Voorbij de volkskerk. Kerk zijn na de christenheid

Bij de feestelijke heropening van de Catharinakerk te Eindhoven
24 november 2007

Uw prachtige Catharinakerk, die dit weekeinde na een grondige opknapbeurt weer opnieuw in gebruik wordt genomen, herinnert aan een tijdperk dat bezig is te verdwijnen: het tijdperk van de Europese christenheid. Toen Pierre Cuypers, de beroemde uit Roermond afkomstige architect, die dit jaar – niet eens een eeuwfeest, maar zijn 180ste geboortejaar – door middel van tentoonstellingen, boeken, wandelroutes en zelfs een musical in de belangstelling geplaatst wordt, deze kerk bouwde, dus tussen 1858 (toen begon Cuypers met het eerste ontwerp) en 1867, had de kerk in Nederland – en voor het zuiden mogen we dan zeggen: de rooms-katholieke kerk – een vanzelfsprekende centrale plaats in de samenleving. De situering van de Catharinakerk, op een plaats midden in de stad, een plaats waar al vanaf de middeleeuwen gekerkt wordt, symboliseert dat.

Met die situering was Cuypers wel niet helemaal gelukkig, want door de ligging van de kerk op een straathoek kon zij niet georiënteerd, dus met het koor op het oosten gericht worden. Cuypers probeerde bij de Bossche bisschop Zwijsen nog gedaan te krijgen dat hier iets aan veranderd werd, maar Zwijsen, nuchter als hij was, had niet veel op met dit soort symboliek.[1] Desalniettemin verscheen op die straathoek een stadskerk met kathedrale allure, een ontwerp, zoals het genoemd werd, vol ‘stoutheid en losheid’. Met haar dubbeltorens, haar drie portalen, haar luchtbogen en overdaad aan roos- en radvensters, werd de Catharinakerk Cuypers’ ‘echo van de kathedralen van Chartres en Reims’.[2] Even wekt het gebouw de indruk alsof er vanaf de Middeleeuwen niets veranderd is.

Wij weten dat het anders is. De tijd van de middeleeuwse kathedralen is voorbij, maar ook de tijd van de vanzelfsprekende kerkelijkheid zoals die in Cuypers’ dagen nog was. In West Europa voltrekt zich sinds enkele decennia een omwenteling van enorme historische importantie: het einde van de christenheid.[3] We zien het allemaal om ons heen gebeuren. En toch valt het vooral kerkbetrokken mensen niet mee het toe te geven. Want het zou kunnen lijken dat wij dan onheilsprofeten zijn die, door het hardop te zeggen, zelf het einde van de christenheid over onze wereld willen afroepen. Of we zouden de verdenking op ons kunnen laden geen heil meer te zien in het christelijke geloof en geen toekomst meer te zien voor de christelijke kerken.

Laat daarom eerst en vooral gezegd zijn dat het einde van de christenheid niet het einde is van het christendom. Met de christenheid wordt namelijk niet het christendom als geloofstraditie bedoeld (wat in het Engels Christianity heet), maar de culturele en maatschappelijke constellatie waarin dat christendom een vanzelfsprekende en centrale plaats inneemt. Die constellatie is datgene wat in het Engels met Christendom wordt aangeduid en in het Latijn met christianitas.[4] Het gaat bij de christenheid dus niet primair om een geloofsovertuiging of een geloofsgemeenschap, maar om een maatschappijtype en een cultuur waarin die overtuiging – het christelijke geloof - en die gemeenschap – de kerken dus - een bepalende, ja zelfs dominante rol vervullen op een veelheid van terreinen. Dat maatschappijtype, die cultuur nadert haar einde. Eigenlijk weet iedereen het, maar slechts weinigen durven het, zeker binnen de kerken, uitdrukkelijk te zeggen: de tijd van de vanzelfsprekende christenheid en van de volkskerken is in Europa zo goed als ten einde.[5] We komen in een situatie die als postchristenheid is aan te duiden, een situatie waarin het christendom en de kerken van het centrum naar de marge zijn verdrongen. En opnieuw: die situatie is daarmee nog niet postchristelijk. Zij daagt het christendom en de christelijke kerken wel uit tot een fundamentele bezinning.[6]

