De grote grap

Effata Parochieblad, april 2011 (Paasnummer)  

Tegen het einde van de middeleeuwen ontstond de gewoonte om de preek op Pasen te openen met enkele grappen. De priester daalde daarvoor van het priesterkoor af en kwam tussen de gelovigen staan. In alledaagse taal vertelde hij enkele paasmoppen. De gelovigen wisten dan meteen dat het een blijde dag was. Er mocht hardop gelachen worden in de kerk. En niemand hoefde zich daarvoor te schamen. ´Risus paschalis´ heette dit gebruik in het Latijn. ´Ostergelächter’ noemden de Duitsers het; het gebruik schijnt in Beieren ontstaan te zijn. Een Nederlands woord bestaat er volgens mij niet voor, maar het had goed ‘paasgelach’ kunnen heten.

De paasgrappen in de preek groeiden uit tot hele verhaaltjes, zogenaamde ‘Ostermärlein’, en men ging  ze zelfs in kleine toneelstukjes uitbeelden. Dat was in die tijd niet vreemd in de kerk. Het was ver voor de tijd van bibliodrama en sacred dance, maar toch werd er regelmatig een toneel- of dansstukje in de kerk opgevoerd. Liturgisch drama heette dat, en dan mocht het, ook van de bisschop. Het was een manier om bijbelse verhalen uit te beelden voor mensen die in meerderheid niet konden lezen of schrijven. Zo kregen ze toch iets mee van de inhoud van het heilige boek en van de betekenis van de grote feesten. Want van de liturgie, die helemaal in het Latijn was, verstonden ze niet veel.

De paasgrappen gingen meestal over de duivel: over hoe lelijk hij door Christus was beet genomen. Door de moppen en verhaaltjes werden de gelovigen aangemoedigd de duivel uit te lachen. Jezus heeft lekker toch gewonnen, puh. Maak een lange neus naar de duivel, naar de duisternis en naar de dood. Want daarover gaat Pasen: de duisternis, de dood en het kwaad hebben niet het laatste woord. God laat ons niet over aan de duisternis van de dood. Hij houdt ons vast over die donkere grens heen, naar het licht van de nieuwe morgen, naar het leven van de nieuwe dag.

Eigenlijk is dus het geheim van Pasen zelf de paasgrap bij uitstek: de dood is overwonnen, de duisternis heeft niet het laatste woord. In sommige Amerikaanse kerken heeft men de traditie van de ‘risus paschalis’, die in de zeventiende eeuw door de hoogbejaarde paus Clemens X (paus van 1670 tot 1676; hij was al tachtig jaar toen hij paus werd) werd verboden, weer opgenomen. Onder namen als ‘Holy Humor Sunday’, ‘Holy Hilarity Sunday’, ‘Bright Sunday’ of ‘Holy Fools Sunday’ zijn er, meestal op Beloken Pasen, vieringen waarin veel gelachen mag worden. Er zijn mensen die het niet passend vinden om in de kerk te lachen. En er valt eerlijk gezegd ook vaak niet veel te lachen. Maar misschien mag met Pasen in de kerk toch een blijde en bulderende lach klinken, een lach van bevrijding.