De eerste mens in de ruimte

Effata Parochieblad, mei/juni 2011 (Hemelvaart en Pinksteren)

‘Viri Galilaei, quid admiramini aspicientes in caelum?’ Zo begint het Latijnse intredelied – de introïtus – van Hemelvaart. ‘Mannen van Galilea, wat staan jullie verbaasd naar de hemel te kijken?’ In 1614 gebruikte een dominicaan in Florence, Tommaso Caccini, deze woorden om er een preek mee te openen die uitliep op een tirade tegen de sterrenkundige Galileo Galilei. De ‘viri Galilaei’, de mannen van Galilea, waren bij hem de mannen van Galileo geworden: de volgelingen van de wetenschapper, die met een telescoop naar de hemel keken, verbaasd over de bewegingen die ze daar waarnamen.

De dominicaan vond de gedachte dat de aarde om de zon draait een ketterij. Daarmee stond hij nog betrekkelijk alleen. Galileo had zijn telescoop enkele jaren eerder bij de geleerde jezuïeten in Rome gedemonstreerd, en die waren enthousiast geweest. Geen vuiltje aan de lucht nog. Maar ja, de dominicanen hadden in die tijd de beste relaties met de inquisitie en minder goede relaties met de jezuïeten. Met de preek van pater Tommaso was dan ook de lobby tegen Galileo Galilei begonnen. De inquisitie had hem in het vizier gekregen: het begin van een hoop ellende.

De mannen van Galilea zien we op middeleeuwse afbeeldingen van de hemelvaart van Jezus inderdaad vaak verbaasd naar de hemel kijken. Maar niet op de afbeelding uit het middeleeuwse handschrift die u bij deze column ziet. Althans niet allemaal. Het zijn immers ook niet zo maar mannen uit Galilea. Het zijn de apostelen en Maria. Zij kijken eerder ingetogen. Ze lijken in gebed.

 

En intussen stijgt Jezus op als een soort raket. Op de rots, die de Olijfberg moet voorstellen, is de afdruk van zijn voeten achtergebleven. Jezus zelf is grotendeels verdwenen. Alleen zijn voeten en een deel van zijn kleed komen nog onder een wolk uit. Zij lijken wel op het onderste gedeelte van een meertrapsraket, het deel dat na de lancering wordt afgestoten.

 

Hemelvaarten zijn er in de geschiedenis van religies in vele varianten. Grote religieuze helden konden niet gewoon doodgaan. Die werden op wonderlijke wijze in de hemel opgenomen. Dat gebeurde met de Egyptische farao’s, dat gebeurde met de Boeddha, dat gebeurde met de held Hercules, dat gebeurde volgens apocriefe joodse overleveringen met Mozes en Jesaja. Het kon dus niet uitblijven dat ook Jezus ten hemel voer, zoals later ook Maria en Mohammed. De wijze waarop dit gebeurde, kon nogal verschillen. Soms werden de helden met een koets opgehaald, soms daalde er een ladder neer uit de hemel waarlangs ze konden opklimmen, soms werden ze op de rug van een gevleugeld paard naar de hemel gebracht. Jezus deed het eenvoudig. Hij steeg gewoon op, als een raket.

 Vijftig jaar geleden, op 12 april 1961, steeg er weer iemand in een raket op: de Russische astronaut Yuri Gagarin. Hij maakte een rondje om de aarde en wist – volgens de overlevering - na terugkeer te melden: ‘ik heb God niet gezien’. Zou hij echt gedacht hebben Hem daar, in de ruimte, te zien? Dan was hij, dunkt me, even naïef als pater Tommaso Caccini, de bestrijder van Galileo.

Intussen heet Gagarin ‘de eerste mens in de ruimte’. Maar met Hemelvaart weten wij wel beter.