Tegenstellingen in de katholieke kerk: voorbij of juist dichterbij?

Verschenen in: Vieren 2008, nummer 1, 4-10.

De katholieke kerkgemeenschap in Nederland heeft decennia van felle polarisatie doorgemaakt. Tegenstellingen op allerlei gebied, ook dat van de liturgie, leidden tot botsingen, tot felle polemieken, tot verdachtmakingen en wederzijdse veroordelingen, tot partijvorming en verdeeldheid, tot op het niveau van de bisschoppenconferentie toe. Uitzonderlijk was de Nederlandse katholieke gemeenschap van de laatste decennia daarmee niet. Spanningen en verdeeldheid in de kerkgemeenschap zijn van alle tijden; dat bepaalt de dynamiek van haar geschiedenis en maakt de bestudering ervan ook tot een bezigheid die nooit gaat vervelen. Na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) ontstond in de rooms-katholieke kerk, zeker in de Westerse wereld maar ook daarbuiten, vrijwel overal verschil van inzicht over de precieze vormgeving van het ‘aggiornamento’, het ‘bij de dag van vandaag brengen’, waartoe paus Johannes XXIII dit concilie had samengeroepen. Maar wat de Nederlandse situatie toch enigszins uitzonderlijk maakte, was de felheid van de verdeeldheid, de verbetenheid waarmee meningsverschillen werden uitgevochten. Katholiek Nederland trok daarmee wereldwijd de aandacht. Dat gold zowel voor de vernieuwingen die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw waren ingezet, als voor de restauratieve reactie daarop vanaf de jaren zeventig.

CRK en Acht Mei

Verschillende keren is in de afgelopen decennia geprobeerd zicht te krijgen op de uiteenlopende richtingen, stromingen en bewegingen en ze vervolgens met elkaar in gesprek te brengen. In 1973 stelden de Nederlandse bisschoppen een Commissie Pluriformiteit in, die in 1975 verslag uitbracht. Tot een gezamenlijk standpunt over dat verslag bleek de bisschoppenconferentie door haar eigen interne verdeeldheid niet in staat. Die verdeeldheid van de bisschoppen leidde vervolgens tot het bijeenroepen door de paus van een Bijzondere Synode van de Nederlandse bisschoppen in 1980. Tijdens die synode besloten de bisschoppen de onderlinge communio binnen hun college te verdiepen en tegelijk contact te houden met kritische groepen van progressieve en conservatieve signatuur. Toen de vernieuwingsgezinde groepen de indruk kregen bij het bezoek van paus Johannes Paulus II aan Nederland in 1985 buitengesloten te worden, organiseerden zij op 8 mei van dat jaar een manifestatie in Den Haag waar zij ‘het andere gezicht van de kerk’ wilden laten zien. Uit die manifestatie kwam de landelijke Acht Mei Beweging voort. Een jaar later werd min of meer als reactie daarop het Contact Rooms-Katholieken opgericht, een beweging waarvan de jaarlijkse bijeenkomsten al snel de ontmoetingsplaats werden van meer behoudende personen en groepen. De bijeenkomsten van laatstgenoemde beweging mochten zich telkens verheugen op de ruime aanwezigheid van bisschoppen, terwijl het bezoek van twee bisschoppen aan een manifestatie van de Acht Mei Beweging in 1995 een opvallende uitzondering was. Dat bezoek was overigens een uitvloeisel van een volgende commissie die door de bisschoppenconferentie werd ingesteld, de Commissie Dialoog. Deze commissie, ingesteld in 1993 om de dialoog binnen de katholieke geloofsgemeenschap ‘in haar volle breedte’ te bevorderen, bracht in 1994 verslag uit. Belangrijkste aanbeveling was dat de bisschoppen zelf het voortouw in de dialoog zouden nemen. Om dat te bevorderen werd een vervolgcommissie ingesteld. Maar de dialoog ‘in de volle breedte’ bleef uit.

