De Nederlandse religieuzen en hun erfgoed

Nieuwjaarsbijeenkomst Konferentie Nederlandse Religieuzen, 16 januari 2008, ’s-Hertogenbosch

Morgen, donderdag 17 januari, zal in Utrecht door Mr. Pieter van Vollenhove het Jaar van het Religieus Erfgoed feestelijk worden geopend. De initiatiefnemers tot dit jaar zijn de Stichting Kerkelijk Kunstbezit Nederland, de provinciale steunpunten Monumentenzorg en Archeologie en de regionale erfgoedhuizen. Dat maakt al duidelijk aan welk erfgoed er gedacht wordt: aan monumenten en objecten van kunst, aan gebouwen dus en aan voorwerpen die in of rond die gebouwen gefunctioneerd hebben of nog functioneren, kortom, aan het materiële erfgoed. Met tal van activiteiten wil men het hele jaar door en in alle twaalf Nederlandse provincies de aandacht van het brede publiek vragen voor objecten van het religieuze erfgoed. Dat gebeurt in kerken en kloosters, in synagogen en moskeeën, op begraafplaatsen en in kloostertuinen, in musea en archiefbewaarplaatsen. De start is, zoals gezegd, in Utrecht, waar morgenavond om half zes de klokken van de Dom beginnen te luiden, om daarna door klokken in het hele land beantwoord te worden. De slotmanifestatie zal in december in de provincie Zeeland zijn.

De bedoeling van die activiteiten is in brede zin om de belangstelling voor en de kennis van het materiële religieuze erfgoed in Nederland te vergroten en in meer toegespitste zin om de samenleving en de overheid gevoelig te maken voor onze gemeenschappelijke en gedeelde verantwoordelijkheid voor de toekomst van dit erfgoed. Want daarover maken de initiatiefnemers zich, terecht, zorgen. Zij maken zich zorgen over de duurzame toekomst van het materiële religieuze erfgoed in Nederland.

Religieus erfgoed en kerkelijke krimp

Die zorgen hebben te maken met het feit dat de institutionele religie in de Nederlandse en in ruimere zin in de Westerse samenleving momenteel een ingrijpend veranderingsproces doormaakt. Dat veranderingsproces heeft interne gevolgen, dus binnen de religieuze instituties, en het heeft bredere maatschappelijke en culturele gevolgen, dus gevolgen voor de positie van de institutionele religie binnen de samenleving en de cultuur. Vertaald naar het christendom zou je kunnen zeggen: het veranderingsproces heeft binnenkerkelijke en buitenkerkelijke gevolgen. Die binnenkerkelijke gevolgen zijn – kort gezegd – dat de zorg voor het onderhoud van het religieuze erfgoed rust op de schouders van steeds kleiner wordende, vergrijzende en vooral ook armer wordende kerkgemeenschappen, krimpende kerken dus. Dat probleem geldt in mindere mate voor de 45 van de ruim 150 synagogen die in Nederland nog als gebedsruimte in gebruik zijn – daar ligt sinds de Shoa de zorg al langer op kleine en beproefde schouders – en in nog mindere mate voor de bijna 450 moskeeën en islamitische gebedsruimten die er in Nederland inmiddels zijn. Maar het geldt in zeer sterke mate voor de maar liefst 4.220 kerkgebouwen die in Nederland nog in functie zijn. Zij moeten onderhouden worden door parochies en kerkelijke gemeenten die vrijwel allemaal – op enkele evangelicale gemeenten na – hun ledental zien dalen en hun inkomsten en vermogen zien kelderen. Samenvoeging van parochies en wijkgemeenten, in protestants Nederland nog versterkt door de vorming van de PKN, zijn aan de orde van de dag, met sluiting en afstoting van kerkgebouwen als gevolg. Afbouw, bezuiniging, fusie en krimp lijken de toverwoorden in het overgeorganiseerde kerkelijke christendom in Nederland geworden te zijn. We horen die woorden in de rooms-katholieke bisdommen, waarvan er sommige aan de rand van het faillissement staan. We horen ze in de PKN, we horen ze bij remonstranten en doopsgezinden, we horen ze bij de Raad van Kerken, bij de kerkelijke vredesbeweging (waar Pax Christi en IKV ook niet alleen uit oecumenisch enthousiasme zijn samengegaan) en we horen ze in het katholieke organisatieveld, dat als maar kaler begint te worden door het verdwijnen van organisaties, van de Katholieke Raad voor Kerk en Samenleving tot Cura Migratorum. Bij gelegenheid van hun laatste ad liminabezoek aan Rome in 2004 noemden de Nederlandse bisschoppen zich, met enige pijn, zelfs ‘krimpmanagers’. De beleidsvisie waardoor dat krimpmanagement zich zou moeten laten leiden, heb ik overigens nog niet kunnen ontdekken, maar dat zal wel aan mij liggen.

