Pater Damiaan: heilig, ondanks zichzelf

Op 11 oktober 2009 is pater Damiaan de Veuster (1840-1889), een Vlaamse missionaris die tot het uiterste het lot van de melaatsen deelde, heilig verklaard. Op verzoek van Roodkoper. Tijdschrift voor cultuur, religie en politiek las Peter Nissen twee recente boeken over Damiaan. In zijn bespreking gaat hij ook in op de vraag waarom de heiligverklaring van Damiaan zo lang op zich liet wachten.

Op 11 oktober 2009 wordt de Vlaming Jozef de Veuster, beter bekend als pater Damiaan, door paus Benedictus XVI heilig verklaard. Jozef (‘Jef’) werd op 3 januari 1840 geboren in een gehucht tussen Tremelo en Werchter, zo’n tien kilometer van Leuven. Hij overleed op 15 april 1889 op Molokai, een van de kleinere Hawaï-eilanden. Van de goed 49 jaren die zijn leven telde, heeft hij de helft doorgebracht in het gebied van de Stille Oceaan, waar hij in de winter van 1863-1864 per schip heen reisde. De boottocht van Bremerhaven naar Honolulu, die pater Damiaan met zes medebroeders en tien vrouwelijke religieuzen maakte, duurde meer dan vijf maanden. Zij was niet zonder gevaar: twintig jaar eerder was bij Kaap Hoorn, het zuidelijkste punt van Zuid-Amerika, nog een schip met aan boord vierentwintig confraters van Damiaan vergaan, zonder overlevenden.

Pater Damiaan zou bij leven nooit meer in Vlaanderen terugkeren. Hij bleef onder de melaatsen aan wie hij zich had toegewijd en hij deelde hun lot tot het uiterste toe: ook hij overleed uiteindelijk aan dezelfde ziekte. Toch kwam hij terug naar zijn geboorteland: als het postume beeld van een held, een heilige. Ook fysiek keerde hij terug: in 1936 werd zijn lichaam opgegraven en per schip naar Antwerpen vervoerd om vervolgens in Leuven in de crypte van de kerk van zijn congregatie, de Sint-Antoniuskerk, te worden opgebaard. De bevolking van Molokai had het nakijken: hun ‘Kamiano’, zoals pater Damiaan door de melaatsen werd genoemd, werd hun alsnog ontnomen. Damiaan zelf had dit nooit gewild. Hij had al lang voor zijn dood naast zijn Philomenakerk op Molokai een plekje uitgezocht waar hij begraven wilde worden, om daar altijd temidden van zijn mensen te blijven. Het werd hem niet gegund. Pas in 1995 werd een deel van pater Damiaan - zijn rechterhand - als relikwie naar Molokai teruggebracht en daar herbegraven.

De ontvangst van het lichaam van Damiaan in 1936 werd een ware triomftocht, ‘een massamanifestatie die wellicht zijn (bedoeld is: haar, PN) gelijke in de Belgische geschiedenis niet kent’, schrijft Jan de Volder, historicus en redacteur van het katholieke weekblad Tertio, aan het slot van zijn informatieve boek De geest van Damiaan. Voorzichtig stipt hij aan dat het voorbeeld van Damiaan de rooms-katholieke kerk toen goed uitkwam en dat zijn postume triomftocht ook een politiek doel diende: tegenover andere, politiek geladen idealen van heldhaftigheid liet het voorbeeld van Damiaan zien wat de kerk ‘onder ware, christelijke heldhaftigheid verstond’. Twee jaar later, in 1938, werd dan ook het proces gestart voor zijn zaligverklaring. De uitslag daarvan liet lang op zich wachten en Jan de Volder vraagt zich af of het wel ooit goed zou zijn gekomen als Moeder Teresa van Calcutta er niet in 1984 bij de paus op had aangedrongen om pater Damiaan als patroon van de melaatsen heilig te verklaren. Moeder Teresa kon een potje breken bij de vorige paus: zij werd in 2003 zelf door hem zalig verklaard, pas zes jaar na haar dood, een ongekend record in de kerkgeschiedenis, en als het hem niet door kardinalen ontraden was (‘dit is nog nooit eerder gebeurd, dus…’), had hij haar meteen heilig verklaard. Op 10 mei 1994 zou dan toch de zaligverklaring van Damiaan gaan plaatsvinden. Maar die moest uitgesteld worden omdat de paus in zijn badkamer was uitgegleden en zijn heup had gebroken. De plechtige afkondiging van Damiaans zalige staat werd verzet naar 4 juni 1995. En de heiligverklaring mag nu, in 2009, door Wojtyla’s opvolger als paus worden uitgesproken.

