In de armen van Bernini

Column Vrijburgzondag (Remonstrantse kerk Amsterdam) 17 november 2013 

Het is iedere keer weer een bijzondere ervaring om, komend vanaf de Via della Conziliazione, op het Sint-Pietersplein aan te komen en de majestueuze Sint-Pieter voor je te zien verschijnen. Ik had die ervaring ruim achtendertig jaar geleden voor het eerst, toen ik als middelbare scholier twee weken in Rome was in het gezelschap van een Nederlandse priester die aan de Pontificia Universitas Gregoriana zijn proefschrift aan het afronden was. Ik ben daarna nog vele malen in Rome geweest, ik schat zeker vijftien keer: alleen, met mijn vrouw en kinderen, met groepen Nijmeegse en Tilburgse studenten, met een oecumenische gesprekskring, voor congressen en voor overleg over de internationale dialoog tussen rooms-katholieken en doopsgezinden, waar ik tussen 1998 en 2005 bij betrokken was. En telkens was er weer die overweldigende ervaring van het naderen van de Sint-Pieter.

Die ervaring moet voor bezoekers vóór 1937 nog veel verrassender zijn geweest. Toen immers pas is, als uitvloeisel van het Lateraanse Verdrag tussen Mussolini en de Heilige Stoel uit 1929, begonnen met de aanleg van die brede Via delle Conziliazione, die in 1950 helemaal voltooid was en een uitdrukking moest zijn van de verzoening tussen het Vaticaan en het seculiere Italië. Voor die tijd naderden pelgrims de Sint-Pieter door een wirwar van smalle straatjes, en plotseling stonden ze dan aan de rand van het ruime plein dat aan de andere zijde door de imposante basiliek werd afgesloten.

Iedereen kent het beeld van het Sint-Pietersplein, tussen 1656 en 1667 ontworpen door de architect Bernini en omsloten door de beroemde colonnade met 284 zuilen en 140 heiligenbeelden. Ook als u nog nooit in Rome bent geweest, zult u het kennen van de televisiebeelden op Pasen en Kerstmis of uit de filmbeelden van Dan Brown’s Angels and Demons, in het Nederlands naar de architect het Bernini-mysterie genoemd. De twee zuilenrijen van de colonnade van Bernini worden wel de moederlijke armen van de kerk genoemd. Ze nodigen je als het ware gastvrij en warm uit om de Sint-Pieter binnen te gaan, ja ze trekken je bijna naar binnen: wees welkom! Maar ze drukken ook de drang van de kerk uit om mensen in haar greep te krijgen, ze te beheersen, ze vast te houden. De warme, moederlijke omhelzing van de armen van Bernini kan ook een beklemmende, verstikkende wurggreep zijn.

De armen van Bernini staan voor mij symbool voor de dubbelzinnige ervaring die elk bezoek aan Rome mij oplevert. Van de ene kant is het een wervelende stad, veel meer dan alleen het bolwerk van de rooms-katholieke kerk. Maar ook áls dat bolwerk heeft de stad iets wervelends, iets feestelijks. Wat je in Rome meer dan op welke andere plek ook, zelfs Taizé of Genève, kunt ervaren is dat de kerk echt wereldkerk is: internationaal en veelkleurig. Je ziet er priesters en kloosterzusters in vele huidskleuren rondlopen: zwart, bruin, geel. De kerk van alle continenten is daar aanwezig. Voor remonstranten, meer algemeen voor vrijzinnigen en nog algemener voor liberale protestanten is dat een ongewoon beeld, want zij verkeren meestal in een gezelschap dat bijna helemaal wit is en meestal upper middle class of nog hoger. Het ongewone beeld mag ook een uitdaging zijn om over de eigen beperktheid na te denken. Hoe kunnen wij als vrijzinnigen over onze eigen West-Europese grenzen heen kijken? Ik zou de remedie niet direct weten, maar een reisje naar Rome kan al helpen.

Met die fysieke veelkleurigheid gaat in Rome ook een mentale veelkleurigheid gepaard: allerlei accenten in geloofsbeleving en geloofsvisie die binnen de katholieke wereldgemeenschap bestaan, zijn ook in Rome aanwezig. Maar die vallen wel veel minder op. Ik ken verschillende theologen aan Romeinse instellingen, enkele medewerkers ook binnen de curie, vooral bij de Pauselijke Raad voor de Eenheid van de Christenen en de Pauselijke Raad voor de Interreligieuze Dialoog, die ruimere theologische opvattingen hebben dan velen van Romeinse theologen zullen verwachten. Ik ken vooral veel leden van religieuze orden en congregaties, die, gebruik makend van de zekere autonomie die zij als kloosterlingen ten opzichte van de kerkelijke hiërarchie hebben, voorstanders zijn van een pluriforme katholieke kerk en van voortgaande vernieuwing van de kerk.