Binnenkerkelijk komt de zorg voor het religieuze erfgoed dus voort uit de vaststelling dat de verantwoordelijkheid voor de instandhouding ervan op steeds minder, steeds zwakkere en steeds oudere schouders rust. Dat is niet lang meer vol te houden. Als de samenleving hecht aan het materiële erfgoed van de kerken en de andere religieuze instituties, bij voorbeeld omdat een kerkgebouw of klooster beeldbepalend is voor het aanzicht van het dorp of de stad, dan kan en mag de samenleving de zorg voor de instandhouding van dat erfgoed niet langer alleen aan de steeds kleiner wordende kerkgenootschappen overlaten. Nee, dan moet zij daar ook een bredere verantwoordelijkheid zien buiten het kerkelijke erf.

Na de christenheid

Daar doet zich echter het buitenkerkelijke gevolg voelen van het ingrijpende veranderingsproces dat de institutionele religie momenteel in ons deel van de wereld doormaakt. Dat gevolg is wat ik – misschien wat kort door de bocht – zou willen typeren als een groeiend religieus analfabetisme. Steeds minder mensen zijn vertrouwd met de betekenis, de functie, de achtergrond van het religieuze erfgoed. Zij kunnen het materiële erfgoed minder goed begrijpen omdat zij het immateriële erfgoed waarvan het de uitdrukking is, niet meer kennen. Anders gezegd: steeds minder mensen kennen de betekenis van religieuze symbolen en handelingen, steeds minder mensen zijn vertrouwd met de grote verhalen en de grote namen uit de religieuze traditie. Steeds minder mensen weten wat er zich afspeelt in een kerk of een synagoge, steeds minder mensen kunnen uitleggen wat zij zien als zij een schilderij, een glas-in-loodraam of een beeld zien. Steeds minder mensen weten welk soort teksten zij kunnen vinden op een Torarol, in een kanselbijbel of in een antiphonarium. Voor velen is het materiële erfgoed van het Westerse christendom even vreemd en exotisch geworden als het erfgoed van de Dajaks van Borneo, de Pygmeeën van Centraal Afrika of de Rapa Nui van Paaseiland.

Beide ontwikkelingen, zowel het krimpen van de religieuze instituties als het verdwijnen van de vertrouwdheid met de christelijke traditie, hebben te maken met de historische omwenteling die wij in de Westerse wereld momenteel meemaken. Die omwenteling is het geleidelijke – en daardoor soms niet direct opvallende – in elkaar storten van de christenheid. Wees gerust: ik ben niet bang dat het christendom als religieuze overtuiging in elkaar stort. Maar wat ik wel in elkaar zie storten, is het Westerse maatschappijtype waarin het christendom en de christelijke kerken een vanzelfsprekende en dominante plaats innamen. Anders gezegd: een samenleving en een cultuur waarin het christendom bijna zo vanzelfsprekend was als de lucht die je inademde. Dat maatschappijtype is ontstaan ten tijde van de kerstening van Europa, het is in de vroegmoderne tijd vanuit Europa naar andere continenten geëxporteerd en het heeft de Verlichting, de Franse Revolutie en de industrialisatie overleefd, zij het niet zonder kleerscheuren. Maar nu ligt het op sterven. We komen in een cultuurfase na de christenheid, na de christianitas, ‘Post-Christendom’, zoals de Britse theoloog Stuart Murray het noemt. De kerken en het christendom worden van het centrum van onze samenleving en cultuur naar de marge gedrukt.

Veranderingen in Nederland

Die teloorgang van de christenheid en van het institutionele christendom is vanaf het midden van de twintigste eeuw in Europa duidelijk zichtbaar geworden. De volkskerken brokkelen af, in het ene land wat later en wat langzamer dan in het andere. Bij de religietelling in 1809 waren er in Nederland bijvoorbeeld op een bevolking van ruim 2 miljoen slechts 295 mensen die niet tot een kerkgenootschap behoorden. Bij de volkstelling van 1879 behoorde nog steeds 99,7 procent van de Nederlanders tot een kerk. Nu is dat nog slechts eenderde van de Nederlanders. Meer dan zestig procent van de Nederlandse bevolking rekent zichzelf niet meer tot een kerk, moskee, synagoge, tempel of andere religieuze institutie. Van de overgebleven kerkleden is een steeds kleiner deel nog maar kerkganger: bezocht in de jaren zestig van de twintigste eeuw nog ongeveer tweederde van de rooms-katholieken een weekeindviering, nu doet dat – volgens de meest recente KASKI-gegevens, die over 2006 – nog slechts 7,5 procent. Ook andere vormen van participatie aan het kerkelijke leven nemen zienderogen af. Het aantal doopsels is in 2006 ten opzichte van het jaar daarvoor weer met vijf procent gedaald, het aantal kerkelijke huwelijken met acht procent, het aantal uitvaarten met drie procent en het aantal vrijwilligers met vier procent. De kerken vergrijzen en hebben moeite om nog jong personeel voor hun ambtelijke functies te vinden.

