist aan de vooravond van de massale ontkerkelijking. Het derde type kerkgenootschappen dat wel groei kent door de aanwas van nieuwe leden van buiten die kerken, zijn de Pinkstergemeenten en andere evangelicale gemeenschappen.[12] Zij stichten nieuwe kerken in Nederland. Maar in een recent doctoraalonderzoek aan de Vrije Universiteit van Amsterdam heeft Martijn Vellekoop aan het licht gebracht dat deze nieuwe evangelicale gemeenschappen – hij onderzocht in totaal 281 initiatieven tot gemeentestichting vanaf 1990, waarvan zestig procent vanuit evangelische of pinksterkerken - soms even snel weer verdwijnen als ze worden opgericht.[13] Hun ontstaan is veelal afhankelijk van het optreden van een begeesterde predikant of evangelist, en als de begeestering inzakt of als er ruzie ontstaat – en dat gaat meestal niet over de wedergeboorte of de genadebedeling, maar over geld en seks -, dan stort de gemeente weer in en dooft het vuur van de Heilige Geest weer uit.

De kerken worden in Nederland dus bijna allemaal kleiner, en wel in een rap tempo. Het Sociaal en Cultureel Planbureau verwacht dat rond 2020, en dat is het al snel, nog maar een kwart van de Nederlanders zich tot een religieuze institutie – dus tot de kerk, de moskee, de tempel of de synagoge - zal rekenen, en wat de christelijke kerken alleen betreft zal dat zelfs nog maar een zesde of een zevende van de Nederlandse bevolking zijn.[14]

En van die bij een kerk aangesloten mensen bezoekt nog maar een klein gedeelte op zondag de vieringen van die kerk. Van de Nederlandse rooms-katholieken bezoekt volgens de laatste KASKI-telling die gepubliceerd is, dat is die over 2006, nog maar 7,6% een weekendviering, en in de beide (grotendeels) Brabantse bisdommen ’s-Hertogenbosch en Breda ligt dat getal met 7,1% en 5,2% zelfs beneden het landelijke gemiddelde.[15] De vaak gehoorde gemeenplaats dat in Nederland op zondag nog altijd meer mensen in de kerk dan in het voetbalstadion zitten, gaat binnenkort niet meer op en misschien nu al niet meer, zeker niet als Marco Borsato of Jan Smits in dat voetbalstadion optreedt.

Religieus analfabetisme

Dat de heilige huisjes dus langzaam maar zeker leeglopen, is slechts één deel van het probleem met betrekking tot de toekomst van het religieuze erfgoed. De andere kant is dat ook steeds minder mensen weten waar die heilige huisjes ook alweer voor bedoeld waren. Anders gezegd: de kennis van het verhaal rond de materiële relicten van het religieuze erfgoed neemt steeds verder af. Het religieuze analfabetisme rukt op. Steeds minder mensen zijn vertrouwd met de betekenis, de functie, de achtergrond van het religieuze erfgoed. Zij kunnen het materiële erfgoed minder goed begrijpen omdat zij het immateriële erfgoed waarvan het de uitdrukking is, niet meer kennen. Zij kennen het verhaal rond het religieuze erfgoed niet meer. Anders gezegd: steeds minder mensen kennen de betekenis van religieuze symbolen en handelingen, steeds minder mensen zijn vertrouwd met de grote verhalen en de grote namen uit de religieuze tradities. Steeds minder mensen weten wat er zich afspeelt in een kerk of een synagoge, steeds minder mensen kunnen uitleggen wat zij zien als zij een schilderij, een glas-in-loodraam of een beeld zien. Steeds minder mensen weten welk soort teksten zij kunnen vinden op een Torarol, in een kanselbijbel of in een antiphonarium. Voor velen is het materiële erfgoed van het Westerse christendom even vreemd en exotisch geworden als het erfgoed van de Dajaks van Borneo, de Pygmeeën van Centraal Afrika of de Rapa Nui van Paaseiland.