De rust van een kerkhof

We zijn nu weer vijftien jaar verder. Het lijkt alsof de tegenstellingen van de laatste decennia van de vorige eeuw niet meer bestaan. Het lijkt rustig geworden te zijn in katholiek Nederland. Maar de schijn bedriegt. In een van de interviews bij zijn afscheid als aartsbisschop van Utrecht zei kardinaal Simonis in het najaar van 2007 dat de rust in katholiek Nederland ook wel eens de rust van een kerkhof zou kunnen zijn. Die rust bestaat misschien op het landelijke vlak. Maar zij is daar niet het gevolg van een verzoening van de tegenstellingen uit de voorbije decennia, maar van een soort gelijkschakeling van de officiële kerkelijke organen, waardoor feitelijk één positie alleenrecht heeft gekregen: de positie van degenen die in de jaren zeventig in zekere zin nog als conservatieve dissidenten golden. Het Contact Rooms-Katholieken mag zich verheugen op de sympathie van alle bisschoppen en heel wat jonge priesters en is een min of meer regulier orgaan in officieel katholiek Nederland geworden. De Acht Mei Beweging daarentegen heeft zichzelf in het najaar van 2003 opgeheven. De Nationale Raad voor Liturgie conformeert zich sinds 2002 volledig aan de Romeinse liturgische voorschriften. Van de academische theologische opleidingen kan alleen de Faculteit Katholieke Theologie te Utrecht sinds 2007 nog op kerkelijke erkenning rekenen. Met het terugtreden van de Bredase bisschop Muskens verdween in het najaar van 2007 de laatste bisschop uit het Nederlandse bisschoppencollege die openlijk vernieuwing durfde te bepleiten in kerkelijke standpunten over controversiële kwesties als condoomgebruik, priestercelibaat en de rol van de vrouw in de kerk.

De bovenkant van de katholieke kerk in Nederland lijkt dus over de tegenstellingen van de voorbije decennia heen te zijn. Zij lijkt eensgezind geworden en spreekt met één mond. Maar die mond zal geen geluiden laten klinken die enige kritiek op officiële kerkelijke standpunten en leeropvattingen bevatten. De bovenkant van katholiek Nederland is braaf geworden. De Romeinse restauratie die in het begin van de jaren zeventig met de omstreden bisschopsbenoemingen in Rotterdam en Roermond werd ingezet, is voltooid. De Nederlandse kerkprovincie loopt weer in het gareel.

De dagelijkse praktijk

Maar heel anders is het beeld aan de onderkant van de katholieke gemeenschap: in de parochies en de lokale geloofsgemeenschappen. De tegenstellingen die in de decennia van de polarisatie op landelijk vlak zichtbaar waren, worden daar nu gevoeld in de dagelijkse praktijk van het kerkelijk leven. Die tegenstellingen zijn dus niet voorbij. Zij hebben zich verplaatst, zij zijn afgedaald. En daarmee komen ze voor veel gelovigen juist dichterbij. Dat is minstens ten dele het gevolg van een generatiewisseling bij de katholieke pastores. De generatie van priesters en pastoraal werkers die zijn gevormd in de geest van het ‘aggiornamento’, het vernieuwingsélan rond het Tweede Vaticaans Concilie, wordt geleidelijk vervangen door een generatie van jonge priesters die zijn opgeleid aan de vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw heropgerichte diocesane seminaries en convicten. Zij maken deel uit van een fenomeen dat internationaal naar de vorige paus bekend staat als dat van de JP-II-priesters. Dat fenomeen is scherpzinnig beschreven door Donald B. Cozzens in zijn boek The Changing Face of the Priesthood (2000). Cozzens schreef zijn boek mede op grond van zijn eigen ervaringen als rector van een seminarie, een functie die hij na de publicatie van zijn boek meteen kwijtraakte. De kerkelijke leiding hoorde namelijk niet graag wat hij te melden had. Over dat fenomeen, breder te typeren als de cultuur van de ontkenning, schreef hij vervolgens in 2002 zijn boek Sacred Silence. Denial and the Crisis in the Church.

