Wortel schieten?

Het thema van de Maand van de Spiritualiteit 2009 is 'wortel schieten'. Tijdens een symposium van de Faculteiten Religiewetenschappen en Theologie van de Radboud Universiteit Nijmegen, op 6 november 2009 gehouden op de campus van de Nijmeegse universiteit, werd aan drie sprekers, prof. dr. Frans Maas, prof. dr. Peter Nissen en prof. dr. Paul van der Velde, gevraagd in te gaan op een door de organisatoren geformuleerde, prikkelende stelling. Aan Peter Nissen werd de stelling voorgelegd: spiritualiteit wortelt in de christelijke tradities! In zijn inleiding bouwde hij de stelling geleidelijk een beetje om tot: mijn spiritualiteit wortelt in christelijke tradities. Zijn stelling is: wij hebben (bijna) allemaal al spirituele wortels. De belangrijke vraag is: wat doe je met je wortels?

 

Hebt u de Relitest al gedaan? Ik wel, en ik kan u melden wat de uitslag was. Ik ben voor 67% christen, voor 33% moslim, voor 22% jood, voor 20% aanhanger van de nieuwe spiritualiteit, voor 17% atheïst en voor 10% hindoe. Het verdriet over het feit dat ik blijkbaar voor geen enkel procent boeddhist ben, heb ik al gedeeld met collega Paul van der Velde. Meer verdriet deed mij nog de volgende boodschap van de website van Trouw: ‘wat je ook denkt – wat betreft je doen en laten ben je weliswaar geen echte christen, maar je lijkt er wel sterk op.’ Oei, ik dacht even de stem van een bisschop te horen, maar het was toch echt de krant die het zei. Ik ben geen echte christen en ik lijk maar voor 2/3 op de traditie waartoe ik mij zelf toch reken. Moet ik mij nu zorgen gaan maken? Ben ik onvoldoende geworteld en moet ik daaraan gaan werken: moet ik wortel gaan schieten? 

Wortels zonder trauma 

Nee, zo stel ik hier maar even plompverloren, ik hoef helemaal geen wortel te gaan schieten. Ik ben namelijk al geworteld. Ik heb al wortels, eenvoudig door wie ik ben, waar ik vandaan kom, waar ik geboren en opgegroeid ben. Ik ben, zoals het overgrote deel van u, geworteld in de Europese cultuur en samenleving, die getekend is door de eeuwenlange dominantie van het christendom, maar ook door het humanisme, door de Verlichting en door de moderniteit. Die wortels heb ik, of ik dat nu wil of niet, en of ik het nu leuk vind of niet.

Om bij mij zelf te blijven: ik ben geboren in 1957 in een Limburgs dorp. Ik heb in het voorjaar van 1966, een half jaar na de afsluiting van het Tweede Vaticaans Concilie, samen met al mijn klasgenoten, de eerste communie gedaan. Het katholicisme kende in dat Limburgse dorp nog een grote mate van vanzelfsprekendheid; de kerk stond letterlijk, maar vooral ook figuurlijk midden in het dorp. Dat katholicisme had echter niets beklemmends of geslotens. Integendeel, het had een ontspannen en feestelijk karakter. Het was het blije katholicisme van na het concilie: de ramen en de deuren stonden wijd open, alles werd nieuw, of althans: er hing een sfeer in de lucht alsof alles in elk geval nieuw kón worden. Dat was in ons dorp mede te danken aan de pastoor die wij hadden, een priester van vijftig jaar, een man van de vernieuwing, die in hetzelfde jaar waarin ik mijn eerste communie deed zijn kapelaan zag vertrekken omdat die ging trouwen. Hij vond het niet nodig dat wij zouden biechten voor onze eerste communie. Ik kan me althans niet herinneren dat we dat gedaan hebben, en ik heb er dus ook geen trauma aan over gehouden. Die pastoor werd in 1968 opgevolgd door een bijzondere priester, een artistieke man, die een tijdlang de geestelijke leidsman van Gerard Reve is geweest. In ons dorp werd hij misschien niet door iedereen begrepen, die pastoor, maar ook hij zorgde ervoor dat het katholicisme dat ik leerde kennen, gekenmerkt werd door warmte, door gevoel voor schoonheid en vooral door ruimte. Er was weinig bedompts en bekrompens aan. En het zou nog vier jaar duren eer bisschop Gijsen benoemd werd en de verkilling intrad.

