Cornelius Jansenius uit Hulst in de geschiedenis van het bisschopsambt

Op 6 november 2010 werd in de Basiliek van Hulst het feit herdacht dat vijfhonderd jaar geleden in die stad Cornelius Jansenius geboren werd, een zielzorger en bijbelwetenschapper, die de eerste bisschop van het bisdom Gent zou worden. Bij die gelegenheid sprak Peter Nissen tijdens een academische zitting een rede uit waarin hij Cornelius Jansenius plaatste in de geschiedenis van het bisschopsambt.

 

 

Jongelui, Arbeidt Netjes, Stipt En Nauwkeurig In Uw School. Met dit acrostichon, waarvan de eerste letters de naam Jansenius opleveren, werd de man uit de zestiende eeuw die ons hier vandaag samenbrengt, ten voorbeeld gesteld aan leerlingen van het Jansenius-College in Hulst, dat later is opgegaan in het huidige Reynaertcollege. Jongelui, arbeidt netjes, stipt en nauwkeurig in uw school: die woorden, volgens de mondelinge overlevering bedacht door de pater marist en geschiedenisleraar Jos Pirenne, hadden ook betrekking kunnen hebben op de naamgever van het Jansenius-College, en dan had erop kunnen volgen: en dan kunnen jullie het, net als ik, nog ver schoppen in het leven. Want deze zoon van Hulst werd na een gevarieerde loopbaan in het onderwijs, de wetenschap en de zielzorg, uiteindelijk de eerste bisschop van het bisdom Gent. Cornelius Jansenius brengt ons hier vandaag bij elkaar omdat hij vijfhonderd jaar geleden in Hulst als zoon van Margriete Loodt en de barbier en chirurgijn Cornelis Jansen geboren werd. Althans, helemaal zeker weten we dat niet, zo wordt duidelijk uit de biografie van Jansenius van de hand van Jan Lockefeer, die is opgenomen in het boek dat vanmiddag ten doop wordt gehouden. We weten alleen zeker dat hij op 11 april 1576 overleed en dat hij toen zesenzestig jaar oud was. Hij kan dus ook goed al in 1509 geboren zijn. Maar goed, als u dat leest in dat voortreffelijke biografische artikel, hebt u het boek toch al gekocht. En mocht deze feestelijke zitting dus eigenlijk een jaar te laat zijn, laten we haar dan beschouwen als een uitgestelde viering en als achterstallig onderhoud.  

Dat wij nu vijfhonderd jaar later (of 501 dus…) aandacht besteden aan deze zoon uit het oppidum non ignobile, de niet onbeduidende stad, zoals Hulst in de lijkrede bij de uitvaart van Jansenius genoemd werd, is niet te danken aan het feit dat hij een ijverige pastoor van Kortrijk is geweest en ook niet aan zijn docentschap in de norbertijnenabdij van Tongerlo, en evenmin aan de slechts zes jaren dat hij hoogleraar aan de theologische faculteit van de Leuvense universiteit was en het feit dat hij een niet onverdienstelijk bijbelwetenschapper was (daar vertelt Jan de Kort meer over in zijn artikel in de bundel). Nee, dat wij hem nu nog gedenken heeft te maken met het feit dat hij de eerste bisschop was van het in 1559 opgerichte bisdom Gent. De organisatoren van deze plechtigheid hebben mij daarom gevraagd Jansenius te plaatsen in de ontwikkeling van het bisschopsambt in zijn tijd, en dat zal ik graag doen. 

De geschiedenis van het bisschopsambt is een tragische historie van de spanning tussen een hooggestemd ideaal en de harde praktijk. Het hooggestemde ideaal was, kort gezegd, dat de bisschop op de eerste plaats een herder was, een zielzorger dus, een pastor en leraar van de gelovigen in de lokale geloofsgemeenschap die bisdom genoemd wordt. De harde praktijk was dat hij in de geschiedenis veelal op de eerste plaats een speelbal was in het machtsspel van wereldlijke en kerkelijke heren, een machtsspel dat doorgaans van bovenaf gespeeld werd en waarin de gelovigen een volstrekt ondergeschikte rol speelden, ja waar zij doorgaans vooral slachtoffer van waren. Het bijzondere van Jansenius is dat hij bisschop was in een tijd waarin het ideaal het even leek te gaan winnen van de harde praktijk. En dat heeft alles te maken met de kerkelijke vernieuwingsbeweging die werd ingezet door de grootste kerkvergadering van de zestiende eeuw, de grootste tevens tussen de dertiende eeuw en de negentiende eeuw, tussen het Vierde Concilie van Lateranen en het Eerste Vaticaans Concilie, namelijk het Concilie van Trente, een kerkvergadering waarvan Jansenius als Leuvens hoogleraar, na een reis van vijf weken, in de tweede helft van 1563 de drie laatste zittingen als theologisch adviseur en afgezant van de Nederlanden heeft bijgewoond. 