Natuurlijk, geen enkele priester is dezelfde, en dat geldt ook voor de jonge generatie. Maar toch valt vast te stellen dat de meeste jonge priesters sterker hechten aan de naleving van de kerkelijke regels en voorschriften dan hun oudere collega’s, dat zij in liturgie en pastoraat minder ruimte gunnen aan niet-gewijde pastorale werkenden, dat zij vaak een afkeer hebben van het zoeken naar nieuwe vormen en woorden in de liturgie en dat zij trouw de van hogerhand vastgestelde liturgische teksten willen gebruiken. Dezelfde trouw aan de kerkelijke regelgeving vertonen zij ook op andere gebieden. Zij zijn vaak strak in de leer en zitten ook strak in het pak, natuurlijk met boordje. Die kleding is voor menigeen ook een soort statement: zij geven ermee te kennen waar zij staan. En stilzwijgend bekritiseren zij hun oudere ambtsgenoten, die volstaan met een kruisje op hun revers. Dat bekritiseren is overigens niet altijd stilzwijgend: af en toe zetten priesters van de JP-II-generatie zich ook openlijk af tegen hun oudere collega’s, die de boel zouden hebben laten versloffen.

Soms blijkt in de praktijk van het pastoraat dat de soep niet zo heet gegeten wordt als zij wordt opgediend. Maar vaak gaat het ook mis. In heel wat Nederlandse parochies heeft de komst van een nieuwe priester geleid tot conflicten. De tegenstellingen waarover mensen tot dan toe alleen in de krant lazen, blijken dan plotseling echt te bestaan. Vrijwilligers haken af omdat ze niet meer mogen doen wat zij onder de vorige pastor wel mochten, koren en dirigenten zoeken een andere kerk op, communicanten en hun ouders wijken uit naar buurtparochies of kloosterkerken, pastoraal werkenden moeten hun plekje bevechten. De woordvoerders van de bisdommen putten zich uit om te benadrukken dat het om ongelukkige uitzonderingen gaat en dat het in 99% van de parochies met priesters van de ‘nieuwe generatie’ wel goed gaat. Maar intussen kent iedereen in zijn of haar omgeving wel een rijtje parochies waar de tegenstellingen hoog zijn opgelopen. De bisdommen Roermond en ’s-Hertogenbosch lijken op dit punt koplopers te zijn. De andere bisdommen volgen, want daar is de restauratie van bovenaf pas later ingezet of door het middenkader voorzichtig gedempt.

Wierook mag weer

Zijn deze tegenstellingen nu nog dezelfde als die in de jaren zestig? Ja en nee. Enerzijds gaat het grotendeels om dezelfde kwesties, maar anderzijds heeft zich ook een verschuiving voor gedaan. Ging het namelijk in de jaren zestig namelijk sterk om een verschil in waardering van de vormen, nu heeft de tegenstelling eerder te maken met de vraag wie er over die vormen beslist. In de jaren zestig was er een sterke behoefte aan nieuwe vormen in de liturgie en in de geloofsverkondiging. Er werd gezocht naar nieuwe woorden, een nieuwe taal, nieuwe symbolen, nieuwe rituelen. Het oude had afgedaan. Het gregoriaans werd daar in veel parochies het eerste slachtoffer van, evenals het gebruik van wierook en kaarsen. De symboliek van de liturgische kleding maakte plaats voor de koltrui en de structuur van het liturgisch jaar werd ingeruild voor thematische cycli die niets meer met de kerkelijke kalender te maken hadden. De interieurs van vele kerken ondergingen een beeldenstorm en de neogotiek van Cuypers en consorten werd in de ban gedaan.

Die waardering voor de vormen van de traditie lijkt inmiddels ingrijpend gewijzigd te zijn. Via de concertzalen en de cd’s is het gregoriaans weer teruggekeerd in de kerken. Wierook mag weer, ook in basisgemeenten en studentenecclesia’s, evenals kaarsen, iconen, beelden en liturgische gewaden. De neogotiek van Cuypers blijkt aan een ingrijpende herwaardering onderhevig, met boeken, tentoonstellingen en een compleet Cuypersjaar, inclusief een musical over ‘Gods bouwmeester’. In de Dominicuskerk in Amsterdam bewijst een basisgemeenschap dat het goed mogelijk is in een neogotisch interieur een eigentijdse liturgie te vieren.

