Kerk in Limburg na de vanzelfsprekendheid?

Pinksterlezing in de Kloosterbibliotheek van het redemptoristenklooster te Wittem, 30 mei 2009

Door de afkondiging door paus Paulus IV van de bul Super Universas op 12 mei 1559, op twee en een halve week na vandaag dus 450 jaar geleden, kregen de Nederlanden een nieuwe kerkelijke indeling. Drie van de huidige zeven Nederlandse bisdommen gedenken dit feit: het bisdom Haarlem, het bisdom ’s-Hertogenbosch en het bisdom Roermond vieren dat zij 450 jaar geleden gesticht zijn. Ook het bisdom Groningen-Leeuwarden zou zich bij de herdenking kunnen aansluiten, want bij de nieuwe indeling kwamen ook de beide bisdommen tot stand waarvan het huidige, pas in 1956 heropgerichte bisdom de naam draagt. Voor Groningen-Leeuwarden is er dus geen sprake van continuïteit tussen het huidige en de vroegere bisdommen met die naam, die allebei in de troebelen van de Opstand tegen Spanje al na goed twee decennia weer ophielden te bestaan. Maar dat er geen continuïteit is, geldt ook voor de drie bisdommen die wel feestvieren.

Zij zijn alle drie een tijd uit de geschiedenis verdwenen geweest. Het bisdom Roermond heeft tussen 1801 en 1840 niet bestaan en het bisdom van 1559 zag er geografisch heel anders uit dan het huidige bisdom dat in 1840 als apostolisch vicariaat Limburg werd opgericht en in 1853 tot bisdom Roermond werd verheven. Van de huidige Nederlandse bisdommen zou ten slotte ook het aartsbisdom Utrecht zich bij de herdenking kunnen aansluiten. Want ofschoon Utrecht al sinds de dagen van Sint Willibrord bisschopszetel was, werd het uitgestrekte middeleeuwse bisdom Utrecht, met een heel andere geografische afbakening, pas in 1559 tot aartsbisdom verheven. Van de huidige zeven Nederlandse bisdommen zijn er maar twee die geen directe historische relatie hebben met de nieuwe bisdomindeling van 1559: het bisdom Breda, dat pas in 1801 een eigen vicariaat werd (als restant van het door Napoleon opgeheven bisdom Antwerpen) en in 1853 bisdom, en Rotterdam, dat pas in 1956 als Zuid-Hollands randstadbisdom van het bisdom Haarlem werd afgescheiden.

De nieuwe kerkelijke indeling van 1559 is een van de weinige daden van paus Paulus IV waarover de historici mild oordelen. De hoogbejaarde paus – hij was al 79 toen hij op 23 mei 1555 tot paus werd gekozen, een jaar ouder dus dan de huidige paus bij zijn keuze – was een argwanend en aartsreactionair man, iemand met, zoals de Ierse kerkhistoricus Eamon Duffy het formuleert, ‘een fatale bekrompenheid van geest’. Kardinaal Caraffa, stichter van de nieuwe orde van de theatijnen, was paus geworden door zijn concurrent, de Engelse kardinaal Pole, tijdens het conclaaf ervan te beschuldigen in het geheim lutheraan te zijn. Een andere concurrent, de gerespecteerde kardinaal Morone, zette hij gevangen op verdenking van ketterij, en hetzelfde deed hij met de Spaanse aartsbisschop Caranza. Paus Paulus IV verbood gehuwde mannen lid te zijn van het koor van de Sixtijnse kapel, want hun gehuwde staat zou de zuiverheid van de pauselijke kapel bezoedelen. Hij voerde het getto in voor de joden in Rome en verplichtte hen een geel hoofddeksel te dragen. In hetzelfde jaar van de nieuwe bisdomindeling voerde de paus de Romeinse index van verboden boeken in en liet meteen alle werken van de humanist Erasmus op die lijst plaatsen.

Aan deze paus dus danken we de nieuwe kerkelijke indeling van de Nederlanden, drie maanden voor zijn overlijden afgekondigd. Die indeling werd door allerlei overwegingen ingegeven. De bestaande kerkelijke indeling, die zich vanaf de vroege middeleeuwen had ontwikkeld, werd door verschillende partijen niet adequaat gevonden. Dat was al langer het geval. Al in de late middeleeuwen stoorde het de territoriale vorsten in de Nederlanden dat de bisdomgrenzen niet correspondeerden met de staatkundige grenzen. Daardoor viel een deel van hun onderdanen onder het kerkelijk gezag van buitenlandse bisschoppen als die van Reims, Keulen of Münster, of zij vielen kerkelijk onder het gezag van een bisschop die tegelijk wereldlijk heer was, zoals de prins-bisschop van Luik. Om die redenen probeerden bijvoorbeeld al hertog Jan III van Brabant in de veertiende eeuw en Filips de Goede in de vijftiende eeuw een nieuwe bisdomindeling tot stand te brengen voor respectievelijk het hertogdom Brabant en voor de Bourgondische Nederlanden, maar zonder succes. Ook Karel V liet in 1522 onderhandelingen voeren met de Nederlandse paus Adrianus VI, maar eveneens zonder succes. Voor de vorsten kwam de kwestie weer op de agenda toen de territoriale afronding van de Nederlanden een feit was geworden met het verdrag van Venlo in 1543, waarbij ook het hertogdom Gelre onder het gezag van de landsheer van de Nederlanden werd gevoegd. Die landsheer wilde niet langer met buitenlandse bisschoppen te maken hebben en wilde bovendien zelf de bisschoppen in zijn territorium kunnen benoemen.

