Geen bisschop meer
 

´Nu heb ik geen bisschop meer.´ Deze verzuchting hoorde ik een priester van het bisdom ´s-Hertogenbosch, al enkele jaren met emeritaat, maar nog her en der dienstbaar, slaken na het overlijden van oud-bisschop Jan Bluyssen. Hij voelde zich verweesd, deze priester. Hij had de twee opvolgers van bisschop Bluyssen nooit als ‘zijn’ bisschop ervaren. Het deed mij denken aan een ervaring die ik eens, jaren geleden, bij een plechtigheid in de Bossche Sint-Jan had. Terwijl de opvolger van Bluyssen met zijn entourage al lang en breed op het priesterkoor stond, ontdekten twee dames dat ook oud-bisschop Bluyssen in de koorbanken zat. ‘Onze bisschop is er ook’, zei de ene dame tegen de andere. Ze klonk gerustgesteld. Hun bisschop was er ook, nu was het goed, de viering kon beginnen.

 

Uit deze uitspraken klinkt de tragiek op van de recente kerkgeschiedenis. Bisschoppen zijn niet langer herders die tussen hun kudde staan, met bijzondere zorg voor het schaap dat de weg kwijt is. Zij zijn gezagsdragers, leiders, van hogerhand aangesteld om leiding te geven aan hun ondergeschikten. Zij staan niet te midden van de gelovigen, maar boven hen. Zij voelen zich niet langer geroepen om te verwoorden wat er leeft in de harten van hun gelovigen, maar om hen de ware leer voor te houden, de juiste regels, en om hen te corrigeren als zij zich daar niet aan houden.

Bisschop Jan Bluyssen heeft, nadat hij moest terugtreden, dertig jaar lang deze tragiek moeten aanschouwen. Hij heeft zich er, wijselijk, in het openbaar nooit over uitgelaten, behalve een keer een onvoorzichtige opmerking over jonge, rechtlijnige priesters die zonder veel ervaring en zonder veel pastoraal gevoel op een parochie werden losgelaten en daar meteen voor hele reeksen van conflicten zorgden: ‘brokkenpiloten’ noemde hij hen.

Maar zijn vrienden – en ik mocht mij daartoe rekenen – wisten dat hij eronder leed dat alles waar hij als bisschop voor had gestaan onder zijn opvolgers werd afgebroken: een open kerk, waarin respect voor elkaar, pluriformiteit, verdraagzaamheid en de bereidheid om naar elkaar te luisteren voorop stonden, en niet de regels. ‘De vele wegen en de ene weg’, zo luidde een geliefd beeld van bisschop Bluyssen. Het deed hem ook pijn dat hij en zijn medebisschoppen uit de jaren zestig van een nieuwe generatie behoudende katholieke opiniemakers de schuld kregen van het ‘verval’ van de rooms-katholieke kerk in Nederland. Alsof de leegloop van de kerk de schuld was van het beleid van de bisschoppen van die tijd.   

Tegelijk was Jan Bluyssen in de dertig jaar van zijn emeritaat steeds minder met dit soort vragen bezig. Hij keerde terug naar de wezenlijke vragen waar hij zich ook in verdiepte in zijn jonge jaren, toen hij spiritualiteit studeerde in Rome. De vraag naar de wonderlijke zoektocht van de mens naar zin en betekenis, de worsteling met het geheim van God, de mystieke ervaring ook van opgenomen te worden in dat geheim. Heel uitgesproken komt dat tot uitdrukking in zijn laatste en meest diepzinnige boek: De donkere stilte van God. Wie het geheim van God binnengaat, ziet niets en hoort niets: er is donkere stilte. Maar in die donkere stilte kan er een overweldigende ervaring zijn van gedragen worden, van bemind te worden, van er te mogen zijn: in de schoot van God.

Daar is Jan Bluyssen nu. Hij heeft geen bisschop meer nodig. En wij? Sommigen zullen hem missen, ik ook. Maar ook voor mij geldt: voor de donkere stilte van God heb ik geen bisschop meer nodig. Het hoeft niet meer. Ik kan nu zonder.