Zomaar een dak boven wat hoofden?

Jhreronimus Bosch Art Center, ’s-Hertogenbosch, 17 maart 2008
Provinciale openingsmanifestatie ‘Geloven in Brabant’ van het Jaar van het Religieus Erfgoed

Dat wij hier samen zijn om het Jaar van het Religieus Erfgoed voor de provincie Noord-Brabant te openen, draagt, hoe vreemd dat misschien ook mag klinken, een zekere tragiek in zich. De tragiek namelijk dat wij voor de Westerse wereld en zeker voor Nederland, en binnen Nederland zelfs voor Noord-Brabant, het historische faillissement moeten vaststellen van de institutionele religie, vooral van de zogenaamde volkskerken, en van het maatschappijtype dat historici en cultuursociologen dat van de christenheid noemen. En dat roept de bezorgde vraag op: wie zorgt nu voor het materiële erfgoed van die religies? Zoals de teloorgang van de adel de instandhouding van kastelen tot een probleem heeft gemaakt en zoals de opkomst van andere energiebronnen ervoor zorgde dat wind- en watermolens objecten van monumentenzorg werden, zo zijn nu de kerken en kapellen, de kloosters en retraitehuizen, de Lourdesgrotten en processieparken aan de beurt.

Maar weest u gerust, wat mij betreft zal de tragiek vanmiddag van korte duur zijn. Want juist dat faillissement van de volkskerk opent ook nieuwe perspectieven voor religiositeit. Zij verlost de religiositeit uit de grafkelders van instituties die zichzelf overleefd hebben. Zij opent mogelijkheden voor de herontdekking van religie als een spel, een heilig spel. Een spel dat niet het exclusieve eigendom is van instituties en van hiërarchische organisaties, maar dat van ons allemaal is, en waarin niemand de baas is, tenzij wijzelf. Wat ik nu zeg, klinkt u misschien nog cryptisch in de oren, maar ik hoop dat u na dit kwartier begrijpt wat ik bedoel en waar ik de uitdaging zie voor dit Jaar van het Religieus Erfgoed.

Laat ik eerst beginnen met uit te leggen waarom dit Jaar van het Religieus Erfgoed min of meer de vaststelling van een historisch faillissement is. Het initiatief tot het Jaar van het Religieus Erfgoed is genomen door monumenten- en erfgoedinstellingen in Nederland omdat zij de aandacht van het brede publiek willen vragen voor vooral materiële objecten - gebouwen en voorwerpen – die tot het religieuze erfgoed behoren en waarvoor de religieuze instellingen die deze objecten ooit hebben voortgebracht zelf steeds minder zorg kunnen dragen. De initiatiefnemers willen de samenleving en de overheid gevoelig maken voor een gemeenschappelijke en gedeelde verantwoordelijkheid voor de toekomst van het erfgoed. De kerkelijke en andere religieuze instellingen zijn zelf namelijk steeds minder of zelfs in het geheel niet meer in staat de gebouwen en andere objecten in stand te houden en te behoeden voor verval of afbraak. En dat veroorzaakt, in steeds bredere kring, zorgen over de duurzame toekomst van het materiële religieuze erfgoed in Nederland.

Religieus erfgoed en kerkelijke krimp

Die zorgen hebben te maken met het feit dat de institutionele religie in de Westerse samenleving momenteel een ingrijpend veranderingsproces doormaakt. Dat veranderingsproces heeft gevolgen binnen de religieuze instituties zelf en het heeft bredere maatschappelijke en culturele gevolgen, dus gevolgen voor de positie van de institutionele religie binnen de haar omringende samenleving en cultuur. Vertaald naar de in Nederland meest beeldbepalende religie, het kerkelijke christendom, zou je kunnen zeggen: het veranderingsproces heeft binnenkerkelijke en buitenkerkelijke gevolgen. Die binnenkerkelijke gevolgen zijn – kort gezegd – dat de zorg voor het onderhoud van het religieuze erfgoed rust op de schouders van steeds kleiner wordende, vergrijzende en vooral ook armer wordende kerkgemeenschappen, krimpende kerken dus. Dat probleem geldt in mindere mate voor de 45 van de ruim 150 synagogen die in Nederland nog als gebedsruimte in gebruik zijn; daar ligt sinds de Shoa de zorg al langer op een klein aantal en op zwaar beproefde schouders. De zorg geldt in nog mindere mate voor de bijna 450 moskeeën en islamitische gebedsruimten die er in Nederland inmiddels zijn en waarvan de oudste in Nederland, de Mobarak Moskee in Den Haag, pas uit 1955 dateert, als we tenminste voormalige kerken en synagogen buiten beschouwing laten die nu als moskee in gebruik zijn, zoals de katholieke kerk De Zaaier in Amsterdam uit 1928 of de Haagse synagoge uit 1844, die sinds 1987 de Mescidi Aksa Moskee is. In Noord-Brabant zijn trouwens de oudste moskeeën nog geen twintig jaar jong: de Molukse moskee An-Nur in Waalwijk, inmiddels een vertrouwd gezicht voor iedere voorbijganger op de A-59, en de Turkse Fatih-moskee in Eindhoven, genoemd naar de door sultan Mehmet de Veroveraar gebouwde moskee in Istanbul, die ooit de grootste en de mooiste van de islamitische wereld was.