Een Brabantse historicus vertelde mij dat hij onlangs op de Parade in ’s-Hertogenbosch een jongetje, wijzend naar de Sint-Jan, aan zijn vader hoorde vragen: ‘Pap, wat is dat voor een kasteel?’[16] Ik mag hopen dat het jongetje geen Bosschenaar was, maar uit Rosmalen of Vlijmen kwam; dat maakt het nog enigszins draaglijk. Een andere collega ving onlangs een gesprek op tussen twee studenten. De ene droeg een rozenkrans als halssieraad, blijkbaar zonder te weten waarvoor dit voorwerp ooit gediend had. Haar vriendin wist haar te zeggen: ‘Ja leuk, hè, maar je hebt ze ook nog met een poppetje eraan.’ Weer een andere collega had als hoogleraar middeleeuwse geschiedenis een heel semester college gegeven over de verhouding tussen kerk en staat in de middeleeuwen. Tijdens het laatste college stak een studente de vinger op en vroeg aarzelend: ‘Meneer, die Jezus en die Christus waar u het vaak over gehad hebt, is dat eigenlijk dezelfde?’[17] Ze had het als een diepzinnige theologische vraag bedoeld kunnen hebben, maar ik vrees toch dat dit niet het geval was. Stuart Murray, een Britse theoloog die veel nadenkt en schrijft over de situatie van wat hij ‘post-christendom’ noemt, vertelt de ervaring van een lerares in Londen die het kerstverhaal aan de kinderen vertelde, en toen zij had gezegd dat de pasgeboren baby de naam Jezus kreeg, zei een jongen hevig verbaasd: ‘Why did they give the baby a swear word for his name?’[18] De jongen kende ‘Jesus’ kennelijk alleen als uitroep of vloek, iets wat je zegt als je met je vingers tussen de deur komt.

De christelijke traditie raakt in vergetelheid; zij begint te behoren tot een historisch erfgoed waarvan steeds minder mensen nog actuele kennis dragen. De verhalen, symbolen, namen en gebruiken van het christendom maken niet langer deel uit van de vanzelfsprekende bagage van jonge Europeanen, ook niet van die uit het eens zo overweldigend rooms-katholieke Noord-Brabant. Er is een generatie opgegroeid die zelfs niet meer ‘van huis uit’ iets met het christendom heeft.[19]

Dit is de situatie bij het verdwijnen van de christenheid in West Europa: het christelijke verhaal raakt onbekend, kerken zijn voor velen exotische en wereldvreemde instituties geworden, christelijke instellingen verdwijnen of verliezen hun invloed in de samenleving. De kerken worden in de Nederlandse samenleving en cultuur steeds meer een marginaal verschijnsel. Zij vertegenwoordigen niet langer de meerderheid van de Nederlandse bevolking; ze zijn minderheidsgemeenschappen geworden. Zij staan niet meer in het centrum van het culturele en maatschappelijke gebeuren. Zij zijn niet langer een vanzelfsprekend onderdeel van de belevingswereld van mensen.

De leiders van de grote christelijke kerken in Nederland, de rooms-katholieke kerk en de Protestantse Kerk in Nederland, lijken een oplossing voor hun ledenverlies en hun verlies aan invloed in de samenleving vooral te zoeken in een versterking van hun eigen confessionele profiel. Anders gezegd: beide kerken lijken meer gesloten, naar binnen gekeerd, behoudend, gezagsgetrouw en defensief te worden. De rooms-katholieke bisschoppen bijvoorbeeld lijken het machtsverlies van de kerk in de samenleving te willen compenseren door in eigen kring, dus binnen de kerk, hun macht juist te versterken. Er valt volgens mij onmiskenbaar een tendens tot restauratie van machtsverhoudingen binnen de rooms-katholieke kerk waar te nemen, gepaard gaande met een reclericalisering van het kerkelijke leven en een resacramentalisering van de geloofsbeleving. Er vindt in de rooms-katholieke kerk in Nederland, en niet alleen daar, een ruk naar rechts plaats, die trouwens niet pas van vandaag of gisteren is. Zij is begonnen al vrij snel na het Tweede Vaticaans Concilie en het Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout, vooral met als correctie opgelegde bisschopsbenoemingen, en zij begint nu haar triomfen te vieren, althans op het niveau van de leiding van de Nederlandse kerkprovincie.[20]