In mijn middelbare schooltijd ontdekte ik vervolgens hoe diep en breed de wortels van dat katholicisme van mijn jeugd waren. In ons dorp was ik mij daar niet zo van bewust geworden; het katholicisme leek daar even vanzelfsprekend te zijn als het water van de Maas dat langs het dorp stroomde. Daar vroegen we ons ook niet van af hoe diep het was. Maar daar kwam in de tweede klas van de middelbare school verandering in door de kennismaking met het benedictijnse kloosterleven. Dat opende voor mij een fascinerende wereld van spiritualiteit en cultuur, van schoonheid en evenwicht, een wereld die ik zó fascinerend vond dat ik na mijn middelbare schooltijd ook een tijd geprobeerd heb in die wereld te leven. Dat bleek uiteindelijk geen bestendig succes, maar de fascinatie is gebleven, tot de dag van vandaag. 

Ons religieuze geheugen 

Het woordenboek legt ‘wortel schieten’ uit als ‘zich met de wortels vasthechten in de grond’. Dat hoef ik dus niet meer te doen. Ik heb al wortels die diep de grond in gaan. Zoals vrijwel iedereen, al beseffen we niet altijd hoe diep die wortels gaan. Die wortels zijn voor mij als mijn eerste taal: de taal – in mijn geval zou ik eigenlijk moeten zeggen: het dialect – waarin ik religieus heb leren spreken. Dergelijke religieuze wortels hebben, afhankelijk van de cultuur waarin zij zijn opgegroeid en gesocialiseerd, vrijwel alle mensen. De Engelse antropoloog en religiewetenschapper Harvey Whitehouse heeft een jaar of tien geleden op basis van onderzoek in verschillende cultuurgemeenschappen een typologie ontwikkeld van verschillende modaliteiten van religiositeit, ‘modes of religiosity’. Die modaliteiten verbindt hij met inzichten uit de cognitiewetenschap over hoe wij informatie verwerken en opslaan in ons geheugen en hoe wij die informatie vervolgens benutten. Veel religieuze praktijken hangen samen met informatie die wij opgeslagen hebben in het impliciete of zogenaamde niet-declaratieve geheugen. Dat is het deel van het geheugen waarin ‘onbewuste’ vaardigheden, zoals fietsen of lezen, zijn opgeslagen, en dat gesitueerd is in bepaalde delen van ons brein, ondermeer in de basale kernen of ganglia. Daar zit de informatie die ons religieuze handelen vaak onbewust of impliciet stuurt, omdat die informatie door voortdurende herhaling als het ware deel is geworden van onze automatische piloot. Andere informatie, die vooral te maken heeft met een heftige religieuze ervaring, zoals een aangrijpend ritueel dat we hebben meegemaakt of een mystieke ervaring die ons is overkomen, zit opgeslagen in het zogenaamde episodische geheugen, dus dat deel van ons geheugen waar de herinnering wordt bewaard aan concreet in tijd en plaats gesitueerde gebeurtenissen. Van die ervaringen – u moet dan denken aan het soort religieuze ervaringen waarover elke vrijdag in de rubriek ‘Religieuze belevenissen’ in het dagblad Trouw wordt gerapporteerd - weten we nog precies wanneer en waar ze zich hebben voorgedaan. Het episodische geheugen waarin ze zijn opgeslagen, is deel van het zogenaamde expliciete of declaratieve geheugen, dat in het brein wordt gesitueerd in de mediotemporale cortex. Het is maar dat u het weet. De religieuze informatie die in het impliciete geheugen ligt opgeslagen en die dus onze wortels vormt, kan wakker geroepen worden en geactiveerd worden door een expliciete religieuze ervaring, een ervaring die ons emotioneel raakt. En voor zulke ‘wakker geroepen religiositeit’ zou ik graag het woord spiritualiteit willen reserveren. Onder religiositeit versta ik het geheel van opvattingen en handelingen waardoor en waarmee mensen aan hun eigen bestaan zin en betekenis geven door het te verbinden met iets dat hen overstijgt, iets dat hen draagt of omgeeft, iets dat groter is dan zijzelf zijn. En onder spiritualiteit versta ik dan vervolgens religiositeit die in een mensenleven iets in beweging zet, die een dynamische en veranderende (voor mijn part, om met Kees Waaijman te spreken, ‘omvormende’) kracht in iemands leven wordt. Kort gezegd: spiritualiteit is religiositeit die gaat kriebelen. Religiositeit die in ons impliciete geheugen opgeslagen ligt, als deel van onze wortels, is daarmee nog geen spiritualiteit. Maar ze kan het wel worden. 

