Vaticaanwatcher wordt dominee

Trouw, zaterdag 9 november 2013, bijlage Letter & Geest   

Hij was een rk opinieleider. Nu wil Peter Nissen de kansel op. Als dominee. Hij verlaat de rk kerk om haar dogma's en om haar houding tegenover vrouwen en homo's. Zijn afscheid van de rk kerk doet pijn, 'want ik ben katholiek tot in mijn genen'.

Peter Nissen (Swalmen, 1957) is kerkhistoricus, hoogleraar Spiritualiteitsstudies aan de Radboud Universiteit Nijmegen en lid van het Theologisch Elftal van Trouw.

Na twintig jaar hoogleraarschap ben ik onlangs opnieuw student geworden: ik ben ingeschreven aan het Remonstrants Seminarium, de predikantenopleiding van de Remonstrantse Broederschap. Mijn studietijd zal kort zijn, want ik ga in januari meteen op voor het examen.

Ik ben Vaticaanwatcher en kies voor het predikantschap - dat ik trouwens in mijn vrije tijd zal uitoefenen, als vrijwilliger dus, naast mijn werk aan de universiteit - in een vrijzinnige protestantse kerk. Dat ligt niet voor de hand. Ik ben geboren en getogen in een Limburgs dorp en dan is de kans dat je van huis uit vrijzinnig-protestant bent uiterst gering. Nee, zeg maar gerust dat ik katholiek ben tot in mijn genen. Ik heb de nadagen van het onbekommerde katholicisme in Limburg, het katholicisme van vóór de polarisatie, meegemaakt. Ik ben monnik en priesterstudent geweest. Op allerlei manieren heb ik mij binnen die kerk ingezet en heb ik geprobeerd bij te dragen aan vernieuwing en openheid, aan het aggiornamento dat het Tweede Vaticaans Concilie moest brengen: de kerk weer bij de dag van vandaag laten komen. Maar steeds vaker stuitte ik daarbij op de grenzen van het instituut. Ik merkte dat ik begon te vervreemden van de kerk waarin ik was opgegroeid.

Ik wil niet flauw zijn en de schuld van die vervreemding alleen maar aan de logheid van het instituut geven. Nee, het lag in hoge mate aan mezelf. Ik merkte dat ik zelf begon te veranderen, zekerheden kwijtraakte, veel vrijzinniger begon te denken. Ik veranderde sneller dan mijn kerk, of beter: in een andere richting. Want tegelijk veranderde die kerk ook: van het open en ontspannen katholicisme van mijn jeugd is niet veel meer over. Regelzucht en hang naar rechtzinnigheid kregen de overhand.

Ik voelde mij in die kerk steeds minder thuis. Ik merkte dat mijn theologische denken zich in een steeds vrijzinniger richting ontwikkelde. Ik ontdekte ook dat ik mijn theologische inspiratie steeds meer vond bij theologen die als vrijzinnige protestanten te boek staan. Ik kwam tot de vaststelling dat ik niet meer kon geloven in de letterlijkheid van leerstellingen en de heiligheid van structuren op de wijze waarop de rooms-katholieke kerk dat van haar gelovigen én van haar theologen vraagt. Ik kon ook niet meer geloven dat de liefde tussen twee mannen of twee vrouwen een 'ongeordende' liefde is, die daarom afgekeurd moet worden, zoals de rooms-katholieke kerk - en dus ook paus Franciscus - leert. Ik kon niet langer geloven dat het Gods wil is dat de kerk door alleen maar mannen wordt geleid, en dan ook nog door alleen maar ongehuwde mannen.

Als je eigen geloof en dat van je kerkgemeenschap zo uit elkaar gaan groeien, dan gaat het wringen. Je kunt dan blijven proberen je eigen kerk te veranderen. Maar dat is niet erg realistisch bij een wereldkerk met de omvang van de rooms-katholieke kerk. En het is ook de vraag of je dat mag willen. Als ik niet meer kan geloven in wat mijn kerk mij te geloven voorhoudt, moet ik dan proberen die kerk te veranderen of kan ik dan beter zelf in kerkelijk opzicht verhuizen, hoe pijnlijk die verhuizing ook kan zijn?

Ik heb voor dat laatste gekozen. Ik ben drie-en-een-half jaar geleden vriend van de Remonstrantse Broederschap geworden en enkele maanden geleden lid.

Ik snijd mijn katholieke wortels daarmee niet af, integendeel: ik heb veel te danken aan die rijke traditie. Het laatste wat ik wil is mijn doop ongedaan maken. Toen in de opwinding rond het seksueel misbruik nogal wat mensen zich lieten uitschrijven uit de rk kerk, gebruikten media daarvoor het woord 'ontdopen'. Dat is bij mij volstrekt niet aan de orde. De stap die ik nu zet is een vervolg op de weg die met mijn doop in de katholieke kerk is begonnen.