Religie als heilig spel

Een aspect van die ruk naar rechts is dat de kerkelijke leiders de heiligheid van hun huisjes versterken, zowel van de heilige huisjes in de zin van de kerkgebouwen (zie het beleid met betrekking tot de herbestemming van kerkgebouwen) als van de heilige huisjes in de zin van ‘gevestigde opvattingen’ (de rechtzinnige leer moet weer verkondigd en verdedigd worden). Intussen wordt de kloof tussen die heilige huisjes en datgene wat in onze cultuur en samenleving op het gebied van religiositeit gaande is, alleen maar groter. Want de keerzijde van het omvervallen van de traditionele heilige huisjes is een herontdekking in Nederland en in ruimere zin in de Westerse wereld van religie als – in de woorden van de Bossche emeritus bisschop Jan Bluyssen en cultuurhistoricus Gerard Rooijakkers – ‘heilig spel’.[21] Door culturele en maatschappelijke ontwikkelingen verandert de omgang met het heilige, met zingeving, met spiritualiteit en religiositeit. Zij wordt speels en dynamisch. Zij laat zich minder gezeggen door kerkelijke leiders, door institutionele structuren en door gevestigde tradities. Zij wordt vrijer, ongebondener.[22] Anders gezegd: het afkalven van de traditionele religieuze instituties maakt de weg vrij voor de herontdekking van religie als heilig spel. Spelen is het tegelijk kunnen hanteren van de regels van meer dan één werkelijkheid, bijvoorbeeld die van een zichtbare en een onzichtbare, van de werkelijkheid van de feiten en die van de verbeeldingskracht, of van de werkelijkheid van het heden samen met die van het verleden en de toekomst. Dat is wat in religiositeit gebeurt. ‘Er is’, aldus de antropoloog André Droogers, ‘in onze tijd, meer dan ooit tevoren, ruimte gekomen om zonder toezicht van bovenaf alternatieven uit te proberen, te proeven, te verkennen – en eventueel weer af te wijzen. Dankzij dit heilig spelen kan God van buiten naar binnen migreren.’[23]

Er is dus het nodige gaande op het vlak van de religiositeit in Nederland, een vlak dat ik opvat als het geheel van opvattingen en handelingen van mensen waarin zij hun eigen bestaan verbinden (re-ligare; daar komt het woord religie vandaan) met iets dat groter is dan zijzelf, iets dat hen en hun eigen bestaan transcendeert. De ontwikkelingen in dit domein lopen niet parallel met die in het kerkelijke domein. Anders gezegd: het krimpen en verdwijnen van de kerken betekent niet automatisch dat ook religie verdwijnt. Mensen gaan niet per se minder geloven door het verdwijnen of marginaal worden van de traditionele kerken, maar zij gaan anders geloven. En terwijl in de kerken restauratie de boventoon voert, is dat in het domein van de religiositeit eerder transformatie. Mensen veranderen en daarmee verandert ook hun verbinding met dat wat hen overstijgt, het geheim van het leven. En door die verandering ontstaat er steeds gemakkelijker kortsluiting tussen de zoekende religiositeit van mensen en de restauratieve zekerheden van de kerken. Gevolg daarvan is dat de krimpende kerken steeds minder een rol spelen in de veranderende religiositeit van mensen, althans steeds minder een exclusieve rol. Zij verliezen hun monopolie in de bemiddeling van zingeving en spiritualiteit. Zij zijn niet langer de enige centra van religieuze expertise, zij zijn niet langer de enige aanbieders op de markt van zingeving en spiritualiteit.