 

Licht en schaduw van de christenheid

Het einde van de christenheid betekent het einde van een ongeveer anderhalf millennium oude epoche in de geschiedenis van Europa waarin de christelijke kerken de cultureel bepalende krachten in de Westerse samenleving waren, een epoche waarin kerk, staat en samenleving een soort vanzelfsprekende drie-eenheid vormden en een epoche waarin de kerken een geprivilegieerde positie en status in de samenleving hadden. Zij werd voorbereid vanaf de vierde eeuw. In die eeuw werd het Romeinse Rijk ‘gekerstend’, een ontwikkeling die begon onder keizer Constantijn en die in 380 uitmondde in de verheffing door keizer Theodosius I van de christelijke geloofsbelijdenis – bedoeld was die van het Concilie van Nicea – tot rijkswet en daarmee van het christendom tot staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Dat rijk was overigens niet het eerste waar het christendom, dat er tot 313 nog als een illegale godsdienst (religio illicita) had gegolden, staatsgodsdienst werd; Armenië was Rome daar in het begin van diezelfde vierde eeuw al in voorgegaan.

Er groeide nu een symbiose, een heilig verbond, ja een soort triniteit van kerk, staat en samenleving: de samenleving werd een christelijke, de staat beschermde die christelijke samenleving en de kerk bepaalde in die christelijke samenleving de toon en schreef de waarden en de normen voor. De kerk kreeg nu tal van privileges en vrijheden in staat en samenleving. Bisschoppen en priesters werden staatsambtenaren. Zij konden invloed uitoefenen op bestuur en rechtspraak. Op zijn beurt wilde de vorst zijn invloed laten gelden in de wereld van kerk en geloof, tot in de beslechting van theologische discussies toe. De christelijke kerk werd georganiseerd naar het model van het Romeinse Rijk. In de christelijke eredienst deden symbolen en attributen van de keizerlijke hofcultuur hun intrede, van de wierook tot de kleding van de voorganger. De kerk op haar beurt kon haar vleugels uitslaan: theologie, liturgie, kerkenbouw, christelijke kunst en literatuur konden tot bloei komen. Ook kon de kerk haar humaniserende invloed in de samenleving laten gelden: de wetgeving werd menselijker, er kwam zorg voor zieken en zwakken en opvang voor vreemdelingen, armen, wezen en weduwen. De bloei van de christenheid kende dus zonder twijfel licht- en schaduwzijden.

Haar grote verbreiding over Europa kreeg het samenlevingstype van de christenheid ten tijde van de kerstening van de Germaanse volkeren in de vroege middeleeuwen. Die kerstening was er een van collectieve overgangen naar de nieuwe godsdienst, in het kielzog van de militaire successen van de inmiddels gekerstende volkeren. Een onderworpen volk nam de godsdienst van de overwinnaar over: het christendom. De God van de christenen werd de nieuwe stamgod. Alleen de vorsten hadden te beslissen over de religie van het volk. Van hun onderdanen werd geen individuele bekering gevraagd. De overgang naar het christendom was het resultaat van een van boven opgelegde, afgedwongen collectieve ‘bekering’. En wie in een gekerstend volk geboren werd, werd als het ware al in de kerk geboren. De kinderdoop werd de gewone toegang tot de christelijke geloofsgemeenschap. En die geloofsgemeenschap viel samen met de etnische en politieke gemeenschap: de volkskerk. Er ontstond een sociaal monisme. Niet langer was er een dualisme tussen kerk en staat of kerk en samenleving. Niet langer ook kon de kerk gemakkelijk een kritisch tegengeluid laten horen. Zij viel samen met de gevestigde orde. De belangen van die orde waren ook haar belangen.