De eerste taal 

Die eerste, dus impliciete vorm van religieuze informatie vormt onze wortels. Ik zou aan de metafoor van de wortels nog graag die van de taal willen toevoegen (ik heb het zojuist al stiekem gedaan): de wortels van onze religiositeit vormen tegelijk onze eerste taal. Je kunt besluiten die taal niet meer te gebruiken, maar je verliest haar nooit helemaal. Er is veel taalkundig onderzoek gedaan naar eerste taalverlies (first language attrition) en naar het aanleren van een tweede taal, bijvoorbeeld bij migranten. Wie zijn eerste taal niet meer heel regelmatig gebruikt, wordt minder geoefend in die taal en maakt eerder fouten. Maar toch verliest de spreker die taal nooit helemaal. Hij slaat haar op in een statische, min of meer ‘zuivere’ vorm. En die vorm kan verouderen. Bij de actieve gebruikers van de eerste taal blijft die taal zich namelijk ontwikkelen en dus verandert zij. Bij de niet-meer gebruiker wordt ze in een oude vorm opgeslagen. Wie wil weten hoe het Maastrichts, het Rotterdams of het Nijmeegs van rond 1950 heeft geklonken, moet onderzoek gaan doen bij emigranten uit die steden in Canada, Australië of Nieuw-Zeeland. Zij hebben de eerste taal veelal in hun impliciete geheugen opgeslagen in de staat waarin die zich bevond toen zij ophielden haar dagelijks te gebruiken. Zo is het ook met velen die hun eerste religieuze taal niet meer gebruiken: mensen die afstand hebben genomen van het geloof van hun jeugd, van hun christelijke wortels. Ook zij hebben veelal een inmiddels achterhaald beeld van het katholicisme of het protestantisme opgeslagen in hun impliciete geheugen: dat van het katholicisme of het protestantisme zoals het was toen zij er afstand van namen. Het speelt journalisten en opiniemakers nogal eens parten: wanneer ze in de actualiteit plotseling met religie geconfronteerd worden, halen zij uit het archief van hun impliciete geheugen de beelden tevoorschijn van het christendom van enkele decennia geleden. Dit fenomeen – beeldvorming op basis van achterstallig onderhoud - is misschien nog wel hinderlijker dan de dictatuur van het atheïsme bij journalisten en opiniemakers, dat door Kluun in zijn essay bij gelegenheid van de Maand van de Spiritualiteit (God is gek) gehekeld wordt.

Wie zich ooit een eerste taal heeft meester gemaakt, kan zich ook een tweede en een derde taal eigen maken. En dat kan hij des te beter dankzij die eerste taal. De meeste mensen verwerven hun tweede taal via de regels en vormen, de matrix of de mal van hun eerste taal. Ik denk dat het ook met religieuze talen zo gaat. Wie in Europa zegt boeddhist te zijn, is, als hij althans geen immigrant uit een boeddhistisch cultuurland is, boeddhist in een door het christendom getekende - voor mijn part zelfs ‘besmette’ - vorm. En wie zich als bekeerling op latere leeftijd het katholicisme als tweede religieuze taal heeft eigen gemaakt, gebruikt die taal op een andere manier dan wie met datzelfde katholicisme als eerste taal is opgegroeid.