Tussen de zalig- en de heiligverklaring bestaat slechts een gradueel verschil: een zalige wordt alleen in een bepaalde streek of binnen een bepaalde kloosterorde of –congregatie vereerd, terwijl een heilige alom verering geniet. Aan een heiligverklaring gaat altijd een zaligverklaring vooraf (al had paus Johannes Paulus II die stap bij Moeder Teresa dus eigenlijk willen overslaan). Om dan vervolgens van zalige tot heilige te kunnen promoveren is het nodig dat de verering voor de kandidaat-heilige aantoonbaar wijd verbreid is. Bovendien moet er een wonder gemeld worden (meestal een onverklaarbare genezing) dat op voorspraak van de kandidaat-heilige heeft plaatsgevonden en wel pas na de datum van de zaligverklaring. In Nederland wacht Titus Brandsma sinds zijn zaligverklaring in 1985 nog steeds op deze promotie. Damiaan hoefde slechts veertien jaar te wachten tot hij in de hemelse eredivisie mocht plaatsnemen.

De duur van deze zalig- en heiligverklaringsprocessen is afhankelijk van allerlei factoren. Zo kunnen de hoeveelheid bronnen en de aard van de informatie die over een kandidaat beschikbaar is, de lengte van een proces in belangrijke mate beïnvloeden. Wie graag snel zalig wil worden, kan het beste maar zo min mogelijk schrijven, want elk geschreven woord van de kandidaat wordt gewikt en gewogen; er zou eens een onvertogen woord tegen het geloof en de zeden in kunnen staan. Maar in de duur van de processen speelt ook zeker de factor mee die aan zalig- en heiligverklaringen als zodanig ten grondslag ligt: de kerkelijke politiek, of preciezer gezegd ‘the politics of sainthood’, zoals beschreven door Kenneth L. Woodward in zijn boek Making Saints. In die politiek van heiligheid maakt het veel uit of een kandidaat-zalige in het Vaticaan machtige pleitbezorgers heeft. Bij Moeder Teresa (zes jaar na haar dood zalig verklaard) was de paus zelf die pleitbezorger en bij Josemaría Escrivá de Balaguer y Albas (bijna zeventien jaar na zijn dood zalig en tien jaar later heilig verklaard) was dat de door hem gestichte reactionaire katholieke beweging Opus Dei. De in 1980 door doodseskaders - tijdens het opdragen van de mis - vermoorde Dom Óscar Romero, aartsbisschop van San Salvador, wacht nog steeds op die eer. Zijn huidige opvolger als bisschop van San Salvador is lid van Opus Dei; niemand verwacht dat die zich sterk zal maken voor de zaligverklaring van zijn voorganger. Overigens kent de liturgische kalender van de Anglicaanse Kerk wel al een gedenkdag voor Romero.

Damiaan werd meer dan een eeuw na zijn dood pas zalig verklaard, na een proces dat pas een halve eeuw na zijn overlijden van start ging en vervolgens nog eens een halve eeuw duurde. Hij had dan ook geen machtige pleitbezorgers. Jan de Volders suggestie zou wel eens terecht kunnen zijn: zonder het pleidooi van Moeder Teresa was het er misschien nooit van gekomen.

