De oecumene van de zinzoekers
Bijdrage aan het Oecumenisch Festival in de Walburgiskerk te Arnhem, 20 juni 2008,
in het kader van de oecumenische estafette bij gelegenheid van veertig jaar Raad van Kerken Nederland

Door een zomergriepje voel ik mij vandaag niet helemaal fit en is mijn stem niet erg sterk. Maar misschien past mijn gezondheidstoestand wel bij de toestand waarin de oecumenische beweging zich in Nederland momenteel bevindt. Ook die lijkt niet in optimale conditie te zijn en heeft een zwakke stem. Want wij vieren dit jaar wel feest: honderd jaar internationale week van gebed voor de eenheid van de christenen, zestig jaar Wereldraad van Kerken, zestig jaar Sint-Willibrordvereniging (tegenwoordig Katholieke Vereniging voor Oecumene) en veertig jaar Raad van Kerken in Nederland. En dat feestvieren moeten we vooral niet nalaten. Maar tegelijk gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat de oecumenische beweging in Nederland niet meer de dynamiek vertoont die zij vertoonde in de jaren zestig, toen de Raad van Kerken tot stand kwam. De oecumenische lente van toen heeft plaatsgemaakt voor een soms sombere en kille herfst.

Dat heeft met minstens drie ontwikkelingen te maken. De eerste is de krimp en vergrijzing van de kerken die betrokken zijn bij de oecumenische beweging. De kerken die samenwerking en toenadering zoeken, worden zelf steeds kleiner. Overal is er teruggang, behalve bij enkele ‘zwaardere’ gereformeerde kerken ter rechterzijde van de PKN (dankzij de grote gezinnen), bij de migrantenkerken (dankzij de migratie zelf) en bij de evangelicale en Pinkstergemeenten (en alleen daar dankzij nieuwe toetredingen). In de andere kerken is krimp en vergrijzing troef. De oecumenische beweging vergrijst met de kerken mee. Want waar zijn hier vanavond de jongeren? Mensen die actief zijn in oecumenische werkgroepen van parochies en gemeenten zien vaak met pijn in het hart hun jongere opvolgers uitblijven; zij hebben wel eens het gevoel op oecumenisch gebied ‘de laatsten der Mohikanen’ te zijn. Door de krimp van de kerken nemen bovendien de financiën af. De Raad van Kerken heeft dat zelf gevoelig ervaren doordat de rooms-katholieke kerk heeft aangekondigd haar bijdrage vanaf 2006 terug te zullen brengen tot nog slechts ongeveer een derde van wat zij tot dan toe bijdroeg. Ook de Katholieke Vereniging voor Oecumene kent serieuze financiële problemen en moet op zoek naar een ingrijpende herstructurering.

Een tweede oorzaak van het herfstgevoel in de oecumene is het – naar het gevoel van velen – uitblijven van grote stappen. Natuurlijk, er is het nodige tot stand gekomen. Maar er is ook veel niet gelukt waarvan de oecumenische pioniers veertig jaar geleden hadden gedroomd. Na de ondertekening van de gezamenlijke katholiek-lutherse verklaring over de rechtvaardigingsleer op Hervormingsdag 1999 in Augsburg hadden velen gehoopt dat nu katholieken en lutheranen ook samen eucharistie/avondmaal zouden kunnen vieren. Het tegendeel bleek waar. De katholieke theoloog Gotthold Hasenhüttl, hoogleraar te Saarbrücken, werd door zijn bisschop Reinhard Marx (toen nog bisschop van Trier, sinds kort gepromoveerd tot aartsbisschop van München) zelfs als priester en als docent geschorst omdat hij tijdens de Kirchentag in Berlijn in 2003 bij een viering van de eucharistie ook de lutherse deelnemers had uitgenodigd voor de communie. En in Nederland hebben we sinds 2004 een oecumenische bijbelvertaling, de Nieuwe Bijbelvertaling, maar nog vóór die verscheen, maakten de rooms-katholieke bisschoppen al bekend dat deze vertaling niet in de katholieke liturgie gebruikt mocht worden. Ook het feit dat de rooms-katholieke kerk nog steeds geen lid wil worden van de Wereldraad van Kerken, stelt velen teleur en valt nauwelijks nog uit te leggen. Oecumenische voortrekkers kunnen daar moe en moedeloos van worden.

En dan is er nog een derde reden: de kerken lijken, in de krimpsituatie waarin zij verkeren, steeds meer hun eigen profiel te willen versterken, ten koste van oecumenische samenwerking, en zij worden, zeker op het niveau van de leiding, steeds behoudender. De rooms-katholieke bisschoppen van Nederland zijn vrijwel allen trouwe filiaalchefs van een multinational geworden, die het als hun belangrijkste taak zien om te zorgen dat de instructies van de centrale directie te Rome ook in het Nederlandse filiaal nauwgezet worden nageleefd. En in de PKN lijken ‘opgeschoven bonders’ het voor het zeggen te hebben, predikanten met een achtergrond in de Gereformeerde Bond die een beetje zijn opgeschoven naar de midden-orthodoxie, zoals Plaisier I en II. Waar zijn de vrijzinnige protestanten in de PKN gebleven? Hebben zij de kerk al achter zich gelaten? Als de ontwikkelingen in de PKN zo doorgaan, kan de Gereformeerde Bond over tien jaar opgeheven worden, want dan bestaat nagenoeg de hele PKN uit bonders. U begrijpt: ik chargeer nu even. Maar toch…