Behalve de metafoor van de wortels en die van de taal zou ik nog een derde metafoor willen invoeren: die van de bedding. De traditie waarin wij zijn grootgebracht en waarvan de vormen en patronen in ons impliciete geheugen liggen opgeslagen, kan een bedding vormen voor de bijzondere religieuze ervaringen uit ons episodische geheugen, die onze religiositeit tot spiritualiteit maken. Anders gezegd: spiritualiteit heeft vaak iets van een onstuimige rivierstroom, die soms ondergronds gaat en dan weer aan de oppervlakte komt. De traditie biedt aan die rivier een bedding. Soms zal die rivier buiten haar oevers treden, soms zal zij door de bedding heen breken, soms laat zij nieuwe zijrivieren ontstaan, soms ook komen verschillende rivieren samen in één stroom. Zo kan het ook gaan met onze spiritualiteit: er kan water in samenvloeien uit verschillende bronnen en stromingen, de rivier kan gevoed worden door grondwater en door regenwater, door beken die uit onvermoede richtingen komen. Maar graag zoekt het water van die wilde rivier toch oude en vertrouwde beddingen op: de traditie dus. 

Kiezen in veelstromenland 

Die traditie is overigens verre van eenvormig. Zij is een veelstromenland, om de metafoor van de rivier en de bedding nog even vast te houden. Ik ben blij dat het woord traditie in de titel van deze voordracht in het meervoud staat: tradities. In mijn geval wortelt mijn spiritualiteit in de christelijke traditie, maar ik moet er meteen bij zeggen dat die traditie niet bestaat: er is niet één christelijke traditie die we kortweg ‘de’ christelijke traditie noemen, er is een veelvoud aan christelijke tradities. Ik vertelde eerder al dat voor mijn eigen spiritualiteit de traditie van het benedictijnse kloosterleven van groot belang is geweest. Deze traditie is er één van vele in de geschiedenis van christelijke spiritualiteiten. Er bestaat in allerlei gemeenschappen, en vooral in religieuze instituties, een grote drang om de complexiteit van het verleden te reduceren tot één homogene en lineaire traditie. Mensen hebben behoefte aan overzicht en maken daarom graag constructies die helder en goed geordend zijn: ‘het’ christendom, ‘het’ boeddhisme, ‘de’ traditie, ‘de’ Nederlandse identiteit enzovoorts.

Die tendens kan, toegepast op religieuze tradities, met de Amerikaanse religiewetenschapper Dale Irvin beschreven worden als een ‘totaliserende opvatting van traditie’. Het complexe verleden wordt teruggebracht tot één dominant verhaal, één ‘master narrative’ van ‘de’ geschiedenis van ‘het’ christendom. Het product van deze totalisering van de traditie is een voorstelling van de geschiedenis van het christendom die dominant of exclusief Europees is, die vooral de geschiedenis is van mannen en die vooral de geschiedenis is van ambtsdragers en andere ‘religieuze professionals’. Tegen deze simplificatie en domesticatie van het verleden is al vaker protest aangetekend door historici vanuit verschillende invalshoeken. Zij pleiten voor een herlezing van het verleden die er naar streeft om de veelvormigheid van tradities niet in nieuwe totaliserende concepten op te laten lossen, maar die recht doet aan de diversiteit van het verleden en de diversiteit van de historische identiteit van – in dit geval - het christendom. Dale Irvin vat dit samen in het streven naar een genealogische lezing van het verleden, of liever van de verledens – in meervoud dus - van religie, kerk en geloof. Die genealogische lezing leidt tot een pluralisering van het verleden: er is niet ‘één’ geschiedenis van het christendom, er zijn véle geloofwaardige geschiedenissen. Of anders gezegd: de geschiedenis van het christendom is niet de geschiedenis van één weg, maar de geschiedenis van wegen en dwarswegen, van ‘multiple trajectories’.

En in die geschiedenis worden voortdurend keuzes gemaakt uit het veelvormige aanbod aan mogelijkheden. Het resultaat van dat historische keuze- en selectieproces zijn tradities in de zin van afgebakende, min of meer canonieke religieuze stromingen. Die stromingen ontlenen hun identiteit aan hun traditie, dat wil zeggen aan de keuzes die in hun geschiedenis gemaakt zijn en die doorwerken in hun geloofsbelijdenis, in hun stijl van ritueel vieren, in hun manier van herinneren en gedenken, in de verhalen die zij vertellen, in hun organisatievorm en bestuursstructuur enzovoorts. Individuele mensen ontlenen vervolgens hun identiteit weer aan het behoren tot een dergelijke stroming, tot een traditie. Die traditie is, om terug te komen bij een eerder beeld, voor hen als een taal. Maar zij gebruiken heus niet alle woorden uit die taal. Zij laten bepaalde stijlvormen of grammaticale regels van die taal ongebruikt. En anderzijds halen zij uit het repertoire van die taal bepaalde lievelingswoorden, zinswendingen of stijlfiguren, die zij juist heel vaak en met liefde gebruiken.