Toch werd al bij het overlijden van Damiaan door The Times gepleit voor zijn spoedige zaligverklaring. Maar de eigen congregatie van Damiaan, de Paters van de Heilige Harten, naar hun moederklooster in de Rue Picpus te Parijs ook wel picpussen genoemd, zag dat niet zitten. ‘Van veraf kon hij misschien wel heilig lijken, maar wij die hem van dichtbij kenden weten wel beter’, zo vat Jan de Volder hun bezwaren samen. Wat was er dan mis? Pater Damiaan was een eigenzinnig, soms ook koppig man, geen brave en onderdanige broeder. En eigenzinnigheid was in het negentiende-eeuwse kloosterleven – en in algemene zin in het katholicisme van die eeuw -, waarin gehoorzaamheid als de hoogste deugd gold en waarin de oversten de stem van God vertolkten, niet gewenst. Damiaan schikte zich niet gemakkelijk, hij trok zijn eigen plan en koos partij voor zijn mensen in de melaatsenkolonie van Molokai. Dat bracht hem regelmatig in aanvaring met de oversten van zijn congregatie en met de bisschop van Honolulu, die trouwens ook lid van dezelfde congregatie was. Zij werden vooral prikkelbaar toen bleek dat pater Damiaan, na enkele publicaties in Engeland en de Verenigde Staten over zijn werk, steeds meer steun kreeg uit anglicaanse en protestantse kring. Kerkelijke belangen gingen bij zijn oversten prevaleren boven de belangen van de melaatsen, terwijl voor Damiaan alleen telde wat zijn mensen ten goede kwam.

Deze spanning, door Jan de Volder in zijn boek eerder aangeduid dan uitgediept, komt sterk naar voren uit het boek van Hilde Eynikel: Hotel Molokai. Deze historica, te Leuven gepromoveerd op een biografische studie over Damiaan, heeft zelf enige tijd op het eiland Molokai doorgebracht. Terwijl Jan de Volder het leven van pater Damiaan keurig vanaf zijn geboorte verhaalt, begint Hilde Eynikel haar boek in februari 1868, als Damiaan na vier jaar Hawaï naar de melaatsenkolonie van Molokai vertrekt. Steunend op een groot aantal archiefbronnen, waaronder natuurlijk de 212 brieven die Damiaan zelf heeft nagelaten, maar ook veel brieven van anderen, rapporten en dagboeken, beschrijft zij gedetailleerd hoe Damiaan van de kolonie een echt ‘thuis’ voor de melaatsen probeerde te maken. Haar relaas, geschreven in de tegenwoordige tijd, wekt bij vlagen de indruk een ooggetuigenverslag te zijn.

Wat het boek van Hilde Eynikel scherp laat zien, zijn de tegenslagen en tegenwerkingen hij Damiaan ondervond. Die tegenwerking kwam ondermeer van zijn confrater Herman Köckemann, vanaf 1882 apostolisch vicaris (zeg maar missiebisschop) van Honolulu. Ook al vóór hij die functie kreeg, was Köckemann een invloedrijk man in de katholieke missie van de Hawaï-eilanden. Maar de bisschop van dat moment, mgr. Louis Maigret, hield Damiaan de hand nog boven het hoofd. Köckemann daarentegen vond Damiaan maar lastig en ongehoorzaam. Hilde Eynikel noemt de bisschop bij herhaling een ‘kamergeleerde’. Hij was in elk geval als de dood voor besmetting en kwam daarom niet graag in de kolonie van Damiaan op bezoek. Bij de firma Goodyear in San Francisco bestelde hij zes paar rubberen handschoenen, om zichzelf tegen besmetting te beschermen. En de tegenwerking van Köckemann ging na Damiaans dood door, al eindigt het boek van Hilde Eynikel daar: het was diezelfde bisschop die na Damiaans overlijden weigerde om een proces van zaligverklaring in te leiden. Hij had tijdens zijn leven al te veel last van de pater gehad.