Bij deze politieke overwegingen voegden zich in de zestiende eeuw ook pastorale en kerkelijke overwegingen. De bestaande bisdommen werden veel te uitgestrekt gevonden en hun bisschoppen gedroegen zich vooral als wereldlijke heren en niet als kerkelijke herders. Een groot deel van de Zuidelijke Nederlanden bijvoorbeeld behoorde tot het bisdom Luik, onderdeel van de Keulse kerkprovincie. Dat bisdom Luik was enorm uitgestrekt: het telde maar liefst 2200 parochies, verdeeld over acht aartsdiakonaten en 28 dekenaten. Het kerkelijk bestuur werd feitelijk uitgeoefend door de aartsdiakens en niet door de bisschop van Luik zelf, die meestal alleen tot bisschop benoemd was, maar niet tot bisschop gewijd. Hij had daarmee wel de bestuurlijke bevoegdheden van een bisschop, maar niet de wijdingsmacht en de sacramentele bevoegdheden. Voor dat laatste had hij hulpbisschoppen of wijbisschoppen. De laatste naam geeft al aan wat hun belangrijkste taak was; zij moesten de sacrale handelingen verrichten die met de wijdingsmacht van de bisschop verbonden waren. De bisschop zelf was vooral een wereldlijke vorst: prins-bisschop.

De nieuwe bisdomindeling moest dus zorgen voor kleinere bisdommen, die een kleinschaliger en fijnmaziger net zouden vormen voor het waarborgen van de zielzorg en het kerkelijk leven in de parochies en de kloosters. En de bisschoppen van die nieuwe bisdommen moesten vooral ook kerkelijke herders zijn, zoals het Concilie van Trente het had voorgeschreven: theologisch geschoold en met herderlijke aandacht voor pastoraat en geloofsleven. Zo zou wellicht ook, hoopte men, een dam opgeworpen kunnen worden tegen de groeiende populariteit in de Nederlanden van het reformatorische gedachtegoed.

In de wandelgangen van de tweede zittingsperiode van het Concilie van Trente in 1551-1552 was door de Leuvense hoogleraar Ruard Tapper uit Enkhuizen, die als theoloog aan dat concilie deelnam, al eens met enkele curieprelaten over een nieuwe bisdomindeling voor de Nederlanden van gedachten gewisseld. Maar de keuze van paus Paulus IV gooide drie jaar later roet in het eten. De paus haatte namelijk alles wat Spaans was, want de Spanjaarden hadden zijn geboorteplaats Napels bezet, en dus haatte hij ook de Spaanse koning Karel V en zijn zoon Filips II. Maar in 1557 kwam het tot een vredesakkoord tussen Spanje en de paus. Nu kon opnieuw een Leuvense theoloog naar Rome gestuurd worden om over de bisdomindeling te spreken. Dit keer was dat Franciscus Sonnius, afkomstig uit het Brabantse Son, hoogleraar te Leuven, in 1543 rector van de universiteit geweest, maar bovendien een gevreesd inquisiteur. Hij vertrok in maart 1558 naar Rome en ruim een jaar later kon hij de eerste vrucht van zijn werk oogsten: op 12 mei 1559 kondigde paus Paulus IV tijdens een consistorie (een vergadering met de kardinalen dus) de nieuwe bisdomindeling van de Nederlanden af, waarbij Sonnius hem ter zijde stond voor het uitspreken van die moeilijke, barbaarse plaatsnamen uit het noorden. Er kwamen drie kerkprovincies: Kamerijk voor het Franstalige zuidelijke deel van de Nederlanden, Utrecht voor het noordelijke deel (met vijf bisschopszetels: Haarlem, Groningen, Leeuwarden, Deventer en Middelburg), en in het midden de kerkprovincie Mechelen, met bisschopszetels in Ieper, Brugge, Gent, Antwerpen, ’s-Hertogenbosch en Roermond.

Waar nu de grenzen van die bisdommen liepen en hoe ze gefinancierd moesten worden, wist men in 1559 nog niet. Om dat uit te werken bleef Sonnius nog twee jaar in Rome, tot in 1561 met opnieuw twee pauselijke bullen de zogenaamde circumscriptie (dus de omschrijving) en de dotatie (dus de bronnen van inkomsten) van de nieuwe bisdommen werden vastgelegd. Toen werden ook de eerste bisschoppen benoemd. Sonnius werd voor zijn werk beloond door de eerste bisschop te worden van het bisdom waartoe zijn geboortestreek behoorde: ’s-Hertogenbosch.

Van de nieuwe bisdommen in de Mechelse kerkprovincie was het bisdom Roermond zo ongeveer het kleinste (samen met Ieper) en zeker het armste. Het omvatte het merendeel van het huidige Midden- en Noord-Limburg, dat toen Overkwartier van Gelre was, en in Zuid-Limburg eigenlijk alleen het Land van Valkenburg. De rest van Zuid-Limburg bleef overwegend bisdom Luik. Tot het oude bisdom Roermond behoorden verder de omgeving van Nijmegen en het Land van Maas en Waal, een deel van Noord-Oost-Brabant (dekenaat Cuijk) en stukken van het Duitse grensgebied (de dekenaten Gelder, Kriekenbeek en Erkelens). Het bisdom telde 146 parochies, terwijl Keulen er ongeveer 1500 telde en Luik na de nieuwe bisdomindeling (waardoor het een stuk kleiner werd) nog altijd zo’n 900. Alleen al het Luikse dekenaat Maastricht telde zo’n 140 parochies, slechts zes minder dus dan het hele bisdom Roermond.