Natuurlijk was de eenheid van de christenheid niet zonder schermutselingen. Heel de middeleeuwen door liep er bijvoorbeeld de strijd over de vraag wie nu echt de baas was in die christenheid: de paus of de keizer. Er waren spanningen tussen wereldlijke en kerkelijke macht, tussen regnum et sacerdotium. Maar zij tastten de fundamenten van de christenheid niet aan. Datzelfde is het geval met de tegengeluiden die ook in die christenheid klonken: de kerkelijke godsvredebeweging, die de strijdlust van de adel en de vorsten aan banden wilde leggen en de weerlozen wilde beschermen; de armoedebeweging, die de kerk opriep tot evangelische soberheid en tot solidariteit met de paupers; asceten en mystici, die tegenover de wereld van macht en pracht die van soberheid en innerlijkheid stelden. Maar zij waren uiteindelijk toch slechts randverschijnselen, die de vanzelfsprekendheid van de christenheid – vanaf de zestiende eeuw als gevolg van de Reformatie in meervoud: de christenheden – niet ondermijnden.

Dat laatste zouden zelfs de Verlichting, de Franse Revolutie en de industriële revolutie niet doen. Wel werd de constellatie aangepast door de doorvoering van de scheiding van kerk en staat: de twee kwamen op zekere afstand van elkaar te staan. De staatsoverheid greep niet meer direct in het kerkelijke leven en in theologische discussies in. Kerken verloren hun monopoliepositie in de staat. Maar in de christelijke zuilen, op het niveau dus van de subculturen in de Europese samenleving, werd het model van de christenheid voortgezet. Daar, in die zuilen, hield het christendom zijn vanzelfsprekende centrale plaats en oefende het zijn invloed uit in tal van domeinen van de samenleving. En binnen de zuilen wisten de kerken hun greep op de gelovigen zelfs nog te versterken, met een hoge graad van kerkelijkheid en kerksheid als gevolg, voor Nederland en Vlaanderen wel aangeduid als ‘het Rijke Roomse leven’. Daardoor behield het christendom zeker tot het midden van de twintigste eeuw zijn centrale en vanzelfsprekende positie in de Europese samenleving.  

 

Van ontkenning tot veroordeling

Vanaf het midden van de twintigste eeuw werd de teloorgang van de christenheid in Europa duidelijk.[7] De volkskerken brokkelen af, in het ene land wat later en langzamer dan in het andere. Bij de religietelling in 1809 waren er in Nederland op een bevolking van ruim 2 miljoen slechts 295 mensen die niet tot een kerkgenootschap behoorden. Bij de volkstelling van 1879 behoorde nog steeds 99,7 procent van de Nederlanders tot een kerk. Nu is dat nog slechts eenderde van de Nederlanders. Meer dan zestig procent van de Nederlandse bevolking rekent zichzelf niet meer tot een kerk, moskee, synagoge, tempel of andere religieuze institutie. Van de overgebleven kerkleden is een steeds kleiner deel ook nog kerkganger: bezocht in de jaren zestig van de twintigste eeuw nog ongeveer tweederde van de rooms-katholieken een weekeindviering, nu doet dat – volgens de KASKI-gegevens over 2005 – nog slechts een magere acht procent.[8] Ook andere vormen van participatie aan het kerkelijke leven nemen zienderogen af. De kerken vergrijzen en hebben moeite om nog jong personeel voor hun ambtelijke functies te vinden. Kerkleden achten zich steeds minder gebonden aan de regels van hun eigen kerk. Hun geloofsopvattingen ontwikkelen zich vrij ten opzichte van de officiële leer van de kerkgenootschappen. Religieuze tradities zijn poreus geworden: mensen, ook zij die zich nog als kerklid beschouwen, stellen hun eigen menu samen. Glaube als Patchwork kopte het Duitse weekblad Der Spiegel in 2005 boven een artikel dat verslag deed van een onderzoek over kerk en religie in Duitsland, uitgevoerd naar aanleiding van het pausbezoek en de Wereldjongerendagen in Keulen.[9]

