(Van) kerk veranderen

Op 16 oktober 2013 sprak dr. Christa Anbeek haar oratie uit als hoogleraar Remonstrantse theologie aan het Remonstrants Seminarium, verbonden aan de Faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Aan de oratie ging een klein symposium vooraf over remonstrantse theologie, onder de titel 'Een luis in de pels'. Een van de inleiders was Peter Nissen, die sprak over het thema '(van) kerk veranderen'.

 

 

 

(VAN) KERK VERANDEREN

 

Toen ik het programma van deze dag ontving, zag ik dat ik zou spreken over het thema ´Van kerk veranderen´. Dat was nieuw voor mij. De samensteller van het programma zal wel gedacht hebben: Peter Nissen, bij velen bekend als Vaticaanwatcher, is drie jaar geleden vriend en onlangs lid van de Remonstrantse Broederschap geworden. Hij moet maar eens uitleggen waarom. Ik heb de vrijheid genomen om het woordje ‘van’ in de titel van mijn korte voordracht tussen haakjes te zetten. Dan wordt het ‘kerk veranderen’. Over beide zal ik het hebben: over het veranderen van kerken en over het zelf van kerk veranderen. Die twee hebben in elk geval in mijn eigen situatie met elkaar te maken. Ik hoop dat dit na dit kwartier duidelijk zal zijn geworden.

 

Kerken behoren niet tot de meest dynamische en de meest flexibele instituties in onze samenleving. Zij veranderen maar langzaam en doorgaans niet in hetzelfde tempo waarin hun maatschappelijke en culturele omgeving verandert.

Dat hoeft niet altijd nadelig te zijn voor de kerken. Zij zijn immers ook geroepen een kritische tegenstem te zijn in onze samenleving. Zij zijn, om het bekende beeld uit het Johannesevangelie te gebruiken, ´wel in de wereld, maar niet van de wereld´ (Joh. 15,19). Dat betekent dat zij in staat moeten zijn om de rol van een contrasterende gemeenschap te vervullen, een rol die onmogelijk wordt wanneer de kerken zich volledig conformeren aan hun maatschappelijke omgeving. Door volledig op te gaan in hun omgeving en door zich volledig aan te passen aan wat gangbaar gevonden wordt, maken zij zichzelf monddood. Willen de kerken een profetische stem kunnen laten horen, willen zij een ‘counterculture for the common good’ kunnen zijn, zoals James Kennedy vanuit een orthodox-gereformeerd standpunt heeft uiteengezet in zijn boek Stad op een berg, dan moeten zij een zekere andersheid ten opzichte van hun omgeving in stand kunnen houden.[1]

Maar die andersheid kan ook te groot worden. Kerken kunnen ook te ver vervreemden van hun veranderende omgeving. Dan worden zij vreemde relicten uit een voorbije tijd, culturele museumstukken. Contrasterende distantie wordt dan letterlijk wereldvreemdheid. Dan maken de kerken zichzelf in zekere zin eveneens monddood. Hun taal wordt niet meer verstaan. Maar zij begrijpen ook niet meer op welke vragen in de samenleving hun boodschap wellicht een antwoord zou kunnen zijn, want zij verstaan die vragen eenvoudigweg niet meer. Zij hebben de wereld al afgeschreven.

Kerken hebben dus een zekere beweeglijkheid nodig, een zekere veranderingscapaciteit. Zij moeten bereid zijn bij de tijd te zijn. Hans Küng heeft dat treffend verwoord in zijn nog altijd klassieke boek over de kerk uit 1967 (toen nog verschenen ‘mit kirchlicher Druckerlaubnis’): ‘Treue zum ursprünglichen Wesen im geschichtlichen Wandel der Welt, um derentwillen die Kirche existiert, ist nicht in Unbeweglichkeit (‘Immobilismo’), sondern nur in Wandelbarkeit (‘Aggiornamento’) möglich: in stets neuem Engagement für den neuen Tag (giorno), in stets neuer Hingabe in den Wandel und unsere Verwandlung, in stets neuer Reform, Erneuerung, radikaler Besinnung.’[2] U hoort in dit citaat het enthousiasme na-echoën over het pas twee jaar daarvoor afgesloten Tweede Vaticaans Concilie en zijn ideaal van ‘aggiornamento’: geen onbeweeglijkheid, geen ‘immobilismo’, maar ‘aggiornamento’, de kerk moet weer bij de dag van vandaag gebracht worden. En dat moet zij, wil zij trouw blijven aan haar taak: het evangelie verkondigen in de wereld van deze tijd.