Het bisdom was bovendien arm en daarom weinig aantrekkelijk voor kerkelijke carrièremakers. In de goed 240 jaar dat het oude bisdom bestaan heeft, is de zetel van Roermond 47 jaar vacant geweest. En van de veertien bisschoppen die Roermond geteld heeft, hebben er zes promotie gemaakt naar een ander en rijker bisdom. Maar een promotie in omgekeerde richting, dus van een ander bisdom naar Roermond, heeft zich nooit voorgedaan. Ondermeer wegens de armoede van het bisdom werden de bisschopskandidaten vooral gezocht in de adel en de aristocratie van de Zuidelijke Nederlanden, in de hoop dat zij enig familiekapitaal zouden meebrengen voor hun levensonderhoud. Zij lieten zich dan ook liefst wijden in de hofkapel in Brussel of in de kathedraal in Mechelen, zodat hun familie het glorieuze feest kon meemaken. De Roermondenaren zelf hebben in hun kathedraal in die bijna twee en een halve eeuw slechts één keer een bisschopswijding meegemaakt, die van de franciscaan Franciscus Ludovicus Sanguessa, die in 1721 door zijn voorganger Angelus graaf d’Ongnies et d’Estrées als coadjutor met recht van opvolging gewijd werd. Zelfs de enige uit het bisdom zelf afkomstige bisschop van Roermond, Philippus Damianus rijksgraaf van Hoensbroek, liet zich in 1775 niet in de bisschopsstad tot bisschop wijden, maar in de Dom van Speyer, waar hij tevoren kanunnik was geweest.

De gewone gelovigen merkten eigenlijk niet veel van hun bisschop. Zij zagen hem hooguit wanneer hij tijdens een visitatie- en vormselreis hun parochie aandeed. En verder hoorden zij indirect van hun bisschop, via de schriftelijke instructies en reglementen die deze uitvaardigde en waarmee hij het kerkelijke en parochiële leven naar de richtlijnen van het Concilie van Trente probeerde in te richten. Die richtlijnen konden te maken hebben met het catechismusonderricht, dat tijdens de vroegmis moest plaatsvinden en waarvoor vanaf de zeventiende tot in de negentiende eeuw de zogenaamde Mechelse catechismus van de jezuïet Lodewijk Makeblijde werd gebruikt. Die richtlijnen konden ook te maken hebben met de praktijk van de sacramentele vieringen, zoals doop, biecht, huwelijk en ziekenzalving, waarvoor het onlangs heruitgegeven Rituale uit 1599 gebruikt werd. De richtlijnen betroffen ook de devotionele praktijken van broederschappen, bedevaarten en processies, heiligenverering, zegeningen en exorcisme, die de bisschoppen probeerden te reguleren en te disciplineren. Ook merkten de gewone gelovigen iets van de pogingen van de bisschoppen om de alledaagse volkscultuur in toom te houden: hun instructies tegen het vloeken, het dansen, het gemengde vertier van jongens en meisjes, het herbergbezoek, het tappen door herbergiers tijdens de misviering, de toename van het aantal kermissen, de uitbundigheid van de koffietafels bij bruiloften en uitvaarten, het opvoeren van vastenavondspelen en het uitroepen van meiliefsten. Maar of de gelovigen zich daar veel van hebben aangetrokken, valt te betwijfelen. De cultuur van alledag was hardnekkig en de bisschop was ver weg.

Aan het bestaan van het oude bisdom Roermond kwam een einde in 1801 door het concordaat dat keizer Napoleon sloot met paus Pius VII. Een deel van het voormalige bisdom Roermond werd nu weer Luiks, en dat bleef zo tot de deling van Limburg in 1839. Bij het verdrag van Londen werd een deel van Limburg, de huidige Nederlandse provincie, door de koning van de Belgen geruild met koning Willem I tegen een deel van het groothertogdom Luxemburg, dat nu een Belgische provincie werd. Koning Willem I wilde, net als zijn zestiende-eeuwse voorgangers, niet dat een deel van zijn onderdanen onder het kerkelijk gezag van een buitenlandse bisschop vielen, al was de Luikse bisschop van dat moment, Cornelis van Bommel, dan een geboren Leidenaar. Daarom kwam er in 1840 voor het nu Nederlands geworden deel van Limburg een eigen kerkelijk territorium, het vicariaat Limburg.

En tot groot verdriet van de Maastrichtenaren werd niet hun stad de zetel van de bestuurder van dit vicariaat, maar Roermond, en werd de deken van Roermond, Joannes Augustinus Paredis, benoemd tot apostolisch vicaris van Limburg en gewijd tot titulair bisschop van Hirene. In 1853 zou hij de eerste bisschop worden van het nieuwe bisdom Roermond, waarvan de grenzen precies samenvielen met die van de Nederlandse provincie Limburg. Dat was en bleef lange tijd een unicum in kerkelijk Nederland: het samenvallen van bisdom en provincie. Pas de opsplitsing van het bisdom Haarlem in 1956 bracht daar verandering in: het bisdom Rotterdam valt namelijk ook precies samen met de provincie Zuid-Holland (tot het Noord-Hollandse bisdom Haarlem behoort momenteel ook nog een deel van de provincie Flevoland).