Dat Concilie van Trente verdient nog even onze aandacht, want het is een belangrijk moment in de beoogde vernieuwing van het bisschopsambt waar Jansenius een exponent van was. Jansenius maakte nog net het staartje mee van een kerkvergadering die weliswaar belangrijk en invloedrijk was, maar niet bepaald drukbezocht: op 13 december 1545 werd het algemene concilie in de stad Trente geopend in tegenwoordigheid van slechts 31 merendeels Italiaanse bisschoppen. In de kathedraal van Trente, toegewijd aan de Heilige Drievuldigheid, werd op die dertiende december 1545 een plechtige mis opgedragen door de pauselijke gezant kardinaal del Monte, de oudste in waardigheid van de aanwezigen. De minderbroeder Cornelio Musso, bisschop van Bitonto en een van de meest gevierde kanselredenaars van Italië, hield tijdens de mis de zogeheten conciliepreek, waarna kardinaal del Monte een gebed om bijstand uitsprak tot de Heilige Geest. De concilievaders wisten wel dat zij die bijstand hard nodig zouden hebben. Het Concilie van Trente kwam immers onder moeilijke omstandigheden en na vele vergeefse pogingen bij elkaar.

Naar het concilie was lang uitgezien. Tegelijk met de algemene roep om hervorming van kerk, theologie en samenleving die tegen het einde van de Middeleeuwen en in het begin van de zestiende eeuw op vele fronten klonk, werd namelijk ook herhaaldelijk de wenselijkheid uitgesproken van een algemeen concilie dat die hervormingen met gezag zou doorvoeren. Zo heeft ook Maarten Luther in de eerste jaren van zijn reformatorische optreden bij herhaling gepleit voor een algemeen of oecumenisch, dat wil zeggen heel de wereldkerk omvattend, concilie. De Nederlands-Vlaamse paus Adrianus VI, geboren in Utrecht maar het grootste deel van zijn leven student en hoogleraar te Leuven, zag ook de gebreken van de kerk van die dagen en wilde ook inderdaad tot het samenroepen van een concilie overgaan. Maar zijn pausschap in het jaar 1522-1523 was te kort van duur – hij was maar goed dertien maanden in Rome – om zijn plan ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. Een volgende paus die de noodzaak van hervormingen in de kerk zag, Paulus III, paus van 1534 tot 1549, zag de droom van het oecumenisch concilie ruim twintig jaar later wel verwezenlijkt, maar ook pas na drie vergeefse pogingen.

Toen het in december 1545 zo ver was dat het concilie geopend kon worden, had Maarten Luther, die trouwens twee maanden later, in februari 1546, zou overlijden, zijn hoop op binnenkerkelijke hervormingen door middel van een concilie al lang verloren. Katholieken en hervormingsgezinden waren in de voorbije twee, bijna drie decennia al te ver uit elkaar gegroeid. De laatstgenoemden werden, evenals trouwens de op bemiddeling gerichte gematigde katholieke theologen, de zogenaamde irenici of, in het Duits, Vermittlungstheologen, zoals Georg Witzel en de Westvlaming Joris Cassander, ook bij voorbaat van deelname aan het concilie uitgesloten. Voor degenen die nog hoopten op een verzoening van de kerkelijke tegenstellingen, kwam het Concilie van Trente dus onmiskenbaar te laat. In plaats van de tegenstellingen te overbruggen zou het die alleen nog maar verharden en vergroten.