Maar zoals gezegd: ze vallen minder op. Waarom? Omdat ze zich niet zo gemakkelijk uiten. Iedereen die in Rome iets met de rooms-katholieke kerk te maken heeft, past op zijn woorden, bewaakt zijn tong en zijn pen. In een gesprek zal een Romeinse theoloog wel durven laten merken dat hij zich thuis voelt bij de opvattingen van vakgenoten als Edward Schillebeeckx of Hans Küng. Maar hij zal dat niet snel in een college of openbare lezing zeggen of in een artikel opschrijven. Want Big Brother is always watching you.

Dat is de andere kant van Rome. Hier komt de wereldkerk samen, maar van hieruit wordt zij ook in de gaten gehouden, bestuurd, gecontroleerd, gecorrigeerd en gedisciplineerd. Ik weet bijna zeker dat in het Palazzo del Sant’Uffizio, het zestiende-eeuwse gebouw aan de zuidkant van het Sint-Pietersplein, waar ooit de inquisitie zetelde en nu de rechtsopvolger daarvan, de Congregatie voor de Geloofsleer, ook wel een dossier over mij bewaard zal worden. Misschien is het dossier nu, met mijn overstap naar de Remonstrantse Broederschap, afgesloten. Toen ik nog decaan van de Nijmeegse theologische faculteit was en wij een brief uit Rome ontvingen over de opschorting van onze bevoegdheid om kerkelijke graden te verlenen, werden in die brief uitspraken van mij geciteerd uit het dagblad Trouw en het radioprogramma Kruispunt. Hoe kwamen die uitspraken in een Romeinse brief terecht? Inderdaad, Big Brother is watching you. In Rome straalt de rooms-katholieke kerk het besef uit dat zij de waarheid in pacht heeft. Zij weet zeker. Zij hoeft niet te zoeken, te worstelen, te stamelen. Zij weet wat de waarheid is. En die bewaakt zij. Dat ziet zij als haar taak, als haar roeping: een goddelijke opdracht. ‘De kerk, die “pijler en grondslag van de waarheid” (1Tim. 3,15) is, bewaakt trouw “het geloof dat eens voor al aan de heiligen werd overgeleverd’, zo zegt de Catechismus van de Katholieke Kerk uit 1993 het.

De architectuur van het na-middeleeuwse Rome straalt dat zelfbesef van de rooms-katholieke kerk uit. De barokke bouwmeesters, zoals Bernini, Bramante en Borromini, hebben het triomfalisme van de ene ware kerk zichtbaar gemaakt in hun kerken en kapellen, hun kloosters en palazzi, hun pleinen en fonteinen en zelfs in het stratenplan van Rome. Alles straalt de barokke triomf uit van de kerk die columna et firmamentum veritatis is. De klassieke kerkleer van de rooms-katholieke kerk maakte onderscheid tussen de strijdende, de lijdende en de triomferende kerk. De strijdende kerk was de kerk hier op aarde, de lijdende kerk was die in het vagevuur en de triomferende kerk was die in de hemel. Maar in de barokke kerkarchitectuur van Rome vallen de strijdende en de triomferende kerk met elkaar samen. De hemelse kerk is er op aarde neergedaald, zoals in de plafonds van de jezuïetenkerken de Gesù en de Sant’Ignazio bijna letterlijk gebeurt. De rooms-katholieke kerk van de barok is doordrongen van de triomf die zij als hoedster van de waarheid zal vieren en maakt die triomf hier op aarde al zichtbaar. Zij verklaart zichzelf al heilig in haar eigen architectuur.

De eenvoudige mens moet zich daar vooral door laten imponeren en zich onderwerpen. En die onderwerping is er een van het verstand. Geloven, credere, is in Rome niet je hart geven (cor dare), maar je verstand opofferen. Geloven is niet een houding van innerlijk vertrouwen, fides als fiducia, niet een overgave aan het avontuur van de waarheid, maar is het aanvaarden van waarheden in het meervoud, het onderschrijven van leerstellingen, het beamen van proposities.