Het samenvallen van bisdom en provincie heeft een belangrijke rol gespeeld in de succesformule van het katholieke Limburg in de negentiende en twintigste eeuw. In zekere zin was de katholieke kerk de enige factor van eenheid in de nieuwe provincie. Die eenheid was er niet op sociaal-economisch of cultureel gebied, en op politiek gebied was de eenheid nog jong: de provincie Limburg was ontstaan uit wat in de achttiende eeuw nog een bont conglomeraat van kleine en grotere territoria was. De confessie bracht eenheid in het gewest.

Die confessie was uitzonderlijk homogeen in Limburg: bij de volkstelling van 1899, bij de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw, was 98,1 procent van de Limburgers rooms-katholiek, en dat was ongeveer hetzelfde als bij het begin van de negentiende eeuw, toen in 1809 in het Departement van de Nedermaas een religietelling plaatsvond (toen was 98,26 procent rooms-katholiek). Limburg was dus uniform en homogeen rooms-katholiek: alleen in de steden en in enkele Maasdorpen waren kleine protestantse en joodse minderheden. Dat gaf aan het katholicisme in Limburg een grote mate van vanzelfsprekendheid. Het was zo vanzelfsprekend als het water van de Maas en als de lucht die de Limburgers inademden.

Daardoor kreeg het nieuwe bisdom Roermond voor de gelovigen in dat bisdom veel meer betekenis dan het oude bisdom ooit gehad had, en veel meer betekenis ook dan enig ander bisdom in Nederland ooit gehad heeft. De bisschop personifieerde de eenheid van de Limburgse samenleving meer dan de gouverneur of de Commissaris van de Koning of Koningin dat in de negentiende en de twintigste eeuw hebben gedaan. Die centrale positie van het bisdom én van de bisschop in de Limburgse samenleving werkt nog door in de aandacht die de Limburgse media, zoals de krant De Limburger/Limburgs Dagblad en de publieke omroep L1, besteden aan nieuws dat met bisdom of bisschop te maken heeft. Dat zij daar zoveel aandacht aan besteden (het bisdom ’s-Hertogenbosch moest bij de viering van 450 jaar bisdom tevreden zijn met slechts twee bladzijden in het Brabants Dagblad, terwijl De Limburger een hele bijlage aan het Roermondse bisdomjubileum wijdde, een bijlage overigens waaraan de bisschop weigerde mee te werken), heeft niet te maken met een hetze, maar is een uitgesteld effect van de centrale en dominante positie die de rooms-katholieke kerk in de Limburgse samenleving heeft ingenomen.

Die positie zorgde voor een soort alomtegenwoordigheid van de bisschop en het bisdom, zonder dat de gelovigen de bisschop nu per se ook fysiek meer zagen, al liet vooral ‘vader bisschop’ Guillaume Lemmens zich graag in de parochies zien. De institutionele kerk, georganiseerd in het bisdom Roermond en gepersonifieerd in de bisschop, was in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw veel nadrukkelijker aanwezig in de Limburgse samenleving dan ooit daarvoor. De mensen wisten wie hun bisschop was, iets wat voor de bewoners van het platteland in de zeventiende en achttiende eeuw maar zeer de vraag is. De bisschop was één met zijn bisdom. Alle bisschoppen én hulpbisschoppen van Roermond uit de tijd van het nieuwe bisdom kwamen, anders dan in het oude bisdom, ook uit de geestelijkheid van het bisdom zelf voort, op één uitzondering na, de Salesiaan Jan ter Schure, die van december 1984 tot maart 1985, toen hij bisschop van ’s-Hertogenbosch werd, drie maanden hulpbisschop van bisschop Gijsen is geweest. Alle residerende bisschoppen van Roermond uit de tijd van het nieuwe bisdom kwamen tot nu toe uit de eigen clerus van het bisdom, en dat kan van geen enkel ander Nederlands bisdom gezegd worden.

De leiding van het bisdom kenmerkte zich door een grote mate van continuïteit, waarvoor de toon gezet werd door bisschop Paredis, die vanaf 1840 tot zijn dood in 1886, dus ruim 45 jaar, leiding gaf aan kerkelijk Limburg, en die werd opgevolgd door de man die ooit zijn secretaris was en daarna deken van Weert en van Roermond, de toen al zeventigjarige Frans Boermans uit Venlo, die de negentiende eeuw volmaakte (hij overleed op 3 februari 1900). Paredis en Boermans legden de grondslag voor een bisdombeleid dat gericht was op de bescherming van de katholieke eigenheid van Limburg. Die vermeende eigenheid bracht hen ertoe vaak een andere koers te volgen dan de andere Nederlandse bisschoppen, bijvoorbeeld in het onderwijsbeleid. Terwijl de andere bisschoppen het belang van bijzonder onderwijs beklemtoonden, dacht Paredis dat dit in de Limburgse samenleving, vooral in de dorpen, niet nodig was. De onderwijzers waren toch allemaal katholiek, en de invloed van de geestelijkheid in de dorpen was zo groot dat het openbaar onderwijs vanzelf een katholiek karakter zou hebben. En tot de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs in 1917 had dit bovendien het voordeel dat de katholieken niet zelf voor de financiering van hun scholen hoefden op te draaien. Pas na 1917 zien we in Limburg, veel later dan in de rest van het land, het bijzonder rooms-katholiek onderwijs tot ontwikkeling komen, vooral doordat openbare lagere scholen omgezet werden in bijzondere, met het kerkbestuur als schoolbestuur.