Het concilie kon in december 1545 eindelijk van start gaan dank zij het feit dat de Franse koning Frans I en de Duitse keizer Karel V, tevens heer van de Nederlanden, een jaar eerder vrede hadden gesloten. De keuze van de stad Trente was het resultaat van een compromis. De Duitse keizer, die een stevige greep op de kerkvergadering wilde houden, kon zich gevleid voelen omdat de stad in zijn keizerrijk gelegen was, terwijl de paus, die juist bevreesd was voor een te sterk Duits stempel op het concilie – hij vertrouwde de Duitse theologen maar matig -, zich kon troosten met het gegeven dat de bevolking van Trente voornamelijk uit Italianen bestond. Bovendien konden koeriers van de paus de stad binnen twee etmalen te paard bereiken om hun boodschappen en instructies in geheim cijferschrift over te brengen. De paus zelf heeft namelijk niet één enkele sessie van het concilie bijgewoond. Dat vond hij te gevaarlijk. Hij liet zich vervangen door gezanten.

Het Concilie van Trente werd de kerkvergadering met de langste duur uit heel de kerkgeschiedenis. Dat was te wijten aan de lange onderbrekingen tussen de zittingsperioden. Het concilie kwam in drie fasen bijeen. De eerste duurde van 1545 tot 1549, maar in 1547 was het concilie al tussentijds verplaatst naar Bologna. De officiële reden van die verplaatsing was het uitbreken van de pest in Trente, maar het kwam de paus ook goed uit, want nu werd het concilie immers weer iets dichter bij Rome gehouden. Een tweede zittingsperiode vond plaats in 1551 en 1552, maar moest voortijdig afgebroken worden omdat Maurits van Saksen met zijn legers de stad Trente naderde. De laatste en afrondende zittingsperiode vond plaats in 1562 en 1563, en daar heeft Cornelius Jansenius dus het laatste halfjaar, d.w.z. drie zittingen, van meegemaakt. Het Concilie van Trente werd zeker niet het drukstbezochte concilie uit de geschiedenis. Van de kleine duizend bisschoppen die de katholieke kerk toen telde, waren er nog geen honderd bij de vergaderingen aanwezig. Wie dat vergelijkt met de ongeveer vierhonderd bisschoppen bij het belangrijkste middeleeuwse concilie, het Vierde Concilie van Lateranen in 1215, of met de ongeveer 2500 deelnemers bij het Tweede Vaticaans Concilie (van 1962 tot 1965, nog vers in het geheugen van de ouderen onder ons), moet wel tot de slotsom komen dat in Trente slechts een bescheiden bijeenkomst gehouden werd. Toch vielen daar belangrijke besluiten, die het kerkelijk leven in de volgende eeuwen ingrijpend zouden beïnvloeden. 

Het Concilie van Trente vaardigde twee soorten van besluiten uit. De ene soort bestond uit de decreta de fide: besluiten over de geloofsleer. Zij dienden om het katholieke geloof opnieuw en zuiver te formuleren, uiteraard vooral als antwoord op de uitdaging van de Reformatie. De andere soort waren decreta de reformatione: besluiten die gericht waren op de binnenkerkelijke hervorming en die een einde wilde maken aan bepaalde wantoestanden in het kerkelijk leven.

In de dogmatische decreten, de decreta de fide, verwoordde het Concilie van Trente de katholieke leer over de rechtvaardiging, in reactie op Luthers leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Ook werd door de concilievaders vastgelegd dat de katholieke kerk zeven sacramenten kent, in tegenstelling tot de reformatoren die alleen doop en avondmaal als sacramenten wilden erkennen.

De geloofsdecreten van het Concilie van Trente werden doorgaans gevolgd door veroordelingen van de afwijkende opvattingen van de reformatoren. Die veroordelingen hebben helaas meer invloed uitgeoefend dan de soms veel evenwichtiger geformuleerde decreten zelf. En vooral hebben zij eeuwenlang de polemiek met de kerken van de Reformatie gevoed en bevorderd. Eerst de opkomst van de oecumenische beweging heeft er in de laatste decennia van de twintigste eeuw toe geleid dat men zich is gaan afvragen of de wederzijdse veroordelingen uit de zestiende eeuw wel adequaat waren en vooral of ze nog wel van toepassing zijn. Dat heeft in de jaren tachtig en negentig van de afgelopen eeuw geleid tot gemeenschappelijke kerkelijke studiecommissies vol katholieke en protestantse theologische zwaargewichten, onder wie ook de huidige paus, toen nog Joseph Ratzinger. Die commissies hebben zich in hun eindrapporten afgevraagd of de wederzijdse veroordelingen van de zestiende eeuw niet veelmeer op negatieve beeldvorming dan op werkelijke kennis van elkaars standpunten gebaseerd waren en of daarom in onze dagen niet moet worden vastgesteld dat zij niet meer kerkscheidend mogen werken. Tot daadwerkelijke stappen van verzoening heeft al dat oecumenisch commissiewerk echter nog niet geleid, en het lijkt nu al weer bijna tot een idyllisch oecumenisch verleden te behoren. Een jonge priester uit Tilburg, landelijk bekend geworden als vroege klokkenluider, verkondigde anderhalve week geleden in een lezing voor een protestantse studentenvereniging in die stad, dat de banvloeken van het Concilie van Trente nog altijd van kracht zijn. Het is maar dat u het weet. 