Volgens het wetboek van de rooms-katholieke kerk ben ik nu wel een 'schismaticus', een scheurmaker, omdat ik mij 'onttrek aan het gezag van de paus'. Als ik nog een leeropdracht in de theologie zou hebben, zou mijn stap ingrijpende gevolgen voor mijn werk aan de universiteit kunnen hebben. Maar dat speelt in mijn geval geen rol, omdat ik alleen voor de opleiding religiewetenschappen ben aangesteld. Ik word geen martelaar voor de gewetensvrijheid, zoals andere theologen is overkomen.

En dan gewoon van twee kerken lid blijven? Dat kan volgens de rk kerk niet. Dat bleek in 2005 uit de zaak rond de Duitse bijbelwetenschapper Klaus Berger. Die was, toen hij in de jaren zeventig benoemd werd aan de protestantse theologische faculteit van Heidelberg, toegetreden tot de lutherse kerk. Maar hij was, zo verklaarde hij vlak vóór zijn emeritaat, ook altijd lid van de rk kerk gebleven.

Kan niet, zei Rome.

Er moet gekozen worden. Dat heb ik dan ook gedaan. Met pijn in het hart, verdomde veel pijn. Want er is veel dat mij dierbaar is in de katholieke traditie. Denk aan de rijkdom aan rituelen en symbolen. In vergelijking daarmee is de remonstrantse kerk maar een kale en stijve bedoening. "Katholieken vieren van de nek naar beneden, protestanten van de nek naar boven", zei de Amerikaanse godsdienstsocioloog en romanschrijver Andrew Greeley. Hij bedoelde: katholieken beleven hun geloof met hun hele lichamelijkheid, met alle zintuigen, en protestanten alleen met hun verstand. Nog zoiets: de traditie van de monniken, mij ook zeer dierbaar. De Regel van Benedictus is voor mij nog steeds een leidraad in het leven. Ik troost mij met de gedachte dat er juist in remonstrantse kring veel belangstelling groeit voor ritueel en symboliek en ook voor de kloostertraditie. Daar mag ik dan als nieuwkomer iets van meebrengen.

Maar het is niet eens het gevreesde gemis van deze zaken dat mijn stap het moeilijkste maakte. Nee, het is het gevoel al die strijdmakkers in de steek te laten die zich binnen de rooms-katholieke kerk blijven inzetten voor openheid en vernieuwing. Zoals mijn eigen vrouw, die zich met hart en ziel inzet voor de toekomst van een Nijmeegse parochiegemeenschap. Zij blijft dat doen, en wij hebben nu dus een kerkelijk gemengd huwelijk. Ik vertrouw erop dat we elkaar bij de les houden: ik met mijn vrijzinnige vragen, zij met haar katholieke warmte.

Is de nieuwe paus misschien ook zo'n strijdmakker? Met genoegen beluister ik zijn pleidooi voor een kerk die zich niet in regels verliest en die zich toewijdt aan de armen. Ik hoop van harte dat het navolging vindt in de ruim 3100 bisdommen van zijn wereldkerk. Ik merk er in Nederland nog niet veel van, maar het kan nog komen. Het kan zijn kerk genezen. Het kan er vooral voor zorgen dat zijn kerk zichzelf, haar regels, haar wetten, haar structuren en haar ambtsdragers, minder belangrijk gaat vinden.

Het uitdagende van vrijzinnige kerkgenootschappen is dat zij zichzelf niet zo belangrijk vinden. Het gaat niet om de kerk, het gaat om datgene waar zij voor staat: troost, bemoediging, solidariteit, uitdaging, gemeenschap, verbondenheid, compassie. Kerken van welke soort ook zouden ervan doordrongen moeten zijn dat geen enkel element van het kerkelijk instituut wezenlijk en eeuwig is, dat de kerk mensenwerk is en dat dit ook geldt voor haar verwoording van het geloof.

Remonstranten zijn daar al vanaf het begin van de zeventiende eeuw van overtuigd: belijdenisteksten en dogma's zijn tijdgebonden formuleringen van tastend geloof en mogen niet gebruikt worden om de ander de maat te nemen. Remonstranten proberen, met vallen en opstaan, van de kerk een ruimte van vrijheid en verdraagzaamheid te maken. In die ruimte wil ik mij graag als predikant inzetten 'voor de voortgang van het evangelie'.
 