En buiten de kerkmuren – vaak trouwens ook daarbinnen – blijken de grote symbolen, rituelen en verhalen van het christendom steeds minder bekend te zijn. De christelijke traditie raakt in vergetelheid; zij begint te behoren tot een historisch erfgoed waarvan steeds minder mensen actuele kennis dragen. Een van de plaatsen waar dat goed te merken is, is het onderwijs. Een collega van mij ving onlangs een gesprek op tussen twee studenten. De ene droeg een rozenkrans als sieraad, blijkbaar zonder te weten waarvoor dit voorwerp ooit gediend had. Haar vriendin wist haar te zeggen: ‘Ja leuk, maar je hebt ze ook nog met een poppetje eraan.’ Een andere collega had als hoogleraar middeleeuwse geschiedenis een heel semester college gegeven over de verhouding tussen kerk en staat in de middeleeuwen. Tijdens het laatste college stak een studente de vinger op en vroeg aarzelend: ‘Meneer, die Jezus en die Christus waar u het vaak over gehad hebt, is dat eigenlijk dezelfde?’ Ze had het als een diepzinnige theologische vraag bedoeld kunnen hebben, maar ik vrees toch dat dit niet het geval was. Stuart Murray verhaalt de ervaring van een lerares in Londen die het kerstverhaal aan de kinderen vertelde, en toen zij had gezegd dat de pasgeboren baby Jezus heette, zei een jongen: ‘Why did they give the baby a swear word for his name?’[10] De jongen kende ‘Jesus’ kennelijk alleen als uitroep of vloek. De verhalen, symbolen, namen en gebruiken van het christendom maken niet langer deel uit van de vanzelfsprekende bagage van jonge Europeanen. Er is een generatie opgegroeid die zelfs niet meer ‘van huis uit’ iets met het christendom heeft.

Dit is de situatie bij het verdwijnen van de christenheid in West Europa: het christelijke verhaal raakt onbekend, kerken zijn voor velen exotische en wereldvreemde instituties geworden, christelijke instellingen verdwijnen of verliezen hun invloed in de samenleving. Het kerkelijke christendom wordt in Europa met een enorme legitimatiecrisis geconfronteerd. Kerk en christendom verliezen macht én gezag. Betekent het verdwijnen van de kerkelijkheid nu ook het verdwijnen van de religiositeit? Nee, dat is een denkfout die vaak wordt gemaakt, maar die door sociologisch onderzoek wordt gelogenstraft. De cultuur- en godsdienstsocioloog Joep de Hart, verbonden aan het Sociaal en Cultureel Planbureau en betrokken bij onderzoeken als Godsdienstige veranderingen in Nederland en God in Nederland, vatte de ontwikkeling die zich op levensbeschouwelijk gebied in ons land voordoet vorig jaar in een klein boekje kernachtig samen in de woorden: Meer geloof, minder kerk.[11] Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat 71% van de Nederlandse bevolking meer of minder regelmatig bidt.[12] Mensen worden door het verdwijnen van de kerkelijkheid niet minder religieus, maar wel anders religieus. Zij zoeken voor hun levensbeschouwing niet meer vanzelfsprekend de gebaande paden van de kerkelijke traditie op, maar zoeken hun eigen weg. Sommigen noemen dat wat denigrerend ‘knutselreligiositeit’ of ‘religie à la carte’, anderen spreken van ‘postmoderne spiritualiteit’, ‘zoekreligiositeit’, ‘soloreligiositeit’of ‘levensbeschouwelijk eclecticisme’.[13] Voor die ‘zoekreligiositeit’ putten mensen uit bronnen die uit de grote religieuze tradities voortkomen, die van het christendom en het jodendom, maar ook die van het Oosten – boeddhisme, hindoeïsme, Tao, Confucius – of die van de islamitische Soefimystiek. Maar ook blijken beeldende kunst, muziek, poëzie, de natuur en de erotiek in toenemende mate bronnen van religieuze inspiratie te zijn.

Op deze ontwikkeling wordt door mensen in de kerk heel verschillend gereageerd. Een veel voorkomende reactie is die van de ontkenning. Die komt vooral tot uitdrukking in uitspraken die de tijdelijkheid, het voorbijgaande karakter van de geschetste ontwikkeling aanduiden. ‘De mensen komen wel weer terug naar de kerk, het geloof komt wel weer terug, Europa wordt wel weer christelijk, de kerk heeft in haar geschiedenis al meer dieptepunten overleefd,’ uitspraken van deze soort. Zij lijken de ernst van de ontwikkeling te loochenen en drukken de verwachting uit dat de christenheid wel weer hersteld zal worden. Nogal wat mensen in de kerk gaan gewoon door alsof er niets aan de hand is of denken: het zal mijn tijd wel duren. Er zijn ook reacties die meer defensief zijn, ja die de (resten van de) christenheid willen verdedigen. Zij doen dat omdat zij denken dat met de christenheid ook Europa zal verdwijnen. Angst voor de Verlichting, angst voor de secularisatie, angst voor de Islam blijken vaak voeding te geven aan deze defensieve opstelling. Europa wordt opgeroepen terug te keren naar zijn wortels, en daarvan wordt het christendom als de belangrijkste gezien.[14] Aan de andere kant van het spectrum staan degenen die het einde van de christenheid als een zegen voor de mensheid en voor Europa begroeten, vanuit de gedachte dat de christenheid nooit iets goeds voor Europa heeft gebracht. De christenheid wordt door hen als het ware gedemoniseerd, en het is goed van demonen bevrijd te worden. Ten slotte zijn er ook mensen in de kerk die het einde van de christenheid aanvaarden, maar zichzelf troosten met de gedachte dat zij tot de heilige rest behoren. Laat de christenheid voor de grote massa ten einde zijn, zo denken zij, wij blijven trouw aan de ware kerk, een restkerk voor de happy few, voor de uitverkorenen. Deze heilige rest kiest er nadrukkelijk voor wereldvreemd te zijn; zij vlucht in het verleden, in de traditie.

 

God werkt vanuit de marges

De Britse theoloog Stuart Murray pleit voor wat in theologische termen een kenosis van de kerk genoemd zou kunnen worden: een deemoedig loslaten van de verworvenheden, de denkstructuren en de paradigmata van de christenheid, zonder daarmee de boodschap van het christelijk geloof los te laten.[15] Integendeel, zo meent hij: het einde van de christenheid kan ons juist dichter bij de kern van het christendom brengen. Dat vraagt echter om een ommekeer, om een nieuwe gezindheid. Wij zien wel om ons heen dat veel vanzelfsprekendheden van de christenheid verdwijnen, maar in ons hoofd blijven ze nog lang doorwerken. De meest hardnekkige erfenis van de christenheid, zo stelt hij, is de mentaliteit, de ‘mindset’ ervan. Die doet ons nog verlangen naar een kerk met macht, naar een christendom dat de toon bepaalt en de regels stelt. Die ‘mindset’ komt in een land als Nederland, waar nog slechts eenderde van de bevolking zich tot een christelijke kerk bekent, aan het woord wanneer er geprotesteerd wordt tegen het inleveren van een (vermeende) christelijke feestdag als Tweede Pinksterdag ten gunste van een islamitische feestdag, of wanneer politici van liberale snit een beroep doen op christelijke waarden en normen om de Nederlandse identiteit af te schermen tegen allochtone invloeden.

Stuart Murray daagt de christelijke gemeenschappen in Europa uit de kracht te ontdekken van een kerk zonder macht. Dat is niet gemakkelijk. Murray vergelijkt het verlaten van de christenheid en de volkskerk met het verlaten van een grote oceaanstomer als de Titanic. Terwijl we weten dat het schip zinkt, gaan we toch nog maar eens de ligstoelen op het dek verzetten. We verlaten de schijnbare veiligheid van de grote stomer niet graag voor de onzekerheid van de kleine reddingsboot, die in de duisternis door de golven heen en weer wordt gegooid. Toch kan die kleine boot ons verder brengen dan het grote schip.

