Lijden uit liefde

De Stimulans (Patiëntenvereniging voor Neurostimulatie) 11/2 (juli 2011)

Pijn is niet fijn. Dat hoef ik u niet te vertellen. Het werkwoord dat bij pijn hoort, is lijden. We zeggen niet dat we pijn genoten hebben, zoals we een opleiding genieten, een inkomen of een voordeel, en we zeggen al helemaal niet dat we van pijn genoten hebben, zoals we van een vakantie genieten, van zon, zee en strand of van een goed glas wijn.

Toch zijn er op elke regel uitzonderingen. Er zijn ook mensen die zeggen dat ze van pijn genieten. Ik ken er niet zoveel, om eerlijk te zijn ken ik er niet één, maar ik weet dat ze bestaan. Ze heten masochisten. Die naam danken zij aan graaf Leopold Sacher von Masoch. Dat klinkt als een lekkere taart, maar de man was in werkelijkheid een schrijver; de taart heet naar een ander, geen familie. In zijn roman Venus im Pelz beschrijft hij hoe een man een aanbeden vrouw weet te verleiden om hem tijdens het liefdesspel te kwellen. De Duitse arts Richard von Krafft-Ebing noemde dat fenomeen in 1886 naar de graaf, iets waar de graaf zelf niet blij mee was, maar het kwaad was al geschied.

Lijden uit liefde zou je het kunnen noemen. De masochist zoekt de grens op van zijn lichamelijkheid. Hij wil pijn voelen om zich weer te realiseren hoe fijn het is om geen pijn te hebben. De pijn van de masochist ontleent haar aantrekkelijkheid aan het zelfgezochte karakter ervan en aan haar tijdelijkheid. Het is een uit vrije wil gekozen pijn, waarvan de masochist kan genieten omdat hij weet dat zij slechts tijdelijk is en dat hij haar zelf in de hand heeft.

De term masochisme heeft in onze oren een sterk erotische klank. Het schijnt dat er nogal wat mensen zijn die pijn zoeken bij het vrijen, zoals in de roman van de graaf. Ik kan me leukere dingen voorstellen, maar ik gun iedereen zijn eigen hobby. Dat geldt trouwens ook voor een andere vorm van lijden uit liefde: de zelfkastijding uit de christelijke traditie. Er zijn in de geschiedenis van het christendom mannen en vrouwen geweest die ook pijn zochten bij het vrijen, maar dan wel bij een heel bijzondere vorm van vrijen: die met God. Zij dachten dichter bij God te kunnen komen door zichzelf te pijnigen. Ascese heette dat. Het Griekse woord askèsis betekent oefening, training, zoals een sporter doet om een grote prestatie te kunnen leveren. De prestatie waarop de christelijke asceten zich voorbereidden, waarvoor zij zich oefenden, was die van de eenwording met God. De christelijke atleten trainden zich voor de mystieke vereniging, waarin God en mens in een soort ultiem orgasme samensmelten.

Tot die ascese hoorden praktijken als vasten, vegetarisme, nachtwaken, ononderbroken gebed en seksuele onthouding. Maar vanaf de vroege middeleeuwen, zo ongeveer rond het jaar 700, voegde zich daarbij een praktijk van zelftuchtiging, die in het Latijn disciplina werd genoemd. Dat woord kwam in christelijke kring al eerder voor, bijvoorbeeld in de leefregel voor monniken die Benedictus van Nursia in het begin van de zesde eeuw schreef. Maar daar sloeg het woord nog op een straf die monniken opgelegd konden krijgen wanneer zij een van de regels overtraden. Die straf werd vooral toegediend aan kinderen die aan het klooster waren toevertrouwd om daar opgevoed te worden. We zitten lang voor de kindertelefoon en ook de Commissie Deetman was nog niet geïnstalleerd. De pedagogische tik was nog geoorloofd, en die werd door een oudere monnik aan de monnikjes-in-opleiding toegediend. Dat gebeurde met een stok, en ook die stok kreeg de naam discipline.

Goed tweehonderd jaar na Benedictus ontstond de praktijk dat monniken en kluizenaars zichzelf met die stok gingen slaan. Zij dienden zichzelf de discipline toe, zo heette dat. De praktijk kreeg in de twaalfde eeuw een algemene verbreiding. En de stok veranderde in een geselkoord. Dat koord kon van kloosterorde tot kloosterorde verschillen: de ene orde had er een van touw, de andere een van leer, bij de ene zaten er knopen in het koord, bij de ander ijzeren pinnen. Met dat geselkoord sloegen de kloosterlingen zichzelf op de blote rug. Dat deden zij bij voorkeur op vrijdagmiddag, omdat Jezus op dat dagdeel aan het kruis genageld was. Met hun zelfgekozen pijn wilden zij zich vereenzelvigen met de pijn die Jezus geleden had. Dat deden ze in de hoop en de verwachting zo dichter bij Jezus en bij God te komen: lijden uit liefde. De praktijk heeft tot in de jaren zestig van de vorige eeuw stand gehouden. Boze tongen beweren dat hij nog steeds bestaat in de conservatieve katholieke beweging Opus Dei, net als het dragen van de boetegordel, een riem met haken of pinnen, die om het dijbeen wordt gedragen. Dan Brown heeft het verwerkt in zijn Da Vinci Code.

Lijden uit liefde. Je zal het maar gezegd krijgen als je niet zelf kunt kiezen voor pijn, maar er voortdurend en tegen je wil mee geconfronteerd wordt.