Maar het probleem van het bedreigde vermogen tot onderhoud geldt in zeer sterke mate voor de maar liefst 4.220 kerkgebouwen die in Nederland nog in functie zijn. Zij moeten onderhouden worden door parochies en kerkelijke gemeenten die vrijwel allemaal – op enkele evangelicale gemeenten, migrantenkerken en Pinksterkerken na – hun ledental zien dalen en hun inkomsten en vermogen zien kelderen. Samenvoeging van parochies en wijkgemeenten, in protestants Nederland nog versterkt door de vorming van de PKN, waarbij hervormde, gereformeerde en lutherse gemeenten samengingen, zijn aan de orde van de dag, met sluiting en afstoting van kerkgebouwen als gevolg. Afbouw, bezuiniging, fusie en krimp lijken de toverwoorden in het overgeorganiseerde kerkelijke christendom van Nederland geworden te zijn.

Ontkerkelijking en secularisatie in Nederland

Die krimp heeft alles te maken met het proces van ontkerkelijking en secularisatie dat zich gedurende de laatste halve eeuw in de Nederlandse samenleving heeft afgespeeld. Dat proces is niet exclusief Nederlands, het doet zich in heel de Westerse wereld voor. Maar in sommige landen, zoals Frankrijk, is het al veel eerder begonnen, en in andere landen komt het nu pas op gang, zoals in Ierland en in Polen, die tot voor kort nog als modelkatholieke landen golden. Overal in de Westerse wereld zien we nu volkskerken afbrokkelen en in elkaar storten, in het ene land wat later en wat langzamer dan in het andere. In Nederland heeft het proces zich vrij snel, in enkele decennia, voltrokken, en is het scherp zichtbaar door het grote contrast met de beginsituatie, die er namelijk een was van een verzuilde samenleving, waar de confessionele zuilen en de grote volkskerken een sterke greep op hun gelovigen en een grote invloed in het maatschappelijk leven hadden. Bij de religietelling in 1809 waren er in Nederland bijvoorbeeld op een bevolking van ruim 2 miljoen slechts 295 mensen die niet tot een kerkgenootschap behoorden. Bij de volkstelling van 1879 behoorde nog steeds 99,7 procent van de Nederlanders tot een kerk. Nu is dat nog maar eenderde van de Nederlanders. Meer dan zestig procent van de Nederlandse bevolking rekent zichzelf niet meer tot een kerk, moskee, synagoge, tempel of andere religieuze institutie. De rooms-katholieke kerk verloor tussen 1990 en 2005, dus in vijftien jaar tijd, zestien procent van haar leden, de protestantse kerken die samen de PKN vormen, verloren in diezelfde tijd maar liefst 43 procent van hun leden, de doopsgezinden zelfs 51 procent. Ook bij groepen die altijd wat aan de rand van het institutionele christendom hebben geopereerd, zien we teruggang: het Leger des Heils bijvoorbeeld verloor negentien procent van zijn leden en de Getuigen van Jehova verloren zes procent. Ook in joodse kring zet de secularisatie zich door, terwijl een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau vier jaar geleden ook al de eerste indicaties van secularisatie in de islamitische gemeenschap vaststelde. Groei is er alleen bij de zwaardere reformatorische kerkgenootschappen, zoals de vrijgemaakt gereformeerden, de Nederlands gereformeerden, de gereformeerde gemeenten en de oud-gereformeerde gemeenten, een groei die overigens vrijwel geheel aan de grote gezinnen valt toe te schrijven. Dat is dus een groei zoals ook de rooms-katholieken in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw meemaakten, een groei die ervoor zorgde dat zij bij de volkstelling van 1960 voor het eerst sinds de zeventiende eeuw de protestanten in aantal inhaalden. Maar dat was een triomf van korte duur. Zij deed zich voor juist aan de vooravond van een massale ontkerkelijking. Dit maakt het probleem wel heel duidelijk: Nederland heeft een tijd beleefd van een ongekend hoge kerkelijkheid, die veel sporen in ons monumentale landschap heeft achtergelaten. Maar op die hoge kerkelijkheid volgde een eveneens ongekend snelle ontkerkelijking, waardoor de voormalige volkskerken niet meer in staat zijn nog in stand te houden wat zij ooit hebben opgericht.