Compassie drijft mij naar de kansel


Waarom wil ik dominee worden? Omdat het mij ter harte gaat dat het goede nieuws verteld blijft worden. Ik bedoel dan niet het goede nieuws dat in glossy's en amusementsprogramma's voor verstrooiing zorgt, maar het goede nieuws dat mensen bemoedigt en uitdaagt om van hun leven het beste te maken. Het goede nieuws dat in de christelijke traditie eu angelion heet, goede boodschap, evangelie.

Ik wil predikant worden om met Paulus te spreken, 'omwille van de voortgang van het evangelie'. Het verhaal moet doorverteld worden en de bezieling die ervan uitgaat, doorgegeven.

In de boodschap van het evangelie zal iedereen andere accenten zetten. Voor mij springen er twee kroonjuwelen uit. Het ene zorgt voor troost en bemoediging, het andere voor uitdaging en aansporing.

De troost zit voor mij in het diepe besef dat wij gedragen worden. Wij worden niet aan de afgrond overgelaten. Wij zijn geen prooi van ultieme zinloosheid. Er is iets dat ons draagt, iets waarin wij geborgenheid vinden. Noem het Leven, noem het Liefde, noem het God.

Dat besef van geborgenheid doortrekt de psalmen en de wijsheidsliteratuur in de Hebreeuwse Bijbel. Jezus van Nazareth brengt het dichtbij. Hij noemt het vertrouwelijk abba, papa, onzevader. Veel meer kunnen we er niet over zeggen. Dan wordt het stamelen, zoals de grote mystici doen.

Het andere kroonjuweel daagt ons uit. Dat is de boodschap dat er toekomst is. Die hebben we nodig, want we hebben alleen deze ene wereld. Hier moeten we het met elkaar doen. Die toekomst is er als we ons tot elkaar bekeren. Die boodschap doortrekt het spreken van de oudtestamentische profeten. Zij doortrekt vooral het spreken en optreden van Jezus van Nazareth. Voor die menswaardige toekomst gebruikt Jezus het beeld van het koninkrijk van God: daar waar de regels van God, die van liefde en gerechtigheid, het leven bepalen. Dat koninkrijk is niet een soort hiernamaals, ook geen toekomstige wereldtoestand die door een mythisch ingrijpen van hogerhand, een 'Apocalypse Now', tot stand komt. Het koninkrijk leeft al in jou, zegt Jezus. En het heeft kansen tot groei als wij liefde en gerechtigheid delen. Dan kan de kiem van het koninkrijk uitgroeien en tot bloei komen. Dan kan er een menselijke wereld komen waarin, om een beeld van Huub Oosterhuis te gebruiken, 'brood en liefde is, genoeg voor allen'.

De weg daar naartoe is de weg van de compassie. Compassie is geen medelijden, zoals de Britse religiewetenschapper Karen Armstrong terecht beklemtoont. Compassie is de bereidheid om samen met de ander ergens doorheen te gaan, de passie van de ander te delen.

Dat betekent de pijn ondergaan van de ander, maar ook de vreugde van de ander. Wij kunnen de pijn delen van de ander als we de pijn in onszelf onder ogen durven zien, onze eigen mislukkingen. Wij kunnen de vreugde van de ander delen als we ook onszelf in vreugde willen aanvaarden. Dan kunnen we de ander behandelen op de manier waarop wij zelf behan- deld zouden willen worden.

En dan voorkomen we dat we de ander iets aandoen wat we zelf niet zouden willen meemaken. 'Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen', zegt Jezus. Al zo'n vijfhonderd jaar vóór het begin van onze jaartelling formuleerde de Chinese wijze Confucius dit als het beginsel van de wederkerigheid.

Toen aan rabbi Hillel, één generatie vóór Jezus, gevraagd werd de hele wet samen te vatten in de tijd dat hij op één been kon staan, zei hij ongeveer hetzelfde: 'Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat is de hele Thora. De rest is commentaar.' Deze les is de wereld ingegaan als de Gulden Regel.

Ik zie de kerk als een leerschool voor compassie. In de kerk kunnen wij onze eigen onvolkomenheid onder ogen zien. Maar we horen er ook dat wij aanvaard zijn. We lezen er de verhalen uit een ver verleden, verhalen die ons kunnen bemoedigen en uitdagen. We vieren er in tekens dat gemeenschap en verbondenheid mogelijk zijn, ondanks alles, en dat er grond is voor onze hoop op een menselijke wereld, opnieuw ondanks alles. En we worden er uitgedaagd om aan die wereld te werken, om vanuit compassie te leven, ook buiten het kerkgebouw, ook op gewone weekdagen.