In hun strijd om het voortbestaan worden de kerkgenootschappen zelf van de weeromstuit meer gesloten en behoudend. Zij denken dat de openheid van de afgelopen decennia het ledenverlies alleen maar in de hand heeft gewerkt en zoeken daarom hun confessionele profiel weer te versterken. Dat leidt tot restauratieve tendensen en tot minder openheid tegenover de eigentijdse cultuur en tegenover elkaar, dus tot minder oecumene. Wie dat betreuren en wie snakken naar openheid en tolerantie, naar vrijzinnigheid en vrijmoedigheid zullen steeds gemakkelijker de institutionele kerk achter zich laten. Wie overblijven zijn vooral de rechtzinnigen en de gezagsgetrouwen. We zien dat in de PKN, waar de Gereformeerde Bond en de middenorthodoxie verhoudingsgewijs steeds meer invloed krijgen, zowel getalsmatig als in het beleid, en we zien het in de rooms-katholieke kerk in Nederland, waar met de benoeming van de nieuwe aartsbisschop de Romeinse restauratie die rond 1970 is ingezet nu min of meer voltooid is. Dat is althans het beeld dat men krijgt als men kijkt naar de officiële, institutionele kerk.

Minder kerkelijk en anders religieus

In de praktijk van alledag is het beeld genuanceerder. Kerkleiders zouden wel eens kunnen schrikken als ze wisten wat hun kerkleden werkelijk geloven en niet geloven. Veel kerkleden – en daaronder reken ik dan ook de zogenaamde half- en randkerkelijken - achten zich immers steeds minder gebonden aan de regels van hun eigen kerk. Hun geloofsopvattingen ontwikkelen zich vrij ten opzichte van de officiële leer van de kerkgenootschappen. Religieuze tradities zijn poreus geworden: mensen, ook zij die zich nog als kerklid beschouwen, stellen hun eigen menu samen. Glaube als Patchwork kopte het Duitse weekblad Der Spiegel in 2005 boven een artikel dat verslag deed van een onderzoek over kerk en religie in Duitsland, uitgevoerd naar aanleiding van het pausbezoek en de Wereldjongerendagen in Keulen. Mensen, binnen en buiten de kerken, zijn in hun religiositeit flexibel geworden. Dat is ook de gedachte achter de website Reliflex, eigenlijk een soort digitaal tijdschrift, dat een gezamenlijk initiatief van de IKON en het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving is.

En buiten de kerkmuren – vaak trouwens ook daarbinnen – blijken, zoals ik al eerder zei, de grote symbolen, rituelen, namen en verhalen van het christendom steeds minder bekend te zijn. De christelijke traditie raakt in vergetelheid; zij begint te behoren tot een historisch erfgoed waarvan steeds minder mensen actuele kennis dragen. De verhalen, symbolen, namen en gebruiken van het christendom maken niet langer deel uit van de vanzelfsprekende bagage van jonge Europeanen. Er is een generatie opgegroeid die zelfs niet meer ‘van huis uit’ iets met het christendom heeft.

Dit is de situatie bij het verdwijnen van de christenheid in West Europa: het christelijke verhaal raakt onbekend, kerken zijn voor velen exotische en wereldvreemde instituties geworden, christelijke instellingen verdwijnen of verliezen hun invloed in de samenleving. Het kerkelijke christendom wordt in Europa met een enorme legitimatiecrisis geconfronteerd. Kerk en christendom verliezen macht én gezag. Betekent het verdwijnen van de kerkelijkheid nu ook het verdwijnen van de religiositeit? Nee, dat is een denkfout die vaak wordt gemaakt, maar die door sociologisch onderzoek wordt gelogenstraft. De cultuur- en godsdienstsocioloog Joep de Hart, verbonden aan het Sociaal en Cultureel Planbureau en betrokken bij onderzoeken als Godsdienstige veranderingen in Nederland en God in Nederland, vatte de ontwikkeling die zich op levensbeschouwelijk gebied in ons land voordoet twee jaar geleden in een klein boekje kernachtig samen in de woorden: Meer geloof, minder kerk. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat 71% van de Nederlandse bevolking meer of minder regelmatig bidt. Mensen worden door het verdwijnen van de kerkelijkheid niet minder religieus, maar wel anders religieus. Zij zoeken voor hun levensbeschouwing niet meer vanzelfsprekend de gebaande paden van de kerkelijke traditie op, maar zoeken hun eigen weg. Ik heb het zojuist al gezegd: religiositeit is flexibel geworden. Sommigen noemen dat wat denigrerend ‘knutselreligiositeit’ of ‘religie à la carte’, anderen spreken van ‘postmoderne spiritualiteit’, ‘zoekreligiositeit’, ‘soloreligiositeit’of ‘levensbeschouwelijk eclecticisme’. Voor die ‘zoekreligiositeit’ putten mensen uit bronnen die uit de grote religieuze tradities voortkomen, die van het christendom en het jodendom, maar ook die van het Oosten – boeddhisme, hindoeïsme, Tao, Confucius – of die van de islamitische Soefimystiek. Maar ook blijken beeldende kunst, muziek, poëzie, de natuur en de erotiek in toenemende mate bronnen van religieuze inspiratie te zijn.

Religieuzen en hun erfgoed

Met deze ontwikkelingen zien ook de religieuzen zich geconfronteerd, zowel met de binnenkerkelijke en meer institutionele ontwikkelingen als met de buitenkerkelijke en meer culturele ontwikkelingen. Ook de religieuzen zien natuurlijk dat de kerk getalsmatig steeds kleiner wordt en ze merken dat in hoge mate in hun eigen gelederen. Bij nogal wat religieuze instituten is de aanwas nagenoeg gestokt, bij sommige al enkele decennia lang. Laten we de feiten onder ogen zien: van de religieuze instituten die in de KNR vertegenwoordigd zijn, zullen er heel wat over tien, twintig of dertig jaar volledig uit Nederland verdwenen zijn. Dat roept natuurlijk zorgen op ten aanzien van het materiële erfgoed. Voor de archieven en kunstvoorwerpen zijn inmiddels goede oplossingen bedacht, zoals het Erfgoedcentrum Nederlands kloosterleven in het klooster Sint Aegten te Cuijk-St. Agatha. Maar een moeilijk oplosbaar probleem is de zorg voor de gebouwen, waarvan de meeste inmiddels veel te groot zijn voor het aantal bewoners. Tegelijk vertegenwoordigen veel kloostergebouwen ook voor hun omgeving een grote waarde. Zij zijn beeldbepalend en karakteristiek. Ook ten aanzien van kloostergebouwen geldt daarom dat in dit Jaar van het Religieus Erfgoed de samenleving en de overheid gevoelig gemaakt moeten worden voor hun gedeelde verantwoordelijkheid. Als de samenleving graag heeft dat al dan niet monumentale kloostercomplexen in het straatbeeld behouden blijven, dan mag de samenleving de zorg daarvoor niet aan een kleine groep religieuzen overlaten, maar dan moet zij ook haar eigen rol in een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid willen spelen en haar eigen taak op zich willen nemen.

Maar religieuzen merken natuurlijk ook de vele andere veranderingen die ik eerder heb aangeduid, en die roepen vragen op ten aanzien van hun niet-materiële erfgoed. Die roepen vragen op ten aanzien van hun levenswijze, hun overtuiging, de bezieling van waaruit zij leven, de waarden die zij present willen stellen. Zij roepen vragen op ten aanzien van hun charisma en hun spiritualiteit, ten aanzien van hun evangelische inspiratie en hun soms eeuwenoude geleefde traditie. Ook religieuzen zien om zich heen dat de institutionele kerken niet alleen kleiner, maar ook behoudender worden, dat de teugels worden aangehaald en de gezagsverhoudingen strakker worden. Zij merken het omdat zij meemaken dat Nederlandse bisschoppen niet alleen een deel van hun nieuwe priesters, maar ook jonge religieuzen van elders in de wereld importeren, die het religieuze leven volgens een veel traditioneler patroon leven dan het patroon dat zich in de afgelopen halve eeuw hier in Nederland heeft ontwikkeld. Zij zien jonge vrouwen en mannen uit andere landen en continenten, vaak lid van nieuwe religieuze bewegingen, die trouw zijn aan het kerkelijk gezag, strak zijn in de leer en vaak ook al even strak in het habijt zitten. Dat roept vragen op: wat is de kern van het religieuze leven? Hebben wij ons vergist? Hebben wij het de afgelopen decennia verkeerd gedaan? Hebben wij ons erfgoed te grabbel gegooid? Dat zijn vragen die vooral voor oudere religieuzen heel confronterend en soms ook pijnlijk kunnen zijn.

Een restauratieve kerk

Toch denk ik dat de confrontatie met jonge, behoudende importreligieuzen maar een miniem probleem is in vergelijking tot de confrontatie met de institutionele ontwikkelingen in de kerk als geheel. Veel orden en congregaties hebben zich in de afgelopen eeuw, in de tijd van de verzuiling en het Rijke Roomse Leven, laten inzetten voor de belangen van de institutionele kerk, soms zelfs met een zekere begerigheid. De vraag waar en in welke contexten hun eigen charisma het beste tot zijn recht kon komen was daarbij doorgaans ondergeschikt aan de macht van het getal. Als de ene congregatie al drie ziekenhuizen had, wilde de andere er vier; bediende de ene orde tien parochies, dan wilde de andere orde er wel twintig; werkte de ene congregatie al in Nederlands Indië, dan mocht de andere niet achterblijven; en had de ene orde al een gymnasium in Nijmegen, dan begon ook de andere orde er een. Orden en congregaties leverden daarmee dankbaar en goedkoop dienstpersoneel voor de gevestigde kerk.

Maar nu zien zij die gevestigde kerk langzaam in elkaar schrompelen en wat ervan overblijft, wordt steeds restauratiever. Die ontwikkeling roept de prangende vraag op: waar blijft in die gekrompen en gesloten kerk het eigen charisma van de religieuzen? Waar blijft hun eigenzinnigheid? Waar hun vrijmoedige getuigenis? Laten zij zich de mond snoeren omdat zij nog maar met weinigen zijn? Nee, gelukkig niet. Zij laten zich horen. De dominicanen hebben een moedig woord laten horen in een brochure over Kerk en ambt, die zij eind augustus 2007 naar alle rooms-katholieke parochies in Nederland hebben gestuurd. Maar we weten allemaal hoe er vervolgens door de bisschoppen en door het generale bestuur van de orde op gereageerd is. Op 27 september van het afgelopen jaar stuurden de besturen van een heel aantal orden, congregaties en religieuze leefgemeenschappen in Nederland – 73 in totaal - een open brief aan de Nederlandse bisschoppen, opnieuw een vrijmoedig getuigenis, ingegeven door ‘bezorgdheid om bepaalde ontwikkelingen binnen onze kerkprovincie en ook daarbuiten, waardoor de vitaliteit en aantrekkingskracht van de kerkgemeenschap in gevaar dreigen te komen’. Maar even interessant is welke besturen de brief niet hebben ondertekend. En de brief haalde wel de kolommen van VolZin maar niet die van rk.kerk.nl, en toen ik hem via internet nog eens wilde opzoeken, vond ik hem niet op de site van de KNR, maar wel op die van rk-kerkplein.org, een site van kritische katholieken.

Het is belangrijk dat religieuzen, met hoe weinigen zij ook zijn, hun stem verheffen tegen de restauratieve tendensen in de kerk in Nederland. Zij zijn dat verplicht aan hun traditie. Zij hebben altijd een eigen stem in de kerk gehad, zij hebben altijd nieuwe wegen gezocht waar de hiërarchische structuren dat leken tegen te houden, zij hebben in het verleden antwoorden gegeven op vragen en noden waar de gevestigde kerk geen antwoord op had. Zij moeten zich dus ook nu blijven laten horen, ook al lopen zij het risico dat hun geluid als een zwanenzang wordt afgedaan.

Religieuzen en hun immateriële erfgoed

Maar laten zij vooral niet al hun energie steken in de restanten van de kerkelijke instituties. Daarvoor is hun immateriële erfgoed te kostbaar en te belangrijk. Het mag niet verloren gaan in kerkelijke achterhoedegevechten. Want er is nood in onze samenleving en in onze cultuur aan de waarden waar religieuzen voor staan. Ook religieuzen zien immers om zich heen dat de cultuur van de ‘post-christenheid’ lijdt aan een soort van cultureel geheugenverlies, waardoor de vertrouwdheid met de tradities van het religieuze leven afneemt. Maar tegelijk zien zij om zich heen dat mensen op zoek zijn naar bezieling, naar zingeving, naar waarden, naar diepgang, naar spiritualiteit, naar stilte, naar verbondenheid. De combinatie van enerzijds het religieuze analfabetisme dat oprukt en anderzijds de spirituele zoektocht van ongebonden zinzoekers vraagt, ja schreeuwt mijns inziens om de inzet, juist ook buiten het kerkelijke erf, van het immateriële erfgoed dat religieuzen te bieden en door te geven hebben.

Laat ik, voor ik dat immateriële erfgoed ga aanwijzen, eerst zeggen dat ik natuurlijk ook wel weet dat de werkelijkheid vaak anders is geweest dan het ideaal. Ik wil van religieuzen geen heiligen maken, althans niet van alle religieuzen, en ik wil hun erfgoed niet idealiseren. Als we zeggen dat religieuzen in onderwijscongregaties geleid werden door aandacht voor het kind, dan moeten we ons ook realiseren dat die aandacht in sommige internaten van religieuzen ontaardde in gevallen van – soms zelfs jarenlang - seksueel misbruik. Sommige Zusters van Liefde werden door hun pupillen ervaren als krengen van barmhartigheid. De omgang met andere culturen werd bij een aantal missionarissen gedicteerd door een hautain besef van culturele en religieuze meerderwaardigheid. Dit alles is ook een deel van de geschiedenis van religieuze instituten. Ik moet het als historicus benoemen en analyseren, maar het is goed en belangrijk dat ook de erfgenamen van de religieuze instituten dit zelf doen.

Wat zijn dan die waarden die religieuzen aan onze hedendaagse samenleving en onze eigentijdse cultuur te bieden hebben? Wat is dan dat immateriële erfgoed van de Nederlandse religieuzen? Ik zie het vooral op vier terreinen liggen, en ik acht die van belang niet omdat ze historisch interessant zijn, maar omdat ze een actuele relevantie hebben.

Vier erfgoedterreinen

Een eerste terrein is dat van de omgang met culturele diversiteit. Dat is een terrein waarop vooral missionaire orden en congregaties de nodige ervaring hebben. Veel missionarissen hebben geleerd om te gaan met verschillen in taal, in cultuur, in religie, in levenswijze, in voeding en kleding, in omgangsvormen. Zij kunnen ons, vandaag, in ons multiculturele Nederland, leren wat het betekent om in een heel ander land en een heel andere cultuur terecht te komen, temidden van mensen die je niet verstaat en die je nog minder begrijpt, temidden ook van mensen die je argwanend en afwachtend op afstand houden. Zij kunnen hun ervaringen in het omgaan met culturele diversiteit aan ons doorgeven en ons lessen aanreiken in tolerantie, in geduld, in respect en in aanpassingsvermogen. Een geslaagde vorm waarin dit momenteel gebeurt, is het project Jongeren & Missie. Ik zeg dit niet zomaar, maar als vader van een dochter die het afgelopen jaar een hele tijd in Oeganda in een door zusters geleid weeshuis heeft meegeleefd en die daar voortreffelijk is begeleid door een Nederlandse Mill Hiller en hier in Nederland goed is voorbereid door enkele dagen mee te maken in religieuze leefgemeenschappen als de Hoogstraatgemeenschap in Eindhoven en Hircos in de Haagse Schilderswijk.

Een tweede terrein waarop het immateriële erfgoed van religieuzen ligt, is dat van de barmhartige nabijheid bij mensen. Religieuzen hebben op dat terrein ervaring opgedaan in de ziekenzorg en de verpleging, in de opvang van weeskinderen en thuislozen, maar ook in het aanbieden van onderwijs en vorming. Zij zijn in de caritas en het onderwijs werkzaam geweest niet om een dik salaris te verdienen en niet om carrière te maken, maar omwille van de concrete mens, jong of oud, die om aandacht en zorg vraagt. En daarbij stond voor hen niet die mens als zieke, als leerling, als patiënt of cliënt voorop, niet die mens in slechts één functioneel aspect van zijn identiteit, maar die mens als mens, in zijn heelheid én in zijn kleinheid. Die houding van barmhartige nabijheid bij een mens die aandacht en toewijding verdient, kan mensen die momenteel in de wereld van de zorg of het onderwijs werken, op weg helpen naar bezieling, naar zin in hun werk.

Een derde terrein waarop religieuzen een grote expertise hebben, is dat van de zorg voor de ziel. De orden en congregaties kennen allemaal hun eigen traditie van spiritualiteit, de een wat meer uitgesproken dan de ander. Zij beschikken over soms wel eeuwen aan spirituele ervaring en hebben een grote voorraadschuur volgeladen met teksten en getuigenissen uit het verleden. Door de deuren van die voorraadschuur wijd open te zetten, kunnen religieuzen in onze tijd van grote betekenis zijn voor de vele zinzoekers, de soloreligieuzen en de postmoderne pelgrims, die op zoek zijn naar inspiratie en verdieping, naar stilte en toewijding, naar vormen van aandachtig en geconcentreerd leven, naar stijlen van bidden en mediteren, ja, naar het geheim van hun leven. Belangrijk daarbij is dat religieuzen zich inzetten om ook op dit punt hun diversiteit aan de wereld te laten zien. Veel mensen krijgen bij het woord kloosterleven namelijk onmiddellijk het beeld van een stille abdij op het platteland, waar bier gebrouwen wordt en zelfgebakken brood wordt gegeten, en waar vooral mooi gezongen wordt in oude eiken koorbanken en waar vader abt als een goeroe wijze woorden spreekt. Maar kloosterleven is meer dan monastieke romantiek. Kloosterleven is ook het leven delen van mensen aan de marge van de samenleving, is onderdak bieden aan jeugdige ex-delinquenten en uitgeprocedeerde asielzoekers, is een bijstandsmoeder helpen bij het invullen van formulieren, is met een Irakees meegaan naar de IND en daar tolk voor hem spelen. En ook daarin wordt spiritualiteit gevonden, ook daarin liggen toewijding en aandacht, ook dat kan niet zonder zin en bezieling, ook daarin wordt het Geheim beleefd.

Het vierde terrein ten slotte waarop religieuzen een immaterieel erfgoed door te geven hebben, is dat van het vrijmoedige getuigenis. Religieuzen hebben in de geschiedenis van de kerk met enige regelmaat een eigen geluid laten horen. Zij hebben hun stem in vrijheid en vrijmoedigheid verheven als zij dachten dat dit nodig was, en zij lieten, gebruikmakend van een zekere kerkrechtelijke autonomie, woorden horen die de heersers van kerk en samenleving niet altijd welgevallig waren. Zij hadden en hebben een eigen positie, een eigen verantwoordelijkheid en ook een eigen vrijheid in de kerk. Religieuzen horen geen paladijnen van de kerkelijke hiërarchie te zijn – hetgeen niet wegneemt dat zij het in het verleden vaak toch waren -. Zij waren en zijn krachtens hun professie geroepen om te luisteren naar en gehoor te geven aan wat er leeft in hun eigen harten en in die van anderen, te luisteren ook naar de tekenen van de tijd. En die luisterbereidheid, die gehoorzaamheid van religieuzen vraagt van hen soms ongehoorzaamheid, ongehoorzaamheid namelijk tegenover wetten en regelingen die mensen onrecht aandoen en ongehoorzaamheid tegenover overheden die mensen kleineren. Die ongehoorzaamheid kan gestalte krijgen in een vrijmoedig en onverbloemd spreken van de religieuzen. Dat is wat de dominicanen eind augustus 2007 hebben gedaan en de 73 besturen van religieuzen eind september van het afgelopen jaar: een vrijmoedig en onverbloemd getuigenis afleggen.

Hoe kan het erfgoed doorgegeven worden?

Hoe kunnen religieuzen ervoor zorgen dat dit immateriële erfgoed niet verloren gaat? Om te beginnen door te zorgen dat er minstens her en der kleine leefgemeenschappen van religieuzen blijven bestaan. Dat kunnen en zullen in Nederland nauwelijks nog traditionele kloostergemeenschappen zijn, behalve misschien in de conventen van geïmporteerde buitenlandse religieuzen. Maar dat is ook niet erg. Het is volgens mij namelijk hoog tijd om na te denken over nieuwe vormen van commitment aan een leefgemeenschap. Waarom moet een keuze voor een religieuze leefgemeenschap meteen een keuze voor het leven of zelfs voor de eeuwigheid zijn? Ik stel mij voor dat in de religieuze leefgemeenschappen van de toekomst om te beginnen niet alleen maar mensen van één orde of congregatie wonen, maar mensen die uit verschillende tradities van spiritualiteit en toegewijd leven kunnen putten, maar dat daar bovendien ook mensen wonen die zich niet voor het leven, maar voor een bepaalde periode met de gemeenschap verbinden, zoals in het boeddhistische kloosterleven heel gebruikelijk is. En al zeker hoeft die gemeenschap niet alleen te bestaan uit mensen die in kerkrechtelijke zin helemaal, met professie en al, tot een orde of congregatie behoren, maar ook uit mensen die zonder levenslange juridische verbintenis toch willen leven vanuit een bepaalde spirituele traditie. Rondom verschillende orden en congregaties zijn inmiddels bewegingen ontstaan van mensen, vrouwen en mannen, gehuwd en ongehuwd, die zich met de traditie, de spiritualiteit, het charisma van die orde of congregatie verbonden weten zonder in de volle kerkrechtelijke zin van het woord lid te zijn. Ik denk dan aan bewegingen als Scala, de Franciscaanse Beweging, de Don Bosco Groep, de Dominicaanse Lekengemeenschap, de Leken Maristen, de Bondgenoten van de SCJ of geassocieerden die met een specifieke religieuze gemeenschap verbonden zijn, zoals de Abdij van Berne en priorij Emmaus te Maarssen. In het leggen van contacten tussen en het adviseren en ondersteunen van deze nieuwe vormen van religieuze verbondenheid zie ik voor de nabije toekomst een van de belangrijkste taken voor de KNR.

Om het immateriële erfgoed van religieuzen te kunnen doorgeven is het dus allereerst belangrijk dat er plekken blijven waar – in een vernieuwde vorm en misschien wel buiten de kaders van wat het kerkelijke recht al kent – religieus gemeenschapsleven wordt voorgeleefd. Dat zullen kleine gemeenschappen zijn, vaak marginaal en zonder veel opsmuk, zoals de kerk van de toekomst klein, marginaal en zonder veel opsmuk zal zijn. Maar zij zullen gastvrij en vrijmoedig zijn, zoals ook de kerk van de toekomst dat zal moeten zijn, wil zij aan de uitdaging van het evangelie en aan het voorbeeld van Jezus van Nazaret beantwoorden.

Maar om het immateriële erfgoed van religieuzen veilig te stellen, het door te geven en het te kunnen delen met anderen, is meer nodig. Om te beginnen is daarvoor nodig dat het erfgoed verzameld wordt. Daarmee bedoel ik dat het nodig is de expertise van religieuzen op de terreinen die ik noemde, zoals omgang met diversiteit, barmhartige nabijheid, zorg voor de ziel en vrijmoedig getuigenis, vast te leggen en erover na te denken. Plekken van reflectie dus op het immateriële erfgoed van religieuzen. Ik denk dan aan de betrokkenheid van religieuzen bij instituten als het Nijmeegs Instituut voor Missiologie, het Titus Brandsma Instituut, het Franciscaans Studiecentrum en het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving. Religieuzen zouden in dit Jaar van het Religieus Erfgoed kunnen nadenken hoe zij ook voor andere elementen uit hun erfgoed – ik denk dan aan hun ervaring met barmhartige nabijheid in caritas en onderwijs en aan hun traditie van vrijmoedig getuigenis – zorg zouden kunnen dragen dat hun expertise wordt vastgelegd en doorgegeven. Dat kan door betrokkenheid bij nieuwe of bestaande instituten of soortgelijke plekken van reflectie. Daar kunnen de decennia, soms zelfs eeuwen van ervaring van religieuzen ingebracht worden in eigentijdse vormen van studie, bezinning en reflectie, kunnen zij verzameld en doorgegeven worden en vruchtbaar gemaakt worden voor nieuwe generaties, binnen maar vooral ook buiten de religieuze instituten zelf.

Voor dat laatste is echter nog iets anders nodig. Religieuzen moeten mogelijkheden creëren voor mensen buiten hun traditie om met hun erfgoed in aanraking te komen. Zij moeten hun voorraadschuren openstellen, zij moeten als het ware met hun erfgoed de markt op gaan. Dat kan op vele manieren. Het project Jongeren & Missie vind ik een geslaagde manier om jonge mensen van deze tijd in aanraking te brengen met de ervaring van religieuzen in de omgang met culturele diversiteit. Datzelfde geldt voor een project als Zin in Werk of voor een dag als die over ‘Stilte Verbondenheid Bezieling’, die op 3 oktober 2007 in de Vereeniging te Nijmegen plaatsvond.

Belangrijk is dat aan deze activiteiten continuïteit wordt gegeven, dat er op een manifestatie als de Stiltedag of een Open Kloosterdag een vervolg komt, dat mensen die meer willen weten of zich verder willen verdiepen, ook de weg kunnen vinden en dat zij goed geïnformeerd en gastvrij ontvangen worden. Dan kunnen religieuze leefgemeenschappen plekken van gastvrijheid worden, waar het erfgoed van het verleden levend blijft. Want aan religieuze fossielen heeft niemand iets, maar wel aan vruchten van religieus leven waaruit nieuwe levenskracht geput kan worden. Dat het erfgoed van de Nederlandse religieuzen zulke vruchten mag voortbrengen, wens ik u en ons allen in dit Jaar van het Religieus Erfgoed van harte toe.