 

Veranderen gaat niet alle kerken even gemakkelijk af. Kerkelijke veranderingsprocessen zijn doorgaans moeizaam en stroperig. Dat blijkt uit de analytische studies van godsdienstsociologen en uit de voorzichtige strategische adviezen van auteurs op het gebied van de kerkopbouw of oikodomiek, zoals het heet in de geheimtaal van de praktische theologen. Aan kerkelijke veranderingsprocessen zitten altijd minstens twee kanten: enerzijds de probleemoplossende en corrigerende kant, d.w.z. kerkverandering moet datgene repareren wat niet goed loopt, en anderzijds de versterkende en opbouwende kant: kerkverandering probeert datgene wat wel goed loopt te vermenigvuldigen.[3] In sommige hoeken van de kerk is men niet snel bereid toe te geven dat er zaken zijn die niet goed lopen. De toekomst van de kerk wordt gered, zo wordt daar gedacht, door ons op het goede te focussen en dat vooral blijmoedig te verbreiden. In andere hoeken van de kerk zien mensen weinig meer dat nog goed loopt en overheerst de stemming dat de schade niet meer te repareren is. De tijd van de kerk is voorbij. De kerk is, om Harry Kuitert te citeren, hooguit nog geschikt als afkickcentrum voor diegenen die het maar niet kunnen laten te geloven, die dus als het ware aan hun geloof verslaafd zijn. Wat zou je dan nog veranderen?

De capaciteit tot verandering is niet in elk kerkgenootschap even groot. Mijn veronderstelling is dat de capaciteit tot verandering kleiner is naarmate een kerkgenootschap groter is, als institutie ouder is en in doctrine en organisatie hoogkerkelijker is. Op basis van deze drie criteria zou verwacht mogen worden dat die bij kleinere, minder aan traditie gehechte en in doctrine en organisatie laagkerkelijke kerkgenootschappen de veranderingscapaciteit groter zou moeten zijn dan bij mondiale kerkgenootschappen, die sterk aan traditie hechten en die in leer en structuur hoogkerkelijk zijn. De Remonstrantse Broederschap lijkt aan de voorwaarden van de eerste categorie te voldoen. Maar we moeten goed bedenken dat de aanwezigheid van een grotere veranderingscapaciteit nog geen garantie biedt voor daadwerkelijke veranderingen. Er kunnen immers nog tal van andere obstakels zijn die daadwerkelijke kerkvernieuwing in de weg staan, zoals bijvoorbeeld de vergrijzing, moedeloosheid, het naar binnen gekeerde karakter of de gehechtheid aan nestgeur en huiselijke sfeer.

Op basis van de genoemde criteria mag verwacht worden dat de rooms-katholieke kerk een kerkgenootschap met een beperkt veranderingsvermogen zal zijn. Zij telt maar liefst 1,2 miljard leden, verspreid over alle continenten. Zij voert een groot aantal van haar opvattingen en regels terug tot de tijd van de apostelen en heeft van de continuïteit daarin – de apostolische successie – een onderdeel van haar doctrine gemaakt. Traditie geldt bij haar, naast de Schrift, als een volwaardige en normatieve bron van openbaring, zodat zij het verleden als het ware tot bindende legitimatie van bestaande opvattingen en verhoudingen heeft gemaakt. Bovendien zijn die opvattingen en structuren in haar zelfopvatting van sacrale aard; zij zijn meer dan mensenwerk. Ten slotte is haar doctrine en organisatievorm uitgesproken hoogkerkelijk. Zij wordt daarin hooguit door de Oosters-Orthodoxe kerken geëvenaard, en het is niet verwonderlijk dat de vorige twee pausen hun oecumenische activiteiten dan ook vooral op die kerken richtten.

Veranderingen komen in de rooms-katholieke kerk daarom nooit snel. De geschiedenis van die kerk na het Tweede Vaticaans Concilie laat dat zien. Veranderingen waar velen in de jaren zestig van de vorige eeuw op hoopten, zijn uitgebleven en ten dele zelfs weer teruggedraaid. Het optreden van de nieuwe paus lijkt nu velen weer te vervullen met een hoop op ingrijpende veranderingen, maar die hoop getuigt niet van groot inzicht in de feitelijke structuur van de rooms-katholieke kerk. Veranderingen zullen zich daar slechts in een zeer geleidelijk tempo voordoen, temeer omdat bij een groot deel van het huidige middenkader – dat zijn onder meer de bisschoppen (en hulpbisschoppen) in de ruim 3100 bisdommen, die vrijwel allemaal door de twee voorgangers van de huidige paus zijn benoemd[4] – nog geen groot draagvlak lijkt te bestaan voor een daadwerkelijk ‘aggiornamento’ van de rooms-katholieke kerk.

Dat trage tempo van veranderingen in een logge wereldkerk kan tot teleurstelling leiden bij de pioniers van kerkelijke vernieuwing. Ik geef grif toe dat ik daar zelf ook onder geleden heb. Maar het heeft tegelijk wellicht iets onrealistisch om die veranderingen in een hoger tempo te verwachten. Misschien mag men zelfs van een zo grote kerk, die op wereldschaal te maken heeft met volstrekt verschillende culturele, maatschappelijke, politieke en economische omstandigheden, niet eisen dat zij in een hoog tempo verandert. Zij heeft immers rekening te houden met de ongelijktijdigheid van het gelijktijdige in haar mondiale gemeenschap.

Ik ben al begonnen een autobiografisch element in mijn beschouwing over kerkverandering in te voeren, namelijk mijn teleurstelling over het uitblijven van daadwerkelijke vernieuwing in de rooms-katholieke kerk, en ik acht dat autobiografische element volstrekt gepast op deze dag van de oratie van Christa Anbeek. De durf om theologische reflectie dicht bij je eigen leven te laten komen, bewonder ik namelijk als een van de echt vernieuwende aspecten van het theologische werk van Christa, zoals dat in haar laatste twee boeken, Overlevingskunst en De berg van de ziel, zijn neerslag heeft gevonden. Ik ga dus nog maar verder met een autobiografisch element. Dat heeft betrekking op het gegeven dat het tempo waarin een kerk verandert en dat waarin een gelovig individu verandert, beslist niet altijd parallel hoeft te lopen. Soms maken gelovigen snellere veranderingen door dan de kerken waar zij deel van uitmaken. Zo is het mij in de afgelopen jaren vergaan. Ik merkte dat mijn theologische denken zich in een steeds vrijzinniger richting ontwikkelde. Ik ontdekte ook dat ik mijn theologische inspiratie steeds meer vond bij theologen die als vrijzinnige protestanten te boek stonden. Ik kwam tot de vaststelling dat ik niet meer kon geloven in de letterlijkheid van leerstellingen en de heiligheid van structuren op de wijze waarop de rooms-katholieke kerk dat van haar gelovigen én van haar theologen vraagt. Ik kon niet meer geloven in de transsubstantiatieleer, de maagdelijke geboorte van Jezus, de onbevlekte ontvangenis en tenhemelopneming van Maria, de onfeilbaarheid van de paus en nog zo een aantal katholieke dogmata, zonder die dogmata met gekunstelde omtrekkende bewegingen te benaderen.  

Als je eigen geloof en dat van je kerkgemeenschap zo uit elkaar gaan groeien, gaat het wringen. Gelovigen kunnen dan proberen hun kerk te veranderen, maar zoals ik eerder al zei: dat is weinig realistisch, en bovendien kun je je afvragen of het moreel verantwoord is. Heb ik wel het recht om een kerk te willen veranderen die aan haar doctrine en haar organisatievormen wil vasthouden? Als ik niet meer kan geloven in wat mijn kerk mij te geloven voorhoudt, moet ik dan proberen die kerk te veranderen. Of kan ik dan beter zelf in kerkelijk opzicht verhuizen?

Inderdaad, gelovigen die een discrepantie bemerken tussen hun eigen geloof en dat van hun kerkgenootschap, kunnen ook besluiten van kerkgenootschap te veranderen. Dat komt in Nederland momenteel niet vaak voor. Misschien is dat ook wel de reden waarom het Nederlands geen eigen woord heeft voor de wisseling van kerkgenootschap, waarvoor het Duits de adequate termen Konfessionswechsel en Kirchenübertritt kent. Het fenomeen van de Konfessionswechsel is in de Verenigde Staten nog steeds een zeer vertrouwd fenomeen: ongeveer een derde van de christenen in de Verenigde Staten is in zijn leven ooit van kerkgenootschap veranderd, zo blijkt uit een onderzoek uit 1988, en in Groot-Brittannië doet dat volgens een onderzoek uit 1996 zelfs 37% van de kerkelijke bevolking.[5] Het verdient de voorkeur die confessie- of denominatiewisselaars, omwille van de helderheid van de terminologie, geen bekeerlingen te noemen; bekering is toch een kwalitatief ander verschijnsel dan het wisselen van kerkgenootschap. Wisselen van kerkgenootschap of denominatie is in Nederland een betrekkelijk zeldzaam fenomeen. Uit een onderzoek van twee sociologen blijkt dat in Nederland vanaf 1966 in een periode van ongeveer veertig jaar maar 4,5% van de kerkelijke bevolking boven de achttien jaar ooit van kerkgenootschap is gewisseld. Die wisseling van kerkgenootschap komt meer in protestantse dan in katholieke kring voor, en in de protestantse wereld dan weer vooral in de orthodoxe hoek.[6] U herkent het fenomeen waarschijnlijk uit wat in de kroegtaal van godsdienstsociologen het rondpompen van kerkleden wordt genoemd: hervormden en gereformeerden die overstappen naar meer orthodox-gereformeerde varianten van de gezindte, of die zich aansluiten bij Baptistengemeenten, Pinksterkerken of evangelicale gemeenten. En zo nu en dan vinden meer vrijzinnige katholieken en protestanten ook hun weg naar de Remonstrantse Broederschap, zoals het ook mij is vergaan, en trouwens ook twee van de drie andere sprekers tijdens dit symposium.