Interessanter voor ons thema van vanmiddag zijn de hervormingsbesluiten van het concilie. Die probeerden namelijk de grondlijnen te tekenen voor een vernieuwing van het kerkelijk leven. Sommige ervan hebben ook daadwerkelijk een grote doorwerking gekend in het katholicisme van de volgende drie of zelfs vier eeuwen. Zo riep het Concilie van Trente met zijn seminariedecreet een nieuwe institutie in het leven voor de vorming van toekomstige priesters. Cornelius Jansenius heeft de aanvaarding van dat besluit, in de conciliezitting van 15 juli 1563, persoonlijk meegemaakt. Het besluit ging echter verder dan alleen het in het leven roepen van de institutie van het seminarie. Ook het pastorale ambt van de priester werd opnieuw geformuleerd: zijn taken en plichten, zijn levenswijze en zijn vroomheid, zijn verantwoordelijkheid voor zielzorg, prediking en geloofsonderricht. Historici als Marc Venard en Jean Delumeau hebben erop gewezen dat dit besluit de priesters pastoraler heeft gemaakt dan zij, blijkens de bronnen, vóór die tijd waren, maar ook dat het onderscheid tussen priesters en leken erdoor vergroot werd en dat de katholieke kerk er klerikaler door geworden is. Priesters moesten zich voortaan in gedrag, kleding en zelfs haar- en baarddracht onderscheiden van de gewone gelovigen. Zij werden geacht niet meer in herbergen te komen en hun vrouwelijke partners, hun concubines – in sommige bisdommen deelde vóór het Concilie van Trente wel ongeveer de helft van alle parochiepriesters het leven met een vrouw – moesten zij wegsturen. De gevolgen van die ontwikkeling zijn tot de dag van vandaag merkbaar, ondermeer in de verkrampte opstelling van de rooms-katholieke kerk tegenover het al dan niet verborgen seksuele gedrag van haar ambtsdragers.

Jansenius maakte van het concilie ook nog de voorlaatste zitting mee, in november 1563, over het huwelijk, en de laatste, van december 1563, waarin het vagevuur, de heiligenverering en de aflaat ter sprake kwamen. Als lid van de commissie die de tekst over de aflaat moest voorbereiden, kan hij zelfs nog een steentje aan het conciliebesluit hebben bijgedragen, al weten we niet hoe groot dat steentje is geweest. Wel vertelt hij in een brief vanuit Trente aan de Friese rechtsgeleerde Viglius van Aytta, toen president van de Geheime Raad en de Raad van State te Mechelen, dat het hard werken was: wegens de vele agendapunten en stemmingen waren de concilievaders van ’s morgens acht tot ’s avonds acht in de weer. Een marathonzitting dus die nauwelijks hoeft onder te doen voor de vergadercultuur van onze tijd. 