Het gaat dus minder goed met de oecumene dan velen van ons zouden willen. Is dat erg? Moet oecumene dan? Er is volgens mij niet zoveel in het leven dat moet, wel veel dat mag. Oecumene moet in elk geval niet om de reden die aan de oorsprong van de oecumenische beweging in de twintigste eeuw lag, namelijk ‘om de wereld te veroveren’. Aan de oorsprong van de bewegingen die tot de Wereldraad leidden, staat immers een zendingsconferentie in Edinburgh in 1910. Oecumenische samenwerking werd nodig gevonden om de zending krachtiger te maken. Het christendom moest immers de wereld veroveren. Die gedachte werkt nog steeds door. Tijdens de laatste assemblee van de Wereldraad, in Porto Alegre (2006), werd nog gezegd: ‘Los van elkaar zijn wij verzwakt’ (Called to be The One Church). Nou en, zou ik zeggen. Is het erg zwak te zijn? Zocht Jezus niet juist het gezelschap van de zwakkeren op? Hoort de kerk niet daar thuis? Wat mij betreft wil het christendom de wereld – de ‘oikoumenè’ dus, de door mensen bewoonde wereld - niet meer veroveren, maar haar menselijker maken. Zij wil haar niet christianiseren, maar humaniseren.

Maar oecumene mag wel, en kan zelfs zeer verrijkend zijn. Waarom? Omdat je dankzij oecumene zelf kunt veranderen en anderen door jou kunnen veranderen. Juist door de andere accenten die christenen uit zusterkerken leggen, kun je zelf nieuwe aspecten ontdekken en kun je groeien. Ik ben zelf betrokken geweest bij de internationale dialoog tussen de rooms-katholieke kerk en de doopsgezinden, vertegenwoordigd in de Mennonite World Conference. En ik heb pas door die oecumenische dialoog echt ontdekt dat elke kerk, ook dus mijn eigen kerk, geroepen is vredeskerk te zijn. Werken aan vrede is niet een soort hobby die kerken er nog bij kunnen hebben; zij is centraal voor de zending van de kerken. Dat komt tot in de titel van ons dialoograpport tot uitdrukking: Called Together to be Peacemakers (2003). De kerk is de gemeenschap die samengeroepen is om vrede te stichten. Oecumene betekent dus groei en verandering.

Die groei is wat mij betreft niet gericht op gelijkvormigheid en ook niet op organisatorische eenheid. Eén kerk? Liever niet. Laten we juist genieten – in wederzijds respect – van de veelheid, veelvormigheid en veelkleurigheid van de kerken. Waar de oecumenische beweging zich voor moet inzetten is niet het tot stand brengen van één eenheidskerk. Nee, zij moet zich sterk maken voor ‘communio’, voor broeder- en zusterschap tussen de kerken, of liever nog tussen christenen, voor wisselwerking en communicatie tussen broeders en zusters die – in hun eigen cultuur en hun eigen samenleving – antwoord proberen te geven op de uitdagingen van het evangelie.

Maar verandering is spannend. En kerken lijken daar momenteel niet zo van te houden. Ik wees er eerder al op. De kerken trekken zich terug in zichzelf, zij versterken hun eigen profiel, zij grijpen terug op vertrouwde zekerheden. De ramen en deuren die in de rooms-katholieke kerk rond het Tweede Vaticaans Concilie wijd open werden gezet, worden weer gesloten. Door de open ramen kwam – zo vinden de bezorgde leiders van de kerk - te veel vreemde wind binnen, en teveel mensen liepen door de open deuren naar buiten om niet meer terug te keren. De kerken houden niet van verandering.

Maar intussen veranderen de mensen wel verder. De kerken worden kleiner, maar de mensen worden daardoor nog niet per se en in hetzelfde tempo minder religieus. Maar zij hebben de kerken steeds minder nodig voor hun religiositeit. Zij zijn zinzoekers geworden, pelgrims, mensen onderweg. Zij putten steeds meer ook uit andere bronnen en andere tradities dan die van de kerk waarin zij zijn opgegroeid. Tradities worden poreus, religiositeit wordt flexibel, gelovigen worden buigzaam. Religie wordt herontdekt als heilig spel, als een spel dat in alle vrijheid, zonder toezicht en dwang van bovenaf, gespeeld kan worden en waarin wij allemaal spelers met gelijke rechten zijn.

De oecumene van de toekomst is volgens mij dan ook niet langer die van de kerken, maar die van de zinzoekers. De kerken kunnen daarin een rol spelen als zij hun deuren opnieuw wijd open zetten en hun spirituele erfgoed – tweeduizend jaar ervaring in zin zoeken! – aanbieden, maar zonder claim op exclusiviteit: geen verplichte winkelnering meer. Zij kunnen een rol spelen in de oecumene van de toekomst als zij een plek zijn van gastvrijheid en als kerkmensen weer verhalenvertellers worden.

De oecumene van de toekomst speelt zich niet af in klassieke kerkdiensten, maar op internet, niet in het Katholiek Nieuwsblad of het Centraal Weekblad, maar in Happinez, niet in onze monumentale kerkgebouwen, maar op straat, tussen zinzoekers en daklozen. Dáár moeten de kerken zich laten zien en laten horen. En daar moeten zij eerst ook zelf goed leren luisteren.