Murray ziet zich zeven grote veranderingen voor kerk en christendom afspelen bij de overgang van de christenheid naar de postchristenheid. In deze veranderingen liggen juist ook de kansen en de uitdagingen voor kerk en evangelie. Waar het op aan komt, is deze kansen te grijpen en de kracht te ontdekken van een kerk zonder gevestigde macht. De eerste verandering die Murray constateert, is die van het centrum naar de marge: kerk en christelijk geloof staan niet langer in het middelpunt van de Westerse samenleving, maar zijn marginaal geworden. Maar, zo vraagt hij zich af, is dat niet de plaats waar het christelijke geloof thuishoort? Komen we niet thuis waar we horen te zijn: aan de randen, bij de marginalen? Zocht Jezus niet juist ook de marges op? Murray ziet een diepliggend fundament voor een hoopvolle benadering van deze verandering in de overtuiging dat ‘God works from the margins’. De tweede verandering is die van meerderheid naar minderheid: christenen waren eeuwenlang gewend de meerderheid te vormen in de Europese samenleving, nu zijn zij dat in Nederland al niet meer, althans niet de kerkelijke christenen. De kerk is een minderheidskerk geworden. Maar zij kan daardoor veel beter een profetisch geluid laten horen. Zij hoeft niet de belangen van de meerderheid of van het establishment te dienen als waren dit haar eigen belangen.

Een derde verandering is die van gevestigden naar pelgrims: in de christenheid waren christenen de gevestigden, de gesettelden. Zij waren thuis in een cultuur en een samenleving die door hun verhaal gevormd was, dat van het christendom. In de postchristenheid zullen zij zich vaker vreemdelingen voelen, ontheemden, peregrini, pelgrims die op doortocht zijn. En de kerk zal meer en meer een gastvrije herberg voor die pelgrims moeten worden.[16]  Een vierde verandering voor het christendom is die van privilege naar pluraliteit: had het christendom eerst een geprivilegieerde positie in de samenleving, gestut door vele instituties en oude rechten, nu vormen christenen één gemeenschap temidden van andere in een pluralistische samenleving. Maar, zo zegt Murray weer, ‘a Church without privileges can understand the powerless and the underprivileged’. Een kerk die van haar macht en voorrechten ontdaan is, is beter in staat de stem te verstaan van de machtelozen. De vijfde overgang is die van beheersing naar getuigenis. In de christenheid waren christenen op vele wijzen in staat controle uit te oefenen over de samenleving, zelfs op politiek en economisch gebied. Nu, in de postchristenheid, moet hun invloed komen van het getuigenis dat zij afleggen in woorden en daden. Ook op die woorden komt het aan, want de christelijke verhalen zijn niet meer bekend. Christenen worden uitgedaagd die weer te gaan vertellen. Zij moeten weer ‘storytellers’ worden. De zesde verandering is die van instandhouding naar zending, in het Engels een mooie alliteratie: ‘from maintenance to mission’. In de christenheid en in de volkskerk lag de nadruk op het instandhouden van de status quo, en ook nu lijken veel mensen in de kerk nog vooral bezig met het zo lang mogelijk rekken van de bestaande vormen en instituties. In de postchristenheid worden christenen weer uitgedaagd naar voren te kijken: naar het Rijk van God, een wereld waarin mensen tot hun recht kunnen komen, een wereld naar Gods hart. Want daarom draait het: dat is de missie van God en de missie van Jezus van Nazareth. De kerk is niet meer dan een instrument voor die missie. Zij heeft geen missie, de missie heeft haar. In de woorden van Murray: “God has a mission, and this mission has a Church’. De kerk staat in dienst van deze zending, en niet meer dan dat. De laatste verandering ten slotte vat al de voorgaande samen: die van institutie naar beweging.[17] In de tijd van de christenheid opereerde de kerk vooral op een institutionele wijze, opgetuigd met vele en strakke gezagsverhoudingen. Geen enkele institutie in de wereldgeschiedenis is zo bedreven geweest in het organiseren van zichzelf als de rooms-katholieke kerk, de meest strak georganiseerde multinational ter wereld. Nu wordt zij uitgedaagd weer een dynamische beweging te worden. Die uitdaging is avontuurlijk. Die is spannend en vol onzekerheden. Zij brengt christenen aan de randen van kerk en samenleving. Maar, zo vraagt Murray suggestief, is dat niet de plaats waar Jezus meestal gevonden wordt?