Wat Jansenius in Trente ook nog juist meemaakte, was het staartje van de bespreking over het bisschopsambt. Die was in het najaar van 1562 begonnen en kwam pas tijdens de zitting van 15 juli 1563 tot een afronding. Het was namelijk een van de hot items van het concilie. De concilievaders wisten dat de gewenste hervorming van het kerkelijk leven stond of viel met de hervorming van de leiders van de lokale kerk: de bisschoppen. Die waren in de loop van de Middeleeuwen, goede uitzonderingen niet te na gesproken, over het algemeen vooral weer werelds prelaten en vaak ook wereldlijke vorsten geworden. Daarmee raken we de tragiek van de geschiedenis van het bisschopsambt waar ik eerder over sprak. In de elfde en twaalfde eeuw had een kerkelijke hervormingsbeweging, naar paus Gregorius VII de gregoriaanse hervorming genoemd, er al naar gestreefd van de bisschoppen weer echte kerkelijke herders te maken en hun benoeming te vrijwaren van inmenging van de wereldlijke vorsten. U kent allemaal uit de geschiedenislessen nog wel de termen investituurstrijd en Concordaat van Worms. Dat laatste, gesloten in 1122, legde vast dat de keizer voortaan zou respecteren dat de benoeming van bisschoppen een zaak van de kerk was. Pas als een bisschop voorzien was van zijn geestelijke waardigheid, zou de keizer of een andere vorst hem ook kunnen bekleden met wereldlijke macht, de zogenaamde investituur. Maar het Concordaat van Worms bleef in vele delen van de middeleeuwse christenheid niet meer dan geduldig papier, of liever perkament. Tegen het einde van de Middeleeuwen en in het begin van de zestiende eeuw trad slechts een klein gedeelte van de bisschoppen daadwerkelijk als herder, als pastor van de lokale kerk op. Het merendeel was slechts heer, bestuurder, vorst, en het laatste in een aantal gevallen zelfs letterlijk, namelijk in de bisdommen die prinsbisdommen genoemd werden, zoals het zeer uitgestrekte bisdom Luik, of Fürstbistümer, zoals in het Duitse Rijk. Vele van die bisschoppen waren ook alleen maar benoemd tot bisschop, dus hadden wel de bestuursmacht, maar waren nooit gewijd tot bisschop, dus zij beschikten niet over de sacramentele bevoegdheden die tot het bisschopsambt behoorden. Daarvoor lieten zij zich vervangen door wijbisschoppen; wij zouden nu zeggen hulpbisschoppen, maar de in Duitsland nog steeds gebruikte term wijbisschoppen maakt duidelijk wat hun voornaamste taak was: zij moesten wijdingshandelingen verrichten, zoals de wijding van subdiakens, diakens en priesters en de wijding van kerken en kapellen. Maar ook in die kringen lagen de prioriteiten soms anders. Nicolaas van Nieuwland, die in 1562 de eerste bisschop van het nieuwe bisdom Haarlem zou worden, was vóór die tijd, vanaf 1541, wijbisschop van de Utrechtse bisschoppen George van Egmond en Frederik Schenk van Toutenburg. Maar zijn bijnaam ‘wijnbisschop’ spreekt boekdelen, evenals een andere bijnaam: ‘dronken Klaesgen’ of in het Latijn ‘ebrius Nicolaiculus’

De concilievaders in Trente wilden een einde maken aan deze wantoestanden. Zij probeerden een forse kwaliteitsimpuls aan het bisschopsambt te geven. Dat streefden zij op de eerste plaats na langs een leerstellige weg. Zij wilden vastleggen dat het bisschopsambt op goddelijk recht berustte, krachtens de instelling van dat ambt door Christus zelf. Vooral de Spaanse theologen verdedigden tijdens de vergaderingen deze goddelijke instelling van het bisschopsambt en ook de stelling dat de bisschoppen hun gezag, ook in bestuurlijk opzicht, aan hun wijding ontleenden. Dat schoot de theologen van de Romeinse curie in het verkeerde keelgat. Die waren namelijk bang dat een zo zelfstandige fundering van het gezag van de bisschoppen zich wel eens tegen het gezag van de paus zou kunnen keren. Als de bisschoppen hun gezag aan Christus zelf ontleenden, dan zouden zij zich mét dat gezag tijdens een concilie gezamenlijk tegen de paus kunnen keren. In Rome zag men de angstdromen van het zogenaamde conciliarisme van een eeuw eerder weer herleven, toen met het oog op de gewenste hervorming van de kerk door sommige theologen het gezag van het concilie boven dat van de paus werd gesteld. Dat wilde men in Rome niet opnieuw meemaken. Er kwamen allerlei compromisvoorstellen. De generaal van de jezuïeten, Diego Lainez, stelde voor onderscheid te maken tussen de wijdingsmacht en de bestuurs- of jurisdictiemacht van de bisschoppen; de eerste ontleenden zij aan Christus, de tweede aan de paus. De woordvoerder van de Franse conciliedelegatie, kardinaal de Guise van Lotharingen, opperde om in een eerste canon vast te leggen dat de bisschoppen door Christus zijn aangesteld en daarmee boven de priesters staan en in een tweede canon de volle en algemene bestuursmacht van de paus te formuleren. Men kwam er niet uit, en er volgde dan ook géén dogmatische formulering over het bisschopsambt en over de verhouding van dit ambt tot dat van de paus. Het enige wat door de concilievaders in een geloofsdecreet werd vastgelegd is dat er een op goddelijke instelling berustende hiërarchie is, bestaande uit bisschoppen, priesters en dienaren (ministri), waarbij de laatste een theologisch volstrekt onheldere categorie is: vallen daar alle lagere wijdingen onder of alleen die van de diakens? Maar wat zich in de volgende eeuwen en tot de dag van vandaag nog veel sterker zou wreken is het feit dat het concilie de verhouding tussen paus en bisschoppen niet goed wist te formuleren. Het concilie liet die kwestie onbeslist en legde daarmee een zware hypotheek op de kerkgeschiedenis van de volgende eeuwen, tot nu toe. Want de onduidelijkheid over de theologische positie van de bisschoppen in de kerk maakte in de volgende eeuwen een steeds universelere machtsaanspraak van één bisschop, namelijk die van Rome, de paus dus, mogelijk, culminerend in de besluiten van het Eerste Vaticaans Concilie van 1870 over de onfeilbaarheid en het universele primaatschap van de paus. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft geprobeerd de balans weer te herstellen door te spreken over het collegiale bestuur van de wereldkerk door alle bisschoppen samen. Maar ook die collegialiteit blijkt, nu bijna een halve eeuw na dat concilie, vaak geduldig papier te zijn en komt in de praktijk van het kerkelijke leven steeds meer onder druk te staan van het hernieuwde centralisme van Rome. 