Die markt is er wel degelijk, want er is niet alleen aanbod, maar vooral ook vraag. Veel vraag zelfs. Het krimpen van de kerken doet de religieuze vraag, het religieuze verlangen van de mensen niet automatisch afnemen. Wellicht is het tegendeel zelfs het geval. In elk geval blijkt uit onderzoeken dat ook moderne Europeanen en moderne Nederlanders in hoge mate behoefte hebben aan bezinning en spiritualiteit. Het Europees waardenonderzoek, dat de Universiteit van Tilburg sinds 1981 uitvoert, heeft aan het licht gebracht dat de helft van alle Europeanen minstens één keer per week mediteert of bidt, of althans iets doet wat zij zelf als zodanig benoemen.[24] En uit twee empirische onderzoeken in Nederland blijkt dat ongeveer twee derde van alle Nederlanders ook met enige regelmaat iets doet wat zij zelf bidden noemen.[25] Dat is misschien in de ogen van sommige bewakers van de kerkelijke orthodoxie niet altijd bidden, maar in het zelfbesef van de ondervraagde mensen is het dat wel degelijk. Dat bidden blijkt minder het klassieke formuliergebed te zijn en ook niet het klassieke vraaggebed. Daarentegen zijn twee andere vormen van gebed sterk in opkomst: het meditatieve gebed en het expiratieve of impulsieve gebed, dus het gebed dat min of meer spontaan opkomt bij een emotionerende ervaring.[26] Dat is een vorm van gebed die dicht komt bij het klassieke schietgebed: een gebed dat letterlijk vanuit het gemoed opschiet als ons iets overkomt dat ons raakt, in positieve of negatieve zin, blijdschap of verdriet.

Op die momenten speelt de religieuze vraag, het verlangen naar zingeving het duidelijkste op. Dat duidt op een historische verschuiving in de functie van religie. Was religie eeuwenlang vooral het sociale bindmiddel van samenlevingen, nu functioneert religie veeleer op het persoonlijke vlak, als zingeving van ons contingente bestaan.[27] Dat is de verschuiving die de Engelse onderzoekers Paul Heelas en Linda Woodhead beschreven hebben als de ‘subjective turn’, de subjectieve wending, de wending namelijk van collectief kerkelijk geloof naar individuele spiritualiteit.[28]

Religie is van ons allemaal

Er is dus vraag naar zingeving en spiritualiteit, en op de markt die daardoor ontstaat, zijn er naast de kerken vele andere aanbieders. Sommigen zien ook commercieel heil op die markt, en niet allemaal zijn ze even belangeloos. Elke goeroe heeft zijn giro. Ook hebben ze niet allemaal evenveel diepgang. Sommigen bieden spiritualiteit aan in een aantrekkelijk jasje, in glossy tijdschriften en in modieuze zelfhulpcursussen.[29] Spiritualiteit wordt snel verbonden met ‘je lekker voelen’, ‘goed in je vel zitten’, met wellness en Happinez, met snel effect ook. Een Nederlandse uitgeverij brengt een reeks boekjes, natuurlijk ‘full colour geïllustreerd’, op de markt met de titel Spiritualiteit werkt en met deeltjes als Spiritualiteit werkt in de overgang, Spiritualiteit werkt op rijpere leeftijd en Spiritualiteit werkt bij het afvallen. Ik ken heel wat spirituele mensen die wat het laatste betreft het levende bewijs van het tegendeel zijn. Spiritualiteit is niet iets voor het snelle effect en het goedkope succes. Spiritualiteit vraagt oefening en geduld, vraagt toeleg en duurzaamheid.

Daar kunnen de christelijke kerken van getuigen. Ik denk dat het voor de christelijke kerken, die immers tweeduizend jaar ervaring beheren op religieus en spiritueel gebied, van groot belang is dat zij goed luisteren naar de vraag, ja naar de honger die er is, dat zij het heilige spel van de religiositeit dat zich momenteel in onze cultuur ontwikkelt, goed waarnemen, en dat zij hun heilige huisjes niet afschermen tot bunkers van zekerheden, maar dat zij de voorraadschuren van tweeduizend jaar christelijke traditie wijd open zetten om de religieuze honger te kunnen stillen, niet met ‘fast food’, maar met degelijke kost. De kerken zijn immers geen religieuze McDonalds.

Religie wordt herontdekt als heilig spel. De gebouwen en voorwerpen van het religieuze erfgoed, de heilige huisjes dus, vormen de knikkers van dit spel, en wij zijn allemaal samen de spelers. Religie is niet langer van de kerken alleen, ook niet in Noord-Brabant. Religie is van ons allemaal. Wij zijn allemaal spelers in het veld. Ook de knikkers zijn van ons allemaal. Het religieus erfgoed is niet van de kerken alleen, en we mogen de krimpende kerken ook niet alleen opzadelen met de instandhouding ervan.  Wij moeten er allemaal samen voor zorgen dat óók de knikkers bewaard blijven. En wij moeten de verhalen blijven doorvertellen die ons de regels van het spel aanreiken en doorgeven. We moeten de verhalen vertellen van de mensen die vóór ons het spel gespeeld hebben, het geloofsverhaal van de generaties die aan ons voorafgingen. Wat mij betreft is het Jaar van het Religieus Erfgoed in Noord-Brabant dan ook vooral een jaar waarin we elkaar verhalen vertellen.

---

 

[1] Deze bijdrage is gebaseerd op een reeks inleidingen van de auteur bij gelegenheid van het Jaar van het Religieus Erfgoed, onder meer bij de provinciale openingsmanifestatie ‘Geloven in Brabant’ van het Jaar van het Religieus Erfgoed in het Jhreronimus Bosch Art Center te ’s-Hertogenbosch op 17 maart 2008, bij de opening van de tentoonstelling ‘Heilige Huisjes in Oirschot’ in het Museum de Vier Quartieren te Oirschot op 10 mei 2008 en tijdens de Avond van de Geschiedenis, eveneens in het Jheronimus Bosch Art Center te ’s-Hertogenbosch op 15 oktober 2008.

[2] P.J.A. Nissen, ‘Vergruizing van de katholieke zuil’, in: H.F.J.M. van den Eerenbeemt (red.), Geschiedenis van Noord-Brabant III. Dynamiek en expansie 1945-1996 (Amsterdam/Meppel 1997), 271-285, met name 274.

[3] ‘Het kerkgebouw als getuige van de christelijke traditie. Nederlandse bisschoppenconferentie formuleert uitgangspunten van beleid’, Rkkerk.nl 6 (2008) 540-543, citaat 543.

[4] Loek Halman, Ruud Luijkx and Marga van Zundert, Atlas of European Values (Leiden/Tilburg 2005) 60-73.

[5] Hans Knippenberg, De religieuze kaart van Nederland. Omvang en geografische verspreiding van de godsdienstige gezindten vanaf de Reformatie tot heden (Assen/Maastricht 1992), 227.

[6] Knippenberg, Religieuze kaart van Nederland, 227 en 231.

[7] Jos Becker en Joep de Hart m.m.v. Linda Arnts, Godsdienstige veranderingen in Nederland. Verschuivingen in de binding met de kerken en de christelijke traditie (Den Haag 2006) 30-31.

[8] Karen Phalet en Frea Haker, Moslim in Nederland. Deelstudie b: diversiteit en verandering in religieuze betrokkenheid. Turken en Marokkanen in Nederland 1998-2002 (Den Haag 2004).

[9] Jorge Castillo Guerra, Frans Wijsen en Moniek Steggerda, Een gebedshuis voor alle volken. Kerkopbouw en kadervorming in rooms-katholieke allochtonengemeenschappen (Zoetermeer 2006). In Noord-Brabant betreft het bijvoorbeeld gemeenschappen van Antillianen en Arubanen te ’s-Hertogenbosch, van Spaanssprekenden te Eindhoven en van Surinamers te Tilburg, zie Wijsen en Steggerda, Gebedshuis voor alle volken, 106-108, 123-125 en 134-135.

[10] De benaming ‘refodome’ wordt gebruikt voor het kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland te Opheusden. In maart 2008 verscheen het bericht in de Nederlandse media dat het kerkgebouw wordt uitgebreid met tweehonderd zitplaatsen tot een totaal van 2850 zitplaatsen. Zie ondermeer het dagblad Trouw van 6 maart 2008.