Ongetwijfeld heeft dit alles te maken met een nieuwe waardering voor traditie, die zich in de Nederlandse samenleving ook buiten het kerkelijk erf doet gelden. Erfgoed is een belangrijke notie geworden. Erfgoed schept identiteit: het maakt duidelijk waar wij in cultureel opzicht vandaan komen. Er blijkt een groeiende behoefte daar inzicht in te hebben. Mensen vragen om een canon van de geschiedenis: de hoogtepunten in de geschiedenis van Nederland, de geschiedenis van de letterkunde, de geschiedenis van de wetenschappen, de geschiedenis van de muziek. Die hoogtepunten zijn tegelijk ijkpunten voor waar wij zelf staan en voor wie wij willen zijn. Die behoefte aan ijkpunten kan te maken hebben met onzekerheid en met angst. In tijden van grote maatschappelijke en culturele veranderingen kan het verlangen naar een beschermend verleden toenemen. Het verlangen naar vroeger is niet zelden uitdrukking van een onvermogen om in het heden te leven. Ook zoeken mensen in het verleden soms vermeende zekerheden die zij in hun eigen tijd niet vinden. Nostalgie is niet zelden de keerzijde van het besef dat er iets mis is met de actualiteit. Herwaardering van traditie, van erfgoed, van een canon kan dan een defensief karakter krijgen. Het verleden moet dan de problemen van het heden komen oplossen. Maar dat hoeft niet. De Commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon, naar haar voorzitter meestal de Commissie van Oostrom genoemd, zegt in haar rapport over de canon van Nederland uit oktober 2006: ‘Ons gaat het vooral om de waarde van de canon in zichzelf, niet als de vermeende oplossing van een speciaal probleem, maar als de goudgerande basiskennis omtrent de cultuurgeschiedenis van Nederland die voor het verdere leven dusdanig zinvol en welkom is dat het aanbrengen ervan op school in feite geen bijzondere rechtvaardiging behoeft.’

Wie beslist?

De tegenstellingen hebben dus niet zozeer te maken met een houding tegenover wat traditioneel en wat modern is in de wereld van de vormen. Anders gezegd: iemand is – wellicht anders dan in de jaren zestig – niet meer ‘conservatief’ omdat hij van gregoriaans houdt en een kaarsje brandt bij een Mariabeeld. Die vormen zijn voor de meeste mensen losgemaakt van de ideologische stelsels waar zij in de jaren zestig nog mee verbonden waren. De vormen zijn nu ook los verkrijgbaar. Kiezen voor klassieke elementen uit de liturgische traditie betekent niet zonder meer ook kiezen voor de integrale liturgie van vóór het Tweede Vaticaans Concilie en al helemaal niet kiezen voor het wereld-, mens- en kerkbeeld waarvan die liturgie de uitdrukking was. Nee, het is kiezen voor ‘goudgerande’ bouwstenen uit het erfgoed die ook vandaag zinvol en welkom zijn als zij geïntegreerd kunnen worden in ons eigentijdse waarnemen en ervaren van de werkelijkheid. Zij helpen ons het leven aan te kunnen.

De tegenstellingen hebben dus niet zozeer te maken met de vraag of mensen vormen of elementen als traditioneel of modern beschouwen. De tegenstellingen hebben eerder te maken met de vraag wie, op welke wijze en vanuit welk wereldbeeld kan of mag bepalen hoe wij ons leven en handelen, en dus ook ons geloofsleven en ons liturgisch handelen, vormgeven. Daar spitsen zich ook de tegenstellingen op toe die momenteel in veel katholieke parochies in Nederland ervaren worden. En dat waren volgens mij ook al de tegenstellingen die in de tweede helft van de vorige eeuw de achtergrond vormden van de strijd over de vormen in de wereld van kerk, liturgie, pastoraat en catechese.

Filiaalchef van een multinational

Om te beginnen draaien de tegenstellingen over de richting waarin besluitvorming tot stand komt en gezag wordt uitgeoefend. Bepalen de richtlijnen van de Congregatie voor de Eredienst te Rome en de Nationale Raad voor Liturgie, en zij alléén, hoe een parochie of andere geloofsgemeenschap liturgie viert? Of wortelen de vormen van liturgievieren in de vierende gemeenschap zelf? Gebruikt een parochie een bepaald tafelgebed omdat het officieel goedgekeurd is of omdat dat tafelgebed het geloof van de gemeenschap adequaat uitdrukt? Anders gezegd: worden de regels ‘top down’ opgelegd of groeien zij ‘bottom up’? De tegenstelling tussen een ‘top down’- en een ‘bottom up’-benadering bepaalt momenteel een groot deel van de spanningen in de katholieke geloofsgemeenschap. Het merendeel van de Nederlandse bisschoppen, misschien na het afscheid van bisschop Muskens wel alle bisschoppen, lijken zichzelf vooral te zien als filiaalchef van een multinational, die erop moet toezien dat de regels en instructies van de centrale in het filiaal worden nageleefd. Bij de nieuwe generatie van priesters lijkt die houding op een lager niveau gekopieerd te worden. ‘Culturele reproductie’ noemt de Franse cultuursocioloog Pierre Bourdieu dat. De priesteropleiding staat voor een belangrijk deel in dienst van die ‘culturele reproductie’. Parochianen worden ermee geconfronteerd doordat de priesters van de nieuwe generatie weer als klassieke pastoors op hun strepen gaan staan en zij de vrijheid en liturgische creativiteit van werkgroepen en koren aan banden leggen.