En wie het niet zo zeker weet, wie die proposities kritisch wil onderzoeken, wie de waarheid niet als een gegeven ziet, maar als een zoektocht en een avontuur, die heeft het moeilijk in Rome. Dat maakt het levensverhaal van de zestiende-eeuwse theoloog en filosoof Giordano Bruno duidelijk. Deze dominicaan uit Nola kwam al op jonge leeftijd bij de paus in Rome, door wie hij bewonderd werd om zijn fabelachtige geheugen. Bruno wist echter niet alleen hoe hij veel informatie moest opslaan (hij schreef enkele boeken over memotechniek), hij wist ook op een originele manier over die informatie na te denken. Hij ventileerde nieuwe ideeën over God en wereld. Die leidden al in 1576 – Bruno was toen pas 28 jaar – tot een eerste beschuldiging van ketterij. De dominicaan vluchtte weg uit Napels, waar hij woonde, en verliet de dominicanenorde. Hij zocht in Genève het gezelschap van de calvinisten op en werd er docent aan de academie, maar hij schrok al snel van de onverdraagzaamheid die hij ook daar ondervond – voor remonstranten heel herkenbaar, lijkt me. Ook door de calvinisten werd hij als dwaalleraar veroordeeld. Hij ging nu letterlijk dwalen: door Frankrijk, Engeland en Duitsland, tot in 1590 de conservatieve paus Sixtus V overleed. Bruno dacht dat hij nu weer veilig naar Italië kon terugkeren en ging naar Padua, waar hij als voorloper van Galileo Galilei korte tijd astronomie doceerde. Maar in 1592 werd hij op doortocht in Venetië gevangen genomen en een jaar later aan de Romeinse inquisitie uitgeleverd. Ruim zes jaar zat hij gevangen in de kerker onder het Palazzo del’Uffizio, het eerder genoemde gebouw waar nu de Congregatie voor de Geloofsleer zetelt. Toen de journaliste Andrea Vreede daar enkele jaren geleden aanklopte om te vragen waar de cellen precies geweest waren, kreeg zij te horen: ‘Cellen? Dat moet u verkeerd begrepen hebben. Die zijn hier nooit geweest.’ Kerkelijke woordvoerders hebben het nog altijd moeilijk de geschiedenis te accepteren.

 Na afloop van het zes jaar durende heresieproces werd Giordano Bruno als ketter veroordeeld wegens zijn opvattingen niet over de kosmos (hij leerde de oneindigheid van het heelal en het heliocentrisme), maar wegens die over God, de Drie-eenheid, over Jezus, over het priesterschap, de maagdelijkheid van Maria, de transsubstantiatieleer en het Laatste Oordeel, theologische kwesties dus. Giordano Bruno leerde het panentheïsme: God bestaat niet buiten de schepping, maar is overal in de schepping aanwezig. Nu zouden we hem misschien een ietsist noemen. De veroordeelde werd uitgeleverd aan de stadsgevangenis, die in een toren aan de andere kant van de Tiber was gevestigd. Aan zijn verblijf daar herinnert nu nog een gedenkplaat. En vanuit die stadsgevangenis werd hij op 17 februari 1600 naar een plein, het Campo de’ Fiori, gevoerd om daar als ketter verbrand te worden. Voor die executie, of beter gezegd voor het feit dat de kerkelijke autoriteiten Bruno aan de wereldlijke autoriteiten hadden overgedragen voor die executie, heeft paus Johannes Paulus II tijdens een wetenschappelijk congres in 1999 excuses aangeboden. Maar voor de veroordeling gebeurde dat niet. Integendeel, kardinaal-staatssecretaris Angelo Sodano haastte zich na die excuses van de paus te verklaren dat de veroordeling van Bruno terecht was geweest, omdat zijn denkbeelden in strijd waren met de rooms-katholieke leer.

Wat moeten vrijzinnigen doen wanneer zij in Rome zijn? Vooral veel genieten van de pracht en de sfeer van de stad, heerlijk eten, wijn drinken en nog veel meer. Maar ook een bezoek brengen aan Campo de’ Fiori om een groet te brengen aan Giordano Bruno. En misschien kunnen ze aan de hand van het prachtige boek De magie van Rome van Andrea Vreede een wandeling maken langs de plaatsen waar Bruno gevangen heeft gezeten. Daarover gaat het vierde hoofdstuk van het boek. En lees én wandel dan ook het vijfde hoofdstuk, dat over de joodse wijk gaat, over het getto van Rome, een creatie van paus Paulus IV, de paus die ook de lijst van verboden boeken invoerde en die de naakte figuren in het Laatste Oordeel van Michelangelo van schaamlappen liet voorzien.Vrijzinnigen houden niet van schaamlappen en boekverboden en al helemaal niet van ketterverbrandingen. Daarom luidt mijn stelling: Vrijzinnigen dienen in Rome eerder een groet te brengen aan Giordano Bruno dan aan de paus.