[11] Knippenberg, Religieuze kaart van Nederland, 171-172.

[12] Erik Sengers, ‘Vissers van mensen. Exclusieve organisaties in een cultuur van religieuze vrijheid’, in: Chris Doude van Troostwijk, Evert van den Berg en Leo Oosterveen (red.), Buigzame gelovigen. Essays over religieuze flexibiliteit (Amsterdam 2008)108-118.

[13] Martijn Vellekoop, Nieuwe kerken in een nieuwe context. Onderzoek naar gemeentestichting in Nederland en de rol van contextualisatie (Amsterdam 2008), on line beschikbaar op: http://www.emergingnetwerk.nl/download/nieuwe-kerken-in-een-nieuwe-context.pdf

[14] Becker en De Hart, Godsdienstige veranderingen in Nederland, 53.

[15] Jolanda Massaar-Remmerswaal en Ton Bernts, Kerncijfers 2006 uit de kerkelijke statistiek van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland (Nijmegen 2007), 8, 37 en 39.

[16] Dank aan drs. Patrick Timmermans, projectleider van ‘Geloven in Brabant’.

[17] Deze anekdote is mij ooit verteld door prof.dr. Piet Leupen, emeritus hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Een soortgelijke anekdote, spelend aan de Katholieke Leergangen in Tilburg, vertelt Mathieu Spiertz, Van Aartsbisschop tot Zonnelied. Sleutels tot het katholiek erfgoed (Nijmegen 1998) 5.

[18] Stuart Murray, Post-Christendom. Church and Mission in a Strange New World (Milton Keynes 2004) 1.

[19] James Kennedy, ‘Geloof achter de dijken. Religie in de Nederlandse samenleving en cultuur’, in: G.A.M. Beekelaar en P. van Tongeren (red.), Stadsgezichten. Wandelen door de geschiedenis van christendom en cultuur (Nijmegen 2005), 132-142.

[20] Peter Nissen, ‘Restauratie in de rooms-katholieke kerk. Kerk zij met de ramen open of met de ramen dicht?’, Theologisch Debat 5 (2008) 4-15; idem, ‘Tegenstellingen in de katholieke kerk: voorbij of juist dichterbij?’, Vieren. Tijdschrift voor liturgie en spiritualiteit 2008, nr.1, 4-10.

[21] Jan Bluyssen en Gerard Rooijakkers, God verborgen en nabij. Religie als heilig spel (Amsterdam 2002).

[22] Gerrit Kronjee en Martijn Lampert, ‘Leefstijlen en zingeving’, in: W.B.H.J. van de Donk e.a. (red.), Geloven in het publieke domein. Verkenningen van een dubbele transformatie (Amsterdam 2006) 171-208, met name 176.

[23] André Droogers, ‘Secularisatie. Een vloek voor de kerk, een zegen voor religieuze flexibiliteit’, in: Doude van Troostwijk, Van den Berg en Oosterveen, Buigzame gelovigen, 120-129, citaat 128.

[24] Halman, Luijkx and Van Zundert, Atlas of European Values, 60 en 62.

[25] Sarah Bänziger, Still Praying Strong. An empirical study of the praying practices in a secular society (Enschede 2007) 54, noemt een percentage van 71; Ton Bernts, Gerard Dekker en Joep de Hart, God in Nederland 1996-2006 (Kampen 2007) 47, komen op een percentage van 64 uit (want 36 procent bidt nooit).

[26] Bänziger, Still Praying Strong, passim.

[27] Hermann Lübbe, Religion nach der Aufklärung (München 2004) 127-218.

[28] Paul Heelas and Linda Woodhead, The spiritual revolution. How religion is giving way to spirituality (Oxford 2005).

[29] Voor een beschrijving van de ‘markt’, zie Joep de Hart, ‘Postmoderne spiritualiteit’, in: Bernts, Dekker en de Hart, God in Nederland, 118-192.