Ik noemde al de invloed van de geestelijkheid. Ook die was in Limburg bij wijze van spreken alomtegenwoordig, meer dan in de rest van katholiek Nederland. Het bisdom Roermond had namelijk een getalsmatig sterk corps van diocesane priesters. Van alle Nederlandse provincies was Limburg die waar van de jongens die priester werden, het verhoudingsgewijs grootste deel, namelijk ruim één derde, koos voor de diocesane geestelijkheid en niet voor een orde of congregatie. Zij werden dus wereldheer in plaats van pater. In de jaren dertig van de twintigste eeuw telde het bisdom Roermond in tien jaar tijd 236 priesterwijdingen, meer dan het veel uitgestrektere aartsbisdom Utrecht en het dito bisdom ’s-Hertogenbosch. Het topjaar was 1932, met een oogst van 31 nieuwe diocesane priesters. Die priesters moesten ook allemaal iets te doen hebben, en daarom was het bisdom zo alomtegenwoordig aanwezig, niet alleen in parochies met een pastoor en enkele kapelaans, maar ook in het onderwijs, in het katholieke verenigingsleven en in de maatschappelijke organisaties, als priester-leraar, aalmoezenier, geestelijk adviseur, moderator, rector of directeur.

Tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw kende Limburg daarmee een voor Nederland unieke situatie, die ook in het katholieke Brabant niet geëvenaard werd. De kerk had een vanzelfsprekende en centrale plaats in de samenleving. Ja, kerk en samenleving vielen min of meer met elkaar samen, een situatie die historici en sociologen aanduiden als die van de christenheid. Daarmee wordt niet het christendom als religie bedoeld, maar met christenheid (christianitas in het Latijn, Christendom in het Engels) wordt de symbiose bedoeld die in Europa in de tijd van de kerstening is ontstaan tussen christendom en samenleving. Door die symbiose waren kerk en samenleving niet van elkaar te scheiden en zelfs nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Bij het samenlevingstype van de christenheid hoort het kerktype van de volkskerk: de kerk waartoe men behoort niet op grond van een eigen bewuste keuze, maar bij wijze van spreken krachtens geboorte. De overheid – in de Middeleeuwen dus de vorst – had in de christenheid de taak die symbiose van kerk en samenleving te beschermen. De kerk kon in de christenheid rekenen op tal van privileges, zowel van financiële als van juridische aard. Bisschoppen hoefden in die tijd niet bang te zijn zich voor een burgerlijke rechter te moeten verantwoorden.

Het systeem van de christenheid met de erbij horende volkskerk heeft binnen Nederland in de provincie Limburg en in het bisdom Roermond nog het langste stand weten te houden. Bij de volkstelling van 1960 was nog altijd 94,4 procent van de Limburgers nominaal katholiek. En bij de aanleg van nieuwbouwwijken was het in de tijd van de Wederopbouw in Limburg vanzelfsprekend dat daar ook een rooms-katholieke parochie met een eigen kerk zou komen. Onder bisschop Lemmens, bisschop van Roermond tussen 1932 en 1957, werden in Limburg nog tachtig nieuwe parochies en rectoraten opgericht, en tot 1965 volgden er nog eens vijfentwintig. En waar maar enigszins mogelijk, konden die nieuwe parochies in Limburg voor ondermeer de kerkenbouw nog tot in de jaren zestig rekenen op gemeentelijke en provinciale subsidies.

Maar ook in Limburg begon vanaf de jaren vijftig het bouwwerk van de katholieke christenheid te wankelen, begon de vanzelfsprekende volkskerk langzaam leeg te lopen en begon de idylle van het katholieke Limburg te verbleken. Was in 1960 nog goed 94 procent van de Limburgse bevolking nominaal rooms-katholiek, nu is dat nog geen 75 procent meer, en van die 75 procent is nog geen negen procent kerkganger. Dat wil zeggen: op een Limburgse bevolking van goed 1,1 miljoen inwoners bezoeken maar ongeveer 71.000 in het weekeinde een viering in een van de ruim 330 parochiekerken. Beschikte het bisdom Roermond in 1951 nog over 804 diocesane priesters, waarvan 689, dus ruim 85 procent, jonger was dan 65 jaar, in 2006 waren dat er nog maar 284, waarvan ruim veertig procent oudere emeriti. De daling gaat, zoals blijkt uit de statistieken van het KASKI van de afgelopen jaren, op alle fronten gestaag door, en er zijn weinig profetische gaven nodig om te kunnen voorspellen dat over ongeveer 25 jaar, als we een generatie verder zijn, het restant van de volkskerk in Limburg als een kaartenhuis in elkaar gaat zakken.

Naast de getalsmatige terugloop kan ook vastgesteld worden dat het prestige van het bisdom Roermond in de Limburgse samenleving enorm is teruggelopen. Stond het bisdom Roermond in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw min of meer symbool voor de eigenheid van de Limburgse samenleving, nu moet vastgesteld worden dat steeds minder Limburgers nog bereid of mentaal in staat zijn zich te identificeren met het bisdom Roermond. Dat is op de eerste plaats de vrucht van het restauratieve beleid van bisschop Gijsen uit de jaren 1972 tot 1993. Hij probeerde een dam op te werpen tegen de modernisering van kerk en samenleving in Limburg door terug te grijpen op vormen en structuren die in het verleden hun diensten hadden bewezen. Voor een deel is zijn beleid eenvoudig een kopie van dat van de negentiende-eeuwse bisschop Paredis, aan wie hij een uitvoerige historische studie wijdde. Maar anders dan Paredis brak bisschop Gijsen – bewust of onbewust - met de breedte die kenmerkend is voor de volkskerk, een breedte die ruimte biedt aan vele modaliteiten van katholiek zijn, van rekkelijk tot precies. In Gijsens kerkvisie was alleen plaats voor de precieze katholieken, voor de ‘ware’ en ‘zuivere’ gelovigen. In zijn vastenbrief van 1988 schreef bisschop Gijsen: ‘In verband met de (her-)evangelisatiecampagne hebben enkele kranten geschreven: “De bisschop wil Limburg weer katholiek maken.” Inderdaad, dat wil ik ook.’ Aldus Gijsen in 1988. Het is hem niet gelukt, en toen hij vijf jaar na deze woorden terugtrad als bisschop, liet hij een bisdom achter dat tot op het bot verdeeld was.