Daar komt nog een extra probleem bij: van de overgebleven kerkleden is een steeds kleiner deel nog maar kerkganger. Bezocht in de jaren zestig van de twintigste eeuw nog ongeveer tweederde van de rooms-katholieken een weekeindviering, nu doet dat – volgens de meest recente KASKI-gegevens, die over 2006 – nog maar 7,6 procent. De beide Brabantse bisdommen liggen zelfs nog onder dat landelijke gemiddelde: ’s-Hertogenbosch met 7,1 procent en Breda met 5,2 procent. Ook andere vormen van participatie aan het kerkelijke leven nemen zienderogen af. Het aantal doopsels is in 2006 ten opzichte van het jaar daarvoor landelijk weer met vijf procent gedaald, het aantal kerkelijke huwelijken met acht procent, het aantal uitvaarten met drie procent en het aantal vrijwilligers met vier procent. De kerken vergrijzen en ze hebben steeds meer moeite om nog personeel én vrijwilligers te vinden.

En daarmee is één kant van het probleem afdoende geschetst: binnen de kerken komt de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van het religieuze erfgoed op steeds minder, steeds zwakkere en steeds oudere schouders te rusten. En dat is niet lang meer vol te houden. Als de samenleving hecht aan het materiële erfgoed van de kerken en de andere religieuze instituties, bij voorbeeld omdat een kerkgebouw, kapel of klooster beeldbepalend is voor het aanzicht van het dorp of de stad, dan kan en mag de samenleving de zorg voor de instandhouding van dat erfgoed niet langer alleen aan de steeds kleiner wordende kerkgenootschappen zelf overlaten. Nee, dan moet zij daar ook een bredere verantwoordelijkheid zien voor zichzelf, dus ook buiten het kerkelijk-institutionele erf.

Na de christenheid

Maar daar doet zich de andere kant van het probleem voelen, het andere gevolg van het historische faillissement van de institutionele religie in ons deel van de wereld. Dat gevolg is wat ik – misschien wat kort door de bocht – zou willen typeren als een groeiend religieus analfabetisme. Steeds minder mensen zijn vertrouwd met de betekenis, de functie, de achtergrond van het religieuze erfgoed. Zij kunnen het materiële erfgoed minder goed begrijpen omdat zij het immateriële erfgoed waarvan het de uitdrukking is, niet meer kennen. Zij kennen het verhaal rond het religieuze erfgoed niet meer. Anders gezegd: steeds minder mensen kennen de betekenis van religieuze symbolen en handelingen, steeds minder mensen zijn vertrouwd met de grote verhalen en de grote namen uit de religieuze tradities. Steeds minder mensen weten wat er zich afspeelt in een kerk of een synagoge, steeds minder mensen kunnen uitleggen wat zij zien als zij een schilderij, een glas-in-loodraam of een beeld zien. Steeds minder mensen weten welk soort teksten zij kunnen vinden op een Torarol, in een kanselbijbel of in een antiphonarium. Voor velen is het materiële erfgoed van het Westerse christendom even vreemd en exotisch geworden als het erfgoed van de Dajaks van Borneo, de Pygmeeën van Centraal Afrika of de Rapa Nui van Paaseiland.

De projectleider van ‘Geloven in Brabant’ vertelde mij dat hij onlangs op de Parade hier in ’s-Hertogenbosch een jongetje, wijzend naar de Sint-Jan, aan zijn vader hoorde vragen: ‘Pap, wat is dat voor een kasteel?’ Ik mag hopen dat het jongetje geen Bosschenaar was, maar uit Rosmalen of Vlijmen kwam; dat maakt het nog enigszins draaglijk. Een collega van mij ving onlangs een gesprek op tussen twee studenten. De ene droeg een rozenkrans als halssieraad, blijkbaar zonder te weten waarvoor dit voorwerp ooit gediend had. Haar vriendin wist haar te zeggen: ‘Ja leuk, hè, maar je hebt ze ook nog met een poppetje eraan.’ Een andere collega had als hoogleraar middeleeuwse geschiedenis een heel semester college gegeven over de verhouding tussen kerk en staat in de middeleeuwen. Tijdens het laatste college stak een studente de vinger op en vroeg aarzelend: ‘Meneer, die Jezus en die Christus waar u het vaak over gehad hebt, is dat eigenlijk dezelfde?’ Ze had het als een diepzinnige theologische vraag bedoeld kunnen hebben, maar ik vrees toch dat dit niet het geval was. Stuart Murray, een Britse theoloog die veel nadenkt en schrijft over de situatie van wat hij ‘Post-christendom’ noemt, vertelt de ervaring van een lerares in Londen die het kerstverhaal aan de kinderen vertelde, en toen zij had gezegd dat de pasgeboren baby de naam Jezus kreeg, zei een jongen hevig verbaasd: ‘Why did they give the baby a swear word for his name?’ De jongen kende ‘Jesus’ kennelijk alleen als uitroep of vloek, iets wat je zegt als je met je vingers tussen de deur komt.
De christelijke traditie raakt in vergetelheid; zij begint te behoren tot een historisch erfgoed waarvan steeds minder mensen nog actuele kennis dragen. De verhalen, symbolen, namen en gebruiken van het christendom maken niet langer deel uit van de vanzelfsprekende bagage van jonge Europeanen. Er is een generatie opgegroeid die zelfs niet meer ‘van huis uit’ iets met het christendom heeft.
Dit is de situatie bij het verdwijnen van de christenheid in West Europa: het christelijke verhaal raakt onbekend, kerken zijn voor velen exotische en wereldvreemde instituties geworden, christelijke instellingen verdwijnen of verliezen hun invloed in de samenleving.

Beide ontwikkelingen, zowel het krimpen van de religieuze instituties als het verdwijnen van de vertrouwdheid met de christelijke traditie, hebben te maken met de historische omwenteling die wij in de Westerse wereld momenteel meemaken. Die omwenteling is het geleidelijke – en daardoor soms niet direct opvallende – in elkaar storten van de christenheid. Wees gerust: ik ben niet bang dat het christendom als religieuze overtuiging in elkaar stort. Maar wat ik wel in elkaar zie storten, is het Westerse maatschappijtype waarin het christendom en de christelijke kerken een vanzelfsprekende en dominante plaats innamen. Anders gezegd: een samenleving en een cultuur waarin het christendom bijna zo vanzelfsprekend is als de lucht die je inademt. Dat maatschappijtype is ontstaan ten tijde van de kerstening van Europa, het is in de vroegmoderne tijd vanuit Europa naar andere continenten geëxporteerd en het heeft de Verlichting, de Franse Revolutie en de industrialisatie overleefd, zij het niet zonder kleerscheuren. Maar nu ligt het op sterven. We komen in een cultuurfase na de christenheid, na de christianitas, ‘Post-Christendom’, zoals de al geciteerde Stuart Murray het noemt.

Minder kerkelijk en anders religieus

De kerken en het christendom worden van het centrum van onze samenleving en cultuur naar de marge gedrukt. Kerk en christendom verliezen macht én gezag. Maar betekent het verdwijnen van de kerkelijkheid nu dan ook het verdwijnen van de religiositeit? Nee, dat is een denkfout die vaak wordt gemaakt, maar die door sociologisch onderzoek wordt gelogenstraft. De cultuur- en godsdienstsocioloog Joep de Hart, verbonden aan het Sociaal en Cultureel Planbureau en betrokken bij onderzoeken als Godsdienstige veranderingen in Nederland en God in Nederland, vatte de ontwikkeling die zich op levensbeschouwelijk gebied in ons land voordoet twee jaar geleden in een klein boekje kernachtig en misschien wat té kort door de bocht samen in de woorden: Meer geloof, minder kerk. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat twee derde – in het éne onderzoek, namelijk God in Nederland, 63 procent, en in het andere, dat van een groep godsdienstpsychologen, zelfs 71 procent - van de Nederlandse bevolking meer of minder regelmatig iets doet dat zij zelf bidden noemen. Mensen worden door het verdwijnen van de kerkelijkheid niet minder religieus, maar wel anders religieus. Zij zoeken voor hun levensbeschouwing niet meer vanzelfsprekend de gebaande paden van de kerkelijke traditie op, maar zoeken hun eigen weg. Sommigen noemen dat wat denigrerend ‘knutselreligiositeit’ of ‘religie à la carte’, anderen spreken van ‘postmoderne spiritualiteit’, ‘zoekreligiositeit’, ‘soloreligiositeit’of ‘levensbeschouwelijk eclecticisme’. Voor die ‘zoekreligiositeit’ putten mensen uit bronnen die uit de grote religieuze tradities voortkomen, die van het christendom en het jodendom, maar ook die van het Oosten of die van de islamitische Soefimystiek. Maar ook de beeldende kunst, de muziek, de poëzie, de natuur en de erotiek zijn in toenemende mate bronnen van religieuze inspiratie. Religieuze tradities zijn poreus geworden: mensen, ook zij die zich nog als kerklid beschouwen, stellen hun eigen menu samen. Glaube als Patchwork kopte het Duitse weekblad Der Spiegel in 2005 boven een artikel dat verslag deed van een onderzoek over kerk en religie in Duitsland, uitgevoerd naar aanleiding van het pausbezoek en de Wereldjongerendagen in Keulen. Mensen, binnen en buiten de kerken, zijn in hun religiositeit flexibel geworden. Zij zijn buigzame gelovigen geworden, pelgrims onderweg, zoekers. Het lijvige rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Geloven in het publieke domein, bracht twee jaar geleden deze zoekers buiten de kerken samen onder de noemer ‘ongebonden spirituelen’. In het onderzoek van de WRR was deze groep met 26 procent zelfs iets groter dan het aantal kerkelijke christenen.

Ik had het al gezegd: de tragiek van het historische faillissement van de volkskerken en van de christenheid zou van korte duur zijn. Want we hebben de andere kant van de medaille al gezien: door het afkalven van de institutionele religiositeit is een ander soort religiositeit tot ontwikkeling gekomen en zichtbaar geworden, een flexibele religiositeit. Of, om het in de woorden van de Amsterdamse antropoloog André Droogers te zeggen: religiositeit is als heilig spel herontdekt. Spelen is het tegelijk kunnen hanteren van meer werkelijkheden, bijvoorbeeld een zichtbare en een onzichtbare, de werkelijkheid van de feiten en die van de verbeeldingskracht, of de werkelijkheid van het heden samen met die van het verleden en de toekomst. Dat is wat in religiositeit gebeurt. ‘Er is’, aldus André Droogers, ‘in onze tijd, meer dan ooit tevoren, ruimte gekomen om zonder toezicht van bovenaf alternatieven uit te proberen, te proeven, te verkennen – en eventueel weer af te wijzen. Dankzij dit heilig spelen kan God van buiten naar binnen migreren.’ We worden in dit Jaar van het Religieus Erfgoed uitgedaagd religie weer opnieuw als een spel met meer werkelijkheden te ontdekken. De gebouwen en voorwerpen van het religieuze erfgoed vormen de knikkers van dit spel, en wij zijn allemaal samen de spelers. Religie is niet langer van de kerken alleen, ook niet in Noord-Brabant. Religie is van ons allemaal. Wij zijn allemaal spelers in het veld. Maar dan moeten wij er ook allemaal samen voor zorgen dat óók de knikkers bewaard blijven. En wij moeten de verhalen blijven doorvertellen die ons de regels van het spel aanreiken en doorgeven. We moeten de verhalen vertellen van de mensen die vóór ons het spel gespeeld hebben, het geloofsverhaal van de generaties die aan ons voorafgingen. Wat mij betreft wordt het Jaar van het Religieus Erfgoed vooral een jaar waarin we elkaar verhalen vertellen. Want alleen dan kan een monumentaal kerkgebouw in een Brabantse stad of dorp meer zijn zomaar een dak boven wat hoofden. Dan kan die kerk, die kapel, die synagoge, dat klooster worden, zoals het in de volgende regel van het bekende lied van Huub Oosterhuis heet, een ‘deur die naar stilte openstaat’.