De Remonstrantse Broederschap verstaat zichzelf, anders dan bijvoorbeeld de NPB, nadrukkelijk als kerkgenootschap. Maar tegelijk is zij, gelijk andere kerkgenootschappen van vrijzinnige snit elders in de wereld, er een met een laagkerkelijke en laagdrempelige ecclesiologie. En dat maakt haar aantrekkelijk voor kerkelijke vernieuwers die in hun eigen kerk tegen dogmatische scherpslijperij en kerkelijke wetten zijn aangebotst. De Remonstrantse Broederschap verstaat zichzelf als een kerkelijke ruimte waar vrijheid en verdraagzaamheid de atmosfeer bepalen. Voor haar geldt wat de Duitse theoloog Gotthold Hasenhüttl als de kern van een vrijzinnige ecclesiologie formuleert, namelijk de overtuiging ‘dat geen enkel institutioneel element tot het wezen van de kerk behoort; zij zijn alle door de tijd bepaald en veranderbaar.’[7] Instituties, aldus Hasenhüttl, kunnen nuttig zijn als ze de kerk helpen gemeenschap te zijn en haar in staat stellen haar opdracht te vervullen, namelijk de verkondiging van de goede boodschap. Maar zij worden een obstakel als zij machtsinstrumenten worden en voor absoluut gehouden gaan worden. In dat verband kan Hasenhüttl een oudere uitspraak van een onverdachte theoloog citeren, namelijk van Joseph Ratzinger, de inmiddels emeritus-paus Benedictus XVI. Die schreef ooit: ‘Kerkelijke instituties dreigen zichzelf als wezenlijk voor te doen, en zo benemen ze het zicht op wat werkelijk wezenlijk is. Daarom moeten ze altijd weer als overbodig geworden constructies gesloopt worden, opdat de levende Heer zichtbaar kan worden.’[8]

De Remonstrantse Broederschap hecht als vrijzinnige kerkgemeenschap niet aan kerkelijke structuren en beschouwt die al zeker niet als sacraal, onveranderlijk of als gebaseerd op goddelijk recht. Zij heeft bovendien vanaf haar ontstaan in de vroege zeventiende eeuw een broertje dood aan geloofsdwang, aan het als bindend en onveranderlijk opleggen van belijdenisteksten, dogmaverklaringen of welke andere normatieve geloofsformulering ook. Die formuleringen, zo werd in de remonstrantse Verklaring van 1621 gezegd, zijn mensenwerk en dus voorlopig en veranderbaar. Geloofsbelijdenissen verwoorden wat de opstellers ervan geloven, maar volgende geslachten zullen hun geloof weer op een eigen wijze, in nieuwe formuleringen mogen en moeten verwoorden. Een belijdenis is door zijn context bepaald en mag dus niet tot bindend en zaligmakend worden verklaard voor latere geslachten.

Dat uitgangspunt kan de Broederschap aantrekkelijk maken voor mensen die zich willen laten voeden en inspireren door de christelijke geloofstraditie zonder die als alleenzaligmakend of bindend te willen beschouwen. Dat bleek ook zo te werken in het laatste kwart van de negentiende eeuw. De opkomst van de moderne theologie in Nederland, die het gesprek zocht met de cultuur, met de eigentijdse filosofie en met de moderne wetenschap, leidde tot een forse toestroom naar de Remonstrantse Broederschap, vooral vanuit de Nederlandse Hervormde Kerk, waar de moderne theologie op argwaan en bestrijding kon rekenen. Door deze toestroom werd het ledental van de Remonstrantse Broederschap in het laatste kwart van de negentiende eeuw maar liefst verdrievoudigd, zoals valt na te lezen in de dissertatie van Tjaard Barnard.[9]