Het bisdom Roermond leed in de laatste jaren opnieuw groot prestigeverlies door wat ik maar noem de morele kredietcrisis die het gevolg is van de ene affaire na de andere. Een deken – ik bedoel natuurlijk de oud-deken van Meerssen - die familieleden van een overledene bruuskeert tijdens een uitvaartviering, jonge priesters die tijdens vieringen menen gedetailleerd te moeten melden welke mensen wel en welke mensen niet te communie mogen gaan, een bisschop die van mening is dat liederen van Huub Oosterhuis niet in Limburgse parochiekerken gezongen horen te worden, een hulpbisschop die minder vlees eten aanbeveelt als remedie tegen onkuise gedachten, een Maastrichtse pastoor die pornografische brieven schrijft aan de vriendin van een andere priester, en dan natuurlijk die andere priester zelf: de affaire rond de inmiddels overleden oud-deken van Gulpen, Joep Haffmans, en rond het uitblijven van enig optreden van de bisschop in deze affaire.

Steeds meer mensen verliezen hun vertrouwen in de institutionele kerk en haar ambtsdragers. De jonge vertegenwoordigers daarvan kiezen overwegend voor het vasthouden aan strikte regels en voorschriften in plaats van voor pastorale souplesse, en dat leidt tot botsingen met mensen die rond kruispunten in het leven, zoals het overlijden van een familielid, een beroep doen op de kerk voor een liturgische viering. De antropologische dissertatie waarop Kim Knibbe twee jaar geleden cum laude aan de Vrije Universiteit te Amsterdam is gepromoveerd, brengt het in beeld. De publiciteit rond deze studie kreeg een enorme weerklank en het dagblad De Limburger publiceerde een hele bijlage rond ervaringen van Limburgers met de kerk – positieve maar vooral ook teleurstellende en vervreemdende – en belegde er een druk bezochte discussieavond over in het hoofdkantoor van de krant te Sittard. Voor steeds meer mensen heeft de institutionele rooms-katholieke kerk in Limburg haar geloofwaardigheid verloren. Mensen keren haar de rug toe. De voormalige volkskerk verkeert in Limburg in haar terminale fase.

Is er dan nog toekomst voor de kerk in Limburg? Ik ga nu iets doen wat eigenlijk niet tot mijn vak behoort; ik bestudeer het verleden en probeer dat te begrijpen. Maar ik waag het toch maar om ook eens naar de toekomst te kijken. Want volgens mij geeft de viering van 450 jaar bisdom Roermond daar alle aanleiding toe. En bovendien is het morgen Pinksteren: het symbolische geboortefeest van de kerk.

Opnieuw dus: is er nog toekomst voor de kerk in Limburg? In elk geval niet meer voor de klassieke volkskerk, met haar vanzelfsprekende aanwezigheid met parochies in elk dorp en in elke stadswijk. Dat type kerk heeft voor de culturele en maatschappelijke ontwikkeling van Limburg in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw een enorm grote rol gespeeld. Maar het is voorbij. De volkskerk verdwijnt, ook uit Limburg, zoals zij trouwens geleidelijk aan overal in West-Europa bezig is te verdwijnen, in het ene land iets eerder en iets sneller dan in het andere. Er is, zo blijkt uit het grootschalige Europees Waardenonderzoek (European Values Studies), geen enkel land in Europa waar de graad van kerkelijkheid van de bevolking toeneemt. Overal worden de kerken kleiner, alleen niet overal in hetzelfde tempo. Soms zijn er bijzondere omstandigheden die als katalysator werken, zoals in Ierland de commotie rond seksueel misbruik van minderjarigen door priesters. In Ierland is het aantal diocesane seminaries in tien jaar tijd van tien naar één teruggebracht, het nationale seminarie van St. Patrick’s College in Maynooth, waar bovendien kandidaten voor orden en congregaties studeren. Morgen worden daar welgeteld vier transeunte diakens gewijd: drie voor de 26 bisdommen van Ierland en één kapucijn. Na de morele kredietcrisis van de kerk in Ierland wil nauwelijks nog iemand daar priester worden. Ook in een ander land dat tot voor kort als model-katholiek gold, namelijk Polen, begint de terugloop op gang te komen. In Polen, waar zoals vijftig jaar geleden in Limburg nog altijd negentig procent van de bevolking nominaal rooms-katholiek is, is in 2007 het aantal aanmeldingen voor de priesteropleidingen met 25 procent en afgelopen jaar nog eens met tien procent teruggelopen. Ook het aantal aanmeldingen voor orden en congregaties liep afgelopen jaar voor het eerst sinds jaren met tien procent terug.

Het verdwijnen van de volkskerk betekent overigens niet dat de rooms-katholieke kerk uit Limburg zal verdwijnen. Het bisdom Roermond zal vast ook nog wel zijn vijfhonderdste verjaardag vieren, als het vóór die tijd tenminste niet komt tot een reductie van het aantal bisdommen in Nederland. De institutionele rooms-katholieke kerk zal er over enkele decennia in Limburg wel heel anders uitzien. Zij zal om te beginnen veel kleiner zijn. Zij zal bovendien een uniform en gesloten karakter hebben. Haar priesters zijn recht in de leer, zitten strak in het pak en in de boord, en misschien dragen zij wel weer de toog, zoals we onlangs konden zien bij de viering van 450 jaar bisdom (de zo ongeveer meest modern geklede priester bij de boottocht over de Maas bleek de bisschop van Luik te zijn, mgr. Jousten, die maar gewoon in zwart pak met boord was, zonder toog en sjerp). Die priesters zullen overwegend uit het buitenland afkomstig zijn en lid zijn van conservatieve bewegingen als het Neo-catechumenaat en de ‘Legionaries of Christ’ (nu al werkzaam in Heerlerheide) . De rooms-katholieke kerk van de toekomst zal naar binnen gekeerd zijn en gesloten. Zij heeft geen boodschap voor en aan de samenleving, behalve op het gebied van de seksuele moraal, maar naar die boodschap zal maar door weinigen geluisterd worden. De liturgie zal in die kerk strikt volgens de Romeinse voorschriften gevierd worden, mogelijk wel weer helemaal in het Latijn en met de rug naar het volk, en met communie op de tong. Zo kunnen we het immers nu al hier en daar meemaken, en juist in parochies met een betrekkelijk jonge pastoor, zoals in Munstergeleen. De kinderen die de eerste communie doen, zullen voorafgaand weer eerst moeten biechten. Gehoorzaamheid zal in die rooms-katholieke kerk belangrijker zijn dan creativiteit, en rechtzinnigheid zal belangrijker zijn dan barmhartigheid. Die rooms-katholieke kerk zal dus - ik zeg het maar zo kort door de bocht, want ik bevind mij in het goede gezelschap van Hans Küng - steeds meer sektarische trekken vertonen. Die trekken zijn immers, volgens godsdienstsociologen: afzondering van de wereld, afsluiting voor bepaalde informatie en het mijden van contact met de media, verabsolutering van een bepaald waarheidsbegrip, de neiging tot groepsvorming met wederzijdse controle, sterke nadruk op leiderschap en gehoorzaamheid, de neiging tot ressentiment ten opzichte van de boze buitenwereld.

Die sektarische trekken maken de traditionele rooms-katholieke kerk overigens niet onaantrekkelijk voor bepaalde mensen. Het sociologisch onderzoek volgens de zogenaamde rational choice-theorie stelt dat kerken aantrekkelijker worden naarmate ze zich sterker afzetten tegen de omringende wereld, ze hogere eisen stellen aan hun leden en ze een scherper profiel met een bijbehorende waarheidsopvatting hebben. Dat verklaart temidden van de ontkerkelijking in Nederland het relatieve succes van enerzijds de zware reformatorische kerken zoals de gereformeerde kerken vrijgemaakt, de Nederlands gereformeerde kerken, de gereformeerde gemeenten en de oud-gereformeerde gemeenten en anderzijds de Pinkstergemeenten en Evangelische Gemeenten, de twee kerktypen die naast de migrantenkerken de enige soort zijn in Nederland die de laatste vijftien jaar nog enige groei gekend hebben.

Maar uit wat we eerder hoorden, valt niet te verwachten dat dit gesloten, naar binnen gekeerde, orthodoxe kerktype veel Limburgers zal aantrekken. De officiële rooms-katholieke kerk van de toekomst zal er vooral een zijn voor de happy few, voor de mensen die recht in de leer zijn en trouw aan het gezag, voor de ‘heilige rest’. Veel andere mensen zullen haar in de komende decennia, zoals zij nu al doen, ook in Limburg de rug toekeren. Maar dat betekent niet dat deze mensen geen religieuze vragen meer hebben, geen verlangen naar zingeving en betekenis, geen hunkering naar transcendentie en verdieping. Uit allerlei onderzoeken blijkt immers dat dit verlangen en deze hunkering niet in dezelfde mate verdwijnen als de traditionele kerken verdwijnen. Integendeel, omdat de kerken geen vanzelfsprekende leverancier meer zijn van antwoorden op de diepere levensvragen, komen de vragen zelf steeds nadrukkelijker aan het woord. Vroeger sloegen de mensen voor zingeving en geloofsvragen in Limburg vanzelfsprekend het kerkpad in. De kerk, in de persoon van de pastoor of de kapelaan, was de deskundige en die gaf dus de antwoorden. Maar die gang is nu voor veel mensen niet meer vanzelfsprekend. De kerk heeft geen monopolie meer op de markt van de zingeving. De hedendaagse mens is, als het om zingeving en spiritualiteit gaat, een pelgrim geworden, een zoeker, voortdurend onderweg. Hij vindt inspiratie op allerlei plekken en in allerlei ervaringen, in en buiten de kerk, in dingen die hij leest en hoort, in muziek en poëzie, in pelgrimages en voettochten, in de beleving van de natuur, in vormen van meditatie en yoga, in beeldende kunst en film, in reizen en stilzitten, in vrijwilligerswerk en inzet voor mensen in nood, in gesprekken en discussies, enzovoorts.