Is de wereld slecht?

Een tweede punt waarop de tegenstellingen betrekking hebben, is de houding tegenover de eigentijdse wereld. Aan de ene kant is er een kerkelijke positie die de omringende wereld en haar cultuur in beginsel als vijandig ziet. Daarop wordt op verschillende manieren gereageerd. Sommigen zoeken uit afkeer van de moderne tijd het zelfgekozen isolement van de kerk. De wereld is slecht, de kerk ‘van alle eeuwen’ daarentegen biedt veiligheid, waarheid en zekerheid. Die kerk, een soort heilige rest, vermijdt bewust iedere assimilatie aan de moderne cultuur, want dat zou verraad zijn. De kerk wordt verstaan als een tegencultuur, als een veilige vluchtheuvel, maar op den duur kan zij niet anders dan sektarisch worden. Een andere reactie is meer missionair. Zij ziet de eigentijdse wereld ook primair als slecht, maar geeft haar niet op. Zij is van mening dat die wereld niet gemeden, maar juist veroverd en bekeerd moet worden. Zij zal zich herkennen in het programma dat paus Pius X in 1903 in zijn eerste encycliek formuleerde: ‘instaurare omnia in Christo’.

Aan de andere kant staan degenen die de eigentijdse wereld niet principieel als slecht beoordelen, maar haar aanvaarden als de ruimte waarin sporen van God gevonden kunnen worden en waarin God ter sprake gebracht moet worden, juist ook in de taal en de tekens van die wereld. Dat vraagt er om dat kerk en liturgie ten diepste niet wereldvreemd zijn, maar juist geworteld zijn in de eigentijdse cultuur en niet in een wereldvijandige tegencultuur. Die eigentijdse wereld en haar cultuur zijn niet volmaakt, zij vragen erom verder gehumaniseerd te worden. Maar die wereld is niet onze vijand; zij is onze wereld, en er is geen andere.

Monopolie op de waarheid

Een derde punt waarop de spanningen in katholiek Nederland samenkomen, en dat eigenlijk ook al bijna een halve eeuw, is de tegenstelling tussen uniformiteit en pluriformiteit. Deze tegenstelling heeft niet alleen betrekking op de vormen. Daar is, bij voorbeeld in de liturgie, officieel wel een zekere pluriformiteit mogelijk, maar dan wel binnen de grenzen die het kerkelijk gezag stelt. Wie vraagt om ruimte voor variëteit in tafelgebeden, krijgt dan te horen: maar er zijn toch inmiddels al ruim twintig door Rome goedgekeurde eucharistische gebeden. De grenzen van de pluriformiteit worden van hogerhand bepaald – zie de eerste lijn van tegenstellingen – en niet door het zelfregulerend vermogen van de brede kerkgemeenschap. Dat wreekt zich op het terrein van de liturgie, maar nog meer op dat van de verwoording van het geloof. Daar staan twee opvattingen tegenover elkaar. De ene ziet de kerk als de hoedster van de ene waarheid, toevertrouwd aan het hiërarchische leergezag, en de andere ziet de kerk als een gemeenschap van mensen die samen op zoek zijn naar sporen van de waarheid. Van alle tegenstellingen zal deze laatste nog wel het moeilijkste te overwinnen zijn. Want wie in de waan leeft het monopolie op de waarheid te bezitten, zal moeilijk bereid gevonden kunnen worden om een nieuwe bril op te zetten en eens anders naar de werkelijkheid te kijken.