Het Concilie van Trente nam wel enkele andere besluiten die van groot belang waren voor het nieuwe profiel van het bisschopsambt in de tijd van Cornelius Jansenius. Zo was een klein jaar vóór Jansenius’ aankomst, in de zitting van september 1562, al vastgelegd dat de bisschoppen de plicht hadden om hospitalen, broederschappen en scholen in hun bisdom te visiteren. In november 1563, toen Jansenius erbij was, werd die visitatieplicht uitgebreid tot alle parochies. Daarmee werd vastgelegd dat de bisschoppen als herders hun kudde dienden te kennen en dienden toe te zien op het goede verloop van het kerkelijk leven. En in de zitting van juli 1563 was bepaald dat de bisschoppen in hun bisdom dienden te resideren. Zij moesten bij hun kudde zijn en temidden van hun gelovigen wonen. Het waren opnieuw de Spaanse theologen die deze residentieplicht zelfs op goddelijk recht wilden baseren. De debatten waren hevig en bijna was het concilie omwille van deze kwestie uit elkaar gegaan. De Spanjaarden kregen hun gelijk niet en de residentieplicht werd gewoon een zaak van kerkelijk en niet van goddelijk recht, bovendien een zaak waarin gedispenseerd kon worden. Maar de ijver waarmee over deze kwestie gedebatteerd werd, maakt duidelijk dat de concilievaders wilden dat de bisschoppen echt als herders temidden van de gelovigen werkzaam zouden zijn. Zij mochten niet langer leven als vorsten, op een kasteeltje, ver verwijderd van het kerkelijk leven in hun bisdom. Zij moesten aanwezig zijn temidden van hun kudde, als goede herders. 

Ruim een jaar later zou Cornelius Jansenius voor de opgave gesteld worden zelf gestalte te geven aan dit nieuwe pastorale bisschopsideaal. Op 25 november 1564 werd hij namelijk door Filips II aangewezen als bisschop van Gent, de enige zetel in de Lage Landen die sinds de invoering van de nieuwe bisdomindeling nog niet bezet was, om redenen die u in het hoofdstuk van Jan Lockefeer in het boek allemaal kunt nalezen. Ruim anderhalve maand later, op 14 januari 1565, schreef Jansenius deze benoeming te aanvaarden en op 6 juli 1565 werd zij door paus Pius IV bekrachtigd. Door de politieke onrust in de Lage Landen, waar de Opstand tegen Spanje tot ontwikkeling kwam (daarover meer deskundige informatie in het artikel van dr. Johan Decavele in de bundel), kon Jansenius pas bijna vier jaar na zijn benoeming en alleen met steun van de gevreesde hertog van Alva, op 28 augustus 1568 zijn zetel in bezit laten nemen en tien dagen later, op 8 september, zelf in zijn nieuwe bisschopsstad verschijnen.