Tijdens hun pelgrimage en hun zoektocht zullen mensen ook ontdekken dat zingeving tot gemeenschapsvorming leidt, dat wil zeggen dat je anderen nodig hebt om jezelf te worden en dat anderen jou nodig hebben. Maar die gemeenschappen zullen anders van aard en vorm zijn dan de traditionele parochie uit de tijd van de volkskerk. Zij zijn minder stabiel en minder constant dan de traditionele kerkvormen. Zij zijn wat theologen, naar het voorbeeld van de Brit Pete Ward, ‘liquid church’ noemen, ‘vloeibare kerk’. Dat is niet een kerk waar je voor je leven lid van bent ook al doe je er niets aan, maar het is een vorm van kerk zijn waarbij je lidmaatschap bestaat uit participatie en betrokkenheid en wel voor de duur van die participatie en betrokkenheid. Die gemeenschappen zijn dus flexibel, vloeibaar en veranderlijk als water. Ze bestaan en ze verdwijnen weer. Ze bestaan telkens wanneer mensen met elkaar relaties rond zingeving en barmhartigheid aangaan, wanneer zij daarover met elkaar communiceren, in vieringen of andersoortige bijeenkomsten, en wanneer zij samen de handen uit de mouwen steken om te werken aan een wereld van barmhartigheid, vrede en gerechtigheid.

Ik heb er eerlijk gezegd weinig vertrouwen in dat de bestaande rooms-katholieke kerk in Limburg – als geheel - kan evolueren tot het dynamische type van de ‘liquid church’. Daarvoor draagt ze teveel ballast met zich mee uit de tijd van de ‘solid church’ en daarvoor lijken haar leiders en ambtsdragers ook te zeer gehecht te zijn aan juist die ballast, die zij beschouwen als onvervreemdbaar erfgoed van de katholieke kerk. Proberen om de rooms-katholieke kerk in Limburg te veranderen in een dynamische gemeenschap voor hedendaagse zinzoekers is volgens mij zinloos; het is sjorren aan een dood paard. Het zal wel lukken voor onderdelen van de rooms-katholieke kerk: sommige parochies en sommige huizen van religieuzen zullen de kunst verstaan om gastvrije herbergen voor hedendaagse zinzoekers te worden, sommigen zijn daar trouwens al voortreffelijk in geslaagd. Maar het lijkt me een illusie te denken dat het zal lukken voor de bisdommelijke kerk als geheel. Met het oog op de vloeibare kerk van de toekomst moeten we, zo denk ik althans, de solide kerk van het verleden achter ons laten. We mogen haar overlaten aan de heilige rest. Zij zal er goed voor zorgen.

En zelf moeten we nieuwe plekken vinden waar we elkaar kunnen ontmoeten rond het evangelie, rond vragen van zingeving en spiritualiteit, rond de droom van een wereld van gerechtigheid en vrede. Die plekken zijn er; je moet ze alleen goed zoeken. Ze zijn er in centra van spiritualiteit als dit huis en soortgelijke huizen in Limburg, in basisgemeenschappen als de citykerk in Maastricht, de streekparochie ’t Eikske te Schaesberg, de Jonge Kerk te Roermond en de Jongerenkerk te Venlo, in leerhuizen en meditatiegroepen, in oecumenische basisgroepen en huisgemeenten, in spirituele boekhandels en stiltecentra, in bewegingen voor mondiale solidariteit en in vredesgroepen. Sommige van die groepen zullen weer verdwijnen, maar dat hoort zo, bij een vloeibare kerk. Er komen weer andere voor in de plaats. U kunt gemakkelijk zelf iets nieuws beginnen. Als u vier of vijf mensen kent die willen samenkomen rond het evangelie, rond spiritualiteit en barmhartigheid, zoek elkaar dan op. Begin opnieuw, ergens in een woonkamer, zoals de christenen in de eerste drie eeuwen ook in woonhuizen samenkwamen om het evangelie te lezen en brood en wijn met elkaar te delen. Die christenen hadden geen grootseminarie nodig en geen bisschoppelijke curie, zij kenden geen kerkelijke rechtbank en geen kerkelijk wetboek. En die hebben ook wij niet nodig om een gemeenschap te zijn van mensen die zich willen laten raken door het evangelie van Jezus van Nazaret.

Als we de kerk in Limburg een nieuwe toekomst gunnen, voorbij de vanzelfsprekendheid, dan moeten we bereid zijn haar opnieuw geboren te laten worden. En daarvoor moeten we het oude achter ons willen laten; dan moeten we durven wegtrekken uit het huis van farao, weg van de vleespotten van Egypte. De Britse theoloog Stuart Murray vergelijkt het verlaten van de christenheid en van de klassieke volkskerk met het verlaten van een grote oceaanstomer als de Titanic. Mensen doen dat niet graag. Liever gaan ze, terwijl ze weten dat het schip zinkt, de ligstoelen op het dek nog eens een keer verzetten in plaats van de schijnbare veiligheid van het grote stoomschip in te ruilen voor de onzekerheid van een klein bootje.

Die nieuwe, vloeibare kerkelijke gemeenschappen van de toekomst zullen inderdaad geen grote oceaanstomers zijn, geen wereldkerk dus, maar eerder een wankel roeibootje. Die gemeenschappen zullen niet groot zijn en zij zullen weinig macht en prestige hebben. Ze kunnen niet rekenen op privileges en vanzelfsprekendheden. Zij morrelen in de marge van samenleving en cultuur, zonder veel institutionele bagage en zonder veel status. Zij zijn meer beweging dan institutie. Maar zij staan open voor het waaien van de Geest, de Geest van Pinksteren, die hen vooruit drijft, tot voorbij de vanzelfsprekendheid.