Ik wens de vernieuwde Catharinakerk van harte toe dat zij een gastvrije herberg mag zijn voor alle zoekers in Eindhoven en omgeving. Als zij haar deuren wijd openzet voor wie op zoek is naar verdieping en zingeving, kerkelijk of niet, dan kan zij zijn en blijven wat kerkgebouwen in de loop der eeuwen in zekere zin steeds zijn geweest en wat Huub Oosterhuis in een van zijn mooiste liederen over de kerk zegt: ‘deur die naar stilte openstaat’.

 


[1] A.J.C. van Leeuwen, Pierre Cuypers architect (1827-1921), Zwolle/Amersfoort/Zeist 2007, 130.

[2] I. Montijn, Pierre Cuypers 1827-1921. Schoonheid als hartstocht, Wormer/Roermond 2007, 43.

[3] Het navolgende is grotendeels gebaseerd op mijn artikel: ‘De kracht van een kerk zonder macht’, Speling 59 (2007), nr. 3, 37-43.

[4] Over de ontwikkeling van het middeleeuwse begrip christianitas handelt de dissertatie van mijn Nijmeegse voorganger Jan van Laarhoven, Recherches sur le concept ‘Christianitas’ pendant la réforme ecclésiastique de Grégoire VII jusqu’à Bernard, Rome 1959.

[5] In andere continenten is de ontwikkeling uiteraard lang niet dezelfde, zie Philip Jenkins, The Next Christendom. The Coming of Global Christianity, Oxford 2002.

[6] De grondinspiratie voor deze bijdrage is, evenals veel concrete inzichten, ontleend aan publicaties van de Britse theoloog Stuart Murray, waaronder zijn boeken Post-Christendom. Church and Mission in a Strange New World, Milton Keynes 2004, en Church After Christendom, Milton Keynes 2005.

[7] De navolgende situatieschets steunt op onder meer Jos Becker en Joep de Hart, Godsdienstige veranderingen in Nederland. Verschuivingen in de binding met de kerken en de christelijke traditie, Den Haag 2006, en Ton Bernts, Gerard Dekker en Joep de Hart, God in Nederland 1996-2006, Kampen 2007.

[8] Kerncijfers 2005 uit de kerkelijke statistiek van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland (KASKI-rapport 550), Nijmegen 2006, 5.

[9] ‘Glauben als Patchwork. Das Gottesbild der meisten Deutschen hat mit der christlichen Lehre wenig zu tun’, Der Spiegel, 15 augustus 2005, 138.

[10] Murray, Post-Christendom, 1.

[11] J. de Hart, Meer geloof, minder kerk, Lelystad 2006.

[12] S. Bänziger, Still Praying Strong. An empirical study of the praying practices in a secular society (Nijmegen 2007), 54. Uit het in 2006 uitgevoerde onderzoek ‘God in Nederland’ bleek dat 63% van de Nederlandse bevolking wel eens bidt (89% van de rooms-katholieken, 91% van de leden van de Protestantse Kerk in Nederland en 46% van de buitenkerkelijken). J. de Hart, ‘Postmoderne spiritualiteit’, in: T. Bernts, G. Dekker en J. de Hart, God in Nederland 1996-2006 (Kampen 2007), 118-192, met name 142.

[13] De Hart, ‘Postmoderne spiritualiteit’, in: Bernts, Dekker en de Hart, God in Nederland 1996-2006, 122-130.

[14] Een intelligente vertolker van deze oproep is Joseph Ratzinger, de huidige paus Benedictus XVI. Zie bijvoorbeeld zijn boek Waarden in tijden van ommekeer, Tielt 2005 (oorspronkelijk: Werte in Zeiten des Umbruchs: die Herausforderungen der Zukunft bestehen).

[15] Het beeld van de ‘kenosis van de kerk’ werd ruim veertig jaar geleden al gebruikt door Robert Adolfs, Het graf van God: heeft de kerk nog toekomst?, Utrecht 1966.

[16] Zie ook Jan Hendriks, Gemeente als herberg. De kerk van 2000, een concrete utopie, Kampen 1999.

[17] Zie ook het informatieve boek van de politicoloog en emeritus hoogleraar van de Universiteit Twente Andries Hoogerwerf, De toekomst van het christendom. Van instituut naar beweging, Budel 2007.