Woestijnkunde

Effata Parochieblad, februari 2011 (veertigdagentijd)

 

De veertig dagen van de vasten roepen de herinnering op aan de veertig jaren van de woestijntocht van het volk Israël, op weg van het slavenhuis Egypte naar het beloofde land. En zij roepen de herinnering op aan de veertig dagen van het verblijf van Jezus in de woestijn, vóór hij ging rondtrekken om de komst van het rijk van God aan te kondigen. De veertig dagen hebben dus alles met de woestijn van doen.

Wat is de woestijn voor een plek? De Vlaamse dichter Leonard Nolens publiceerde drie jaar geleden een mooie gedichtenbundel met de titel Woestijnkunde. Hij onderzoekt daarin, althans in een deel van de bundel, op dichterlijke wijze het onherbergzame van de stilte, de plek waar je van alles verlaten bent behalve van jezelf. Hij ontdekt dat de woestijn voor een dichter de beste plaats is om te zijn, want daar zijn woorden nog echt en oprecht, daar betekenen ze nog wat ze betekenen. Daarbuiten, buiten de - denkbeeldige - woestijn dus, zijn woorden gedevalueerd, in ‘deze praatzuchtige tijd’. Daar klinken ‘slaapverwekkende halleluja’s van partijvoorzitters en zielenknijpers, biechtvaders en televisionairs’. Aldus de dichter.In de woestijn wordt een mens op zichzelf teruggeworpen. Ik kan, als ik de woestijn intrek, alles achter me laten, behalve mezelf. Ik neem mezelf altijd mee. En in de woestijn vind ik dan weinig waarachter ik me kan verschuilen. Ik vind er geen uitvluchten en geen afleidingen. Ik vind er mezelf. De woestijn is een plek waar ik mezelf niet kan ontlopen.

In de vierde en vijfde eeuw zochten mannen en vrouwen de woestijn van Egypte, Palestina en Syrië op om precies die confrontatie met het wezenlijke aan te gaan. Woestijnvaders en woestijnmoeders noemen we hen. Van de bekendste van hen, abba Antonius, is de volgende spreuk overgeleverd: ‘Hij die in de eenzaamheid van de woestijn woont, is van drie gevechten verlost: dat met het horen, dat met het spreken en dat met het zien. Hij houdt nog maar één gevecht over: dat met het hart.’ Horen, spreken en zien zijn natuurlijk in zichzelf helemaal geen slechte dingen. Maar ze kunnen wel dienen als alibi, als excuus, als uitvlucht om niet tot de kern van de dingen te gaan, om niet tot de kern van onszelf te gaan. We kunnen van alles zien zonder onszelf onder ogen te zien, we kunnen van alles horen zonder naar ons hart te luisteren, we kunnen veel praten zonder écht iets te zeggen. De woestijn is het beeld voor een plek, een situatie waarin we onszelf niet kunnen ontlopen, ja waarin we bij onszelf naar binnen kunnen gaan, waar we kunnen wonen bij onszelf.

Ik wens u en mij een goede woestijntocht toe, deze veertigdagentijd.