Zou deze kerk, bij de toenemende hang naar orthodoxie in een aantal grotere kerkgenootschappen, nu misschien ook een aantrekkelijk nieuw thuis kunnen zijn voor vrijzinnige christenen? Ik denk dat er in het theologische debat grote behoefte is aan de inbreng van de vrijzinnige stem. Die klinkt doorgaans minder luid dan de orthodoxe, omdat vrijzinnigen niet zo strijdbaar zijn ingesteld. Zij hebben minder behoefte iets te verdedigen of te propageren. Zij leven bij de gratie van de voorlopigheid van hun opvattingen. Geïnspireerd door H.J. Heerings Ethiek der voorlopigheid uit 1969 zong de vorige Seminariehoogleraar Marius van Leeuwen in de Arminiuslezing van het jaar 2000 de ‘Lof der voorlopigheid’ en bepleitte oud-Broederschapsvoorzitter Wibren van den Burg zes jaren later, bij de opening van het academisch jaar van de PThU, toen nog te Kampen, een ‘theologie der voorlopigheid’.[10]

Wat voor opvattingen geldt, geldt in de Broederschap ook voor kerkelijke structuren en vormen; ook die hebben een voorlopig karakter en zijn dus veranderlijk. Dat is ook nodig, want ook voor de kerkstructuur van de Broederschap geldt dat die dateert uit een tijd waarin duurzame, stabiele en statische gemeenschappen de toon aangaven. Maar wij leven inmiddels in ‘vloeibare tijden’, om met de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman te spreken.[11] Het leven is verbrokkeld en versnipperd en wordt in verhoogd tempo geleefd. Netwerken en virtuele gemeenschappen nemen de rol van de klassieke verbanden en instituties over. Willen de kerken de boot niet missen, dan zullen zij, met behoud van hun eigenheid, aansluiting moeten vinden bij die maatschappelijke veranderingen. En dat betekent dat zij ook zelf zullen moeten veranderen. Daarvoor is flexibiliteit nodig.

Heeft de Remonstrantse Broederschap voldoende flexibiliteit om toekomstbestendig te zijn? Kunnen remonstrantse gemeenten uitgroeien tot eigentijdse plekken van bezieling, tot huizen van bezield verband, tot knooppunten in een ‘netwerk van kerkplekken’?[12] De toekomst zal het uitwijzen.



[1] James Kennedy, Stad op een berg. De publieke rol van protestantse kerken, Zoetermeer: Boekencentrum, 2010, 122-151.

[2] Hans Küng, Die Kirche, Freiburg: Herder, 1967, geciteerd naar de editie München: Piper, 1977, 26.

[3] Jan Hendriks, Verlangen en vertrouwen. Het hart van gemeenteopbouw, Kampen: Kok, 2008, 112-127.

[4] Er zijn volgens de website http://www.catholic-hierarchy.org/diocese/lc.html (op 16 oktober 2013) om precies te zijn 3.119 rooms-katholieke bisschopzetels en 5.222 rooms-katholieke bisschoppen (met inbegrip van de emeriti).

[5] M.T. Loveland, ‘Religious switching: preference development, maintenance, and change’, Journal for the Scientific Study of Religion 42 (2003) 147-157; B.C.Hayes,  ‘Gender differences in religious mobility in Great Britain’, British Journal of Sociology 47 (1996) 643-656.

[6] Ariana Need en Nan Dirk de Graaf, ‘Zich bekeren en wisselen van kerkgenootschap in Nederland’, Mens en Maatschappij 80 (2005) 288-304.

[7] Gotthold Hasenhüttl, Glaube ohne Denkverbote. Für eine humane Religion, Darmstadt 2012, 140.

[8] Uit Zur Gemeinschaft gerufen, Freiburg 1991, geciteerd naar Hasenhüttl, Glauben ohne Denkverbote, 135.

[9] T.R. Barnard, Van ‘verstoten kind’ tot belijdende kerk. De Remonstrantse Broederschap tussen 1850 en 1940, Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 2006.

[10] Voor beide teksten: http://www.remonstranten.org/archief/.

[11] Zygmunt Bauman, Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid, Zoetermeer: Klement, 2011.

[12] Het beeld van het ‘netwerk van kerkplekken’ is ontleend aan Henk de Roest, Een huis voor de ziel. Gedachten over de kerk voor binnen en buiten, Zoetermeer: Meinema, 2010, 150-195.