Toen tijdens de laatste zittingsperiode van het Concilie van Trente in zijn aanwezigheid over het nieuwe profiel van de bisschoppen gedebatteerd werd, wist Jansenius natuurlijk nog niet dat hij bisschop van Gent zou worden. Zijn naam figureerde pas in de zomer van 1564 voor het eerst op een kandidatenlijst. Maar hij kon wel al bevroeden dat hij een serieuze kanshebber zou zijn. Hij kon namelijk weten dat het merendeel van de nieuwe bisschoppen in de Lage Landen universitair geschoolde theologen waren, net als hij afkomstig uit de kweekschool van de Leuvense universiteit. En hij wist ook dat zijn deelname aan enkele zittingen van het Concilie van Trente een belangrijke aanbeveling was. Van de weinige theologen uit de Lage Landen die bij het Concilie aanwezig waren geweest, waren er al twee bisschop geworden: Franciscus Sonnius, afkomstig uit Son bij Eindhoven en de eerste bisschop van ’s-Hertogenbosch, had de eerste en de tweede zittingsperiode, dus die van 1545 tot 1547 en die van 1551-1552 meegemaakt, en Martinus Rythovius, ook al uit Noord-Brabant en Jansenius’ metgezel bij de laatste zittingsperiode van het Concilie, was sinds november 1561 bisschop van Ieper. 

Die nieuwe bisschoppen waren nodig geworden door de nieuwe kerkelijke indeling van de Nederlanden, waarover in de wandelgangen tijdens de tweede zittingsperiode van het Concilie was onderhandeld, onder meer door Sonnius. Met die nieuwe bisdomindeling kwam een oud verlangen ten uitvoer. De bestaande kerkelijke indeling van de Nederlanden, die zich vanaf de vroege middeleeuwen had ontwikkeld, werd door verschillende partijen niet meer adequaat gevonden. Dat was al langer het geval. Al in de late middeleeuwen stoorde het de territoriale vorsten in de Nederlanden dat de bisdomgrenzen niet correspondeerden met de staatkundige grenzen. Daardoor viel een deel van hun onderdanen onder het kerkelijk gezag van buitenlandse bisschoppen zoals die van Reims, Keulen of Münster, of zij vielen kerkelijk onder het gezag van een bisschop die tegelijk wereldlijk heer was, zoals de prins-bisschop van Luik. Om die redenen probeerden bijvoorbeeld al hertog Jan III van Brabant in de veertiende eeuw en Filips de Goede in de vijftiende eeuw een nieuwe bisdomindeling tot stand te brengen voor respectievelijk het hertogdom Brabant en de Bourgondische Nederlanden, maar zonder succes. Ook Karel V liet in 1522 onderhandelingen voeren met de Nederlandse paus Adrianus VI, maar eveneens zonder succes. Voor de vorsten kwam de kwestie weer op de agenda toen de territoriale afronding van de Nederlanden een feit was geworden met het Verdrag van Venlo in 1543, waarbij ook het hertogdom Gelre onder het gezag van de landsheer van de Nederlanden werd gevoegd. Die landsheer wilde niet langer met buitenlandse bisschoppen te maken hebben en wilde bovendien zelf de bisschoppen in zijn territorium kunnen benoemen.

Bij deze politieke overwegingen voegden zich in de zestiende eeuw ook pastorale en kerkelijke overwegingen. De bestaande bisdommen werden veel te uitgestrekt gevonden en hun bisschoppen gedroegen zich – we hoorden het al eerder - vooral als wereldlijke heren en niet als kerkelijke herders. Een groot deel van de Zuidelijke Nederlanden bijvoorbeeld behoorde tot het bisdom Luik, onderdeel van de Keulse kerkprovincie. Dat bisdom Luik was enorm uitgestrekt: het telde maar liefst 2200 parochies, verdeeld over acht aartsdiaconaten en 28 dekenaten. Het kerkelijke bestuur werd feitelijk uitgeoefend door de aartsdiakens en niet door de bisschop van Luik zelf, die meestal alleen tot bisschop benoemd was, maar niet tot bisschop gewijd.