Ook aanvaringen met de confraters die op Molokai met hem moesten samenwerken, bleven Damiaan niet bespaard. Zo kwam hem in 1874 de lange Hagenees André Burgerman vergezellen. Burgerman gold als genezer (volgens Eynikel had hij ook enkele jaren geneeskunde gestudeerd) en was elf jaar ouder dan Damiaan, dus hij voelde zich al snel diens meerdere. Samen met Köckemann en de regionale overste van de picpussen, Léonor Fouesnel, wilde Burgerman Damiaan een lesje in nederigheid leren. Maar zij moesten ervaren dat Damiaan zich niet snel liet kleineren. Burgerman vertrok in 1880. In 1881 kreeg Damiaan een nieuwe metgezel in de persoon van de vijftien jaar oudere Fransman Albert Montiton, een heethoofd én warhoofd. Al meteen bij aankomst wilde hij van Damiaan weten of het verhaal klopte dat deze er een vrouw en een kind op na hield. Lepra werd door velen in die tijd als een vorm van syfilis gezien en werd al snel in verband gebracht met seksuele losbandigheid. De verdenking van seksuele relaties bleef Damiaan achtervolgen. In juli 1885, een jaar nadat bij hem lepra was vastgesteld, werd hij in opdracht van bisschop Köckemann door de Duitse arts Arning op geslachtsziekten onderzocht. Damiaan en de arts vonden het beiden gênant, maar het moest van de bisschop. Hilde Eynikel beschrijft het onderzoek alsof ze er zelf bij stond. Dokter Arning was blij dat het resultaat negatief was; hij wilde niets liever dan de mythe over de relatie tussen lepra en syfilis de wereld uithelpen.

In de samenwerking tussen Damiaan en Albert volgde opnieuw irritatie op irritatie, tot de Fransman in 1885 vertrok naar Tahiti. Een confrater kreeg Damiaan daarna niet meer. Lepra werd zijn huisgenoot. Gelukkig kwamen er opnieuw helpers en bezoekers, maar geen confraters. De eenzaamheid werd kwellend. In de zomer van 1886 mocht Damiaan de kolonie voor het laatst verlaten. Hij bleef zes dagen in Honolulu, ondermeer om bij zijn bisschop te biechten. Het werd zijn laatste bezoek aan de buitenwereld.

Wat waren nu eigenlijk de wonderen die pater Damiaan heilig gemaakt hebben? De genezing van een Franse picpuszuster in 1895 zorgde voor zijn zaligverklaring en die van een bejaarde Hawaïaanse vrouw in 1998 voor de heiligverklaring. Maar het grootste wonder van Damiaan lijkt me toch zijn liefdevolle en tomeloze toewijding aan mensen die verminkt en uitgestoten waren. En het op één na grootste wonder: hij wist Vlamingen en Walen in 2005 te verenigen bij de verkiezing van de Grootste Belg Aller Tijden. Bij de Vlamingen kreeg hij de eerste plaats, bij de Walen de derde (na Jacques Brel en koning Boudewijn, niet na Eddy Merckx, zoals De Volder schrijft). Maar bij een gewogen gemiddelde van beide verkiezingen bleek eensgezindheid: Jozef de Veuster, vriend van de melaatsen, een Vlaamse jongen die bijna heel zijn leven in het Frans bleef corresponderen en die, in datzelfde Frans, vanuit de kostschool aan zijn ouders schreef: ‘alle Walen die me uitlachen, sla ik met een lat’, die Jef dus, was de grootste Belg aller tijden. Een eigenzinnige driftkop, heilig ondanks zichzelf.

 

Peter Nissen

De besproken boeken zijn:  Hilde Eynikel, Hotel Molokai. Hoe Damiaan een thuis gaf aan de melaatsen, Lannoo, Tielt 2009 - € 19,95, en Jan de Volder, De geest van Damiaan. Een heilige voor onze tijd, Lannoo, Tielt 2009 - € 14,95