Zo maakt dus iedere gebruiker zijn eigen keuze uit het aanbod van de taal. Of om de eerste metafoor, die van de wortels, nog eens te gebruiken: wij koesteren bepaalde wortels en wij laten andere wortels voor wat zij zijn. Er worden dus voortdurend keuzes gemaakt uit de traditie, of de tradities, zowel in de onderdelen waaruit die tradities zijn samengesteld als in de intensiteit waarmee wij die onderdelen gebruiken. Dat is vooral het geval op het gebied van de spiritualiteit, en dat is eigenlijk ook al eeuwen zo. Het fenomeen van het spirituele relishoppen is heus niet nieuw. Ook in een ogenschijnlijk zo hechte en uniforme traditie als die van het katholicisme was er een grote variëteit aan vroomheidsvormen waaruit individuele gelovigen hun keuze konden maken. Op dat vlak bood de kerkelijke traditie een supermarkt vol artikelen aan, waaruit ieder zijn eigen selectie kon maken. De een werd meer aangesproken door de thematiek van het hart van Jezus, de ander meer door die van het lijden, weer een ander voelde zich meer thuis bij Maria. Iedere gelovige kon zijn of haar eigen voorkeur bepalen voor een of meer heiligen: voor de een was bij voorbeeld Antonius van Padua de meest geliefde heilige, de ander voelde zich volledig op zijn gemak bij Theresia van Lisieux of Gerardus Majella. In de omgang met de hemelbewoners kon men eigen keuzes maken die tegelijk volstrekt eigenzinnig én volledig rechtzinnig waren.

Ook in de vormgeving van die omgang kon men vervolgens selecteren uit een rijk aanbod. De supermarkt van de katholieke traditie bood een scala aan devotievormen en geestelijke oefeningen aan, waaruit de gelovige zijn of haar eigen menu kon samenstellen. En voor de professionals waren er tenslotte nog uitgekristalliseerde scholen van spiritualiteit waarmee zij zich konden verbinden: spirituele subculturen die meestal doorgegeven werden in de traditie van een kloosterorde of congregatie. De benedictijnse traditie die in mijn eigen leven een richtingwijzende rol heeft gespeeld, is er daar één van, en zij is er één van vele. 

Ik kom tot een afsluiting. Dat spiritualiteit wortelt in een of meer tradities, is eerder een nuchtere constatering dan een opdracht of programma. Wij hebben allemaal wortels. Zij liggen voor een deel opgeslagen in ons impliciete geheugen en zij sturen, meestal zonder dat wij het in de gaten hebben, onze religieuze perceptie van de werkelijkheid en ons alledaagse rituele en morele handelen. Van impliciet kunnen zij expliciet worden, als wij ervoor kiezen onze wortels te koesteren. Maar wij kunnen ze ook als een belemmering ervaren. De ene wortel kan de uitgroei van de andere in de weg staan. En dan kan het soms nodig zijn in onze wortels te snoeien. Zoals het soms nodig kan zijn om, juist uit respect voor de traditie, afscheid te nemen van elementen uit het verleden, bepaalde woorden uit onze eerste taal maar niet meer te gebruiken of een nieuwe bedding te zoeken voor onze spirituele stroom.  

Enkele literatuurverwijzingen

Een goede introductie op de theorie van Harvey Whitehouse biedt zijn boek Modes of Religiosity. A Cognitive Theory of Religious Transmission, Oxford 2004. De gedachten over de pluraliteit van tradities zijn deels gebaseerd op Dale T. Irvin, Christian Histories, Christian Traditioning. Rendering Accounts, Maryknoll, New York 1998. Enkele gedachten over het keuzeproces in spiritualiteit zijn verder uitgewerkt in Peter Nissen, ‘De geschiedenis van de christelijke spiritualiteit als een weg van kiezen en delen’, Speling 53 (2001) nummer 4, 7-14.