De nieuwe bisdomindeling moest dus zorgen voor kleinere bisdommen, die een kleinschaliger en fijnmaziger net zouden vormen voor het waarborgen van de zielzorg en het kerkelijk leven in de parochies en de kloosters. En de bisschoppen van die nieuwe bisdommen moesten vooral ook kerkelijke herders zijn, zoals het Concilie van Trente het had voorgeschreven: theologisch geschoold en met herderlijke aandacht voor pastoraat en geloofsleven. Zo zou wellicht ook, hoopte men, een dam opgeworpen kunnen worden tegen de groeiende populariteit in de Nederlanden van het reformatorische gedachtegoed.

In de wandelgangen van de tweede zittingsperiode van het Concilie van Trente in 1551-1552 was al eens met enkele curieprelaten over een nieuwe bisdomindeling voor de Nederlanden van gedachten gewisseld. Er werd een plan besproken dat enige tijd is toegeschreven aan de Leuvense theoloog Ruard Tapper uit Enkhuizen, die deelnam aan het concilie. Volgens recenter onderzoek is het echter van de hand van Franciscus Sonnius, die in 1543 rector was geweest van de Leuvense universiteit maar bovendien werkzaam was als inquisiteur. Maar de keuze van paus Paulus IV gooide drie jaar later roet in het eten. De paus haatte namelijk alles wat Spaans was, want de Spanjaarden hadden zijn geboorteplaats Napels bezet, en dus haatte hij ook de Spaanse koning Karel V en zijn zoon Filips II. Maar in 1557 kwam het tot een vredesakkoord tussen Spanje en de paus. Nu kon Franciscus Sonnius naar Rome gestuurd worden om over de bisdomindeling te onderhandelen. Hij vertrok in maart 1558 naar Rome en ruim een jaar later kon hij de eerste vrucht van zijn werk oogsten: op 12 mei 1559 kondigde paus Paulus IV tijdens een consistorie (een vergadering met de kardinalen) de nieuwe bisdomindeling van de Nederlanden af, waarbij Sonnius hem ter zijde stond voor het uitspreken van die moeilijke, barbaarse plaatsnamen uit het noorden. Er kwamen drie kerkprovincies: Kamerijk voor het Franstalige zuidelijke deel van de Nederlanden, Utrecht voor het noordelijke deel (met vijf bisschopszetels: Haarlem, Groningen, Leeuwarden, Deventer en Middelburg), en in het midden de kerkprovincie Mechelen, met bisschopszetels in Ieper, Brugge, Gent, Antwerpen, ’s-Hertogenbosch en Roermond.

Waar nu de grenzen van die bisdommen liepen en hoe ze gefinancierd moesten worden, wist men in 1559 nog niet. Om dat uit te werken bleef Sonnius nog twee jaar in Rome, tot in 1561 met opnieuw twee pauselijke bullen de zogenaamde circumscriptie (dus de omschrijving) en de dotatie (dus de bronnen van inkomsten) van de nieuwe bisdommen werden vastgelegd. Toen werden ook de eerste bisschoppen benoemd. Sonnius werd, zoals we al hoorden, voor zijn werk beloond door de eerste bisschop te worden van het bisdom waartoe zijn geboortestreek behoorde: ’s-Hertogenbosch. 

In het boek kunt u lezen hoe Cornelius Jansenius het er als bisschop van heeft afgebracht in de amper acht jaren waarin hij in Gent werkzaam kon zijn, tot zijn dood in 1576, acht jaren waarvan hij de laatste twee ook nog in slechte gezondheid doorbracht. Ik ga het niet allemaal verklappen. Maar ik meld wel dat hij beslist in vele opzichten voldeed aan het profiel dat het Concilie van Trente van de bisschop had geschetst. Hij resideerde in zijn bisdom en visiteerde er de parochies. Hij was dus als herder aanwezig temidden van zijn kudde. Hij preekte en hij gaf onderricht. Hij nam initiatieven om het kerkelijke leven te reguleren en nieuwe impulsen te geven, onder meer door het beleggen van diocesane kerkvergaderingen, zogenaamde synodes, in februari 1571 en in augustus 1574. Hij organiseerde de opleiding van toekomstige priesters en publiceerde een boek met de teksten voor de rituele vieringen. En hij zette zich, net als de bisschoppen van Brugge en Ieper, voor zijn mensen in toen zij door de beruchte Tiende Penning, een nieuwe belasting die door de hertog van Alva werd ingevoerd, onder druk kwamen te staan. Ik stem graag in met de woorden waarmee Jan de Kort en Jan Lockefeer het boek dat aanstonds gepresenteerd zal worden, hebben afgesloten: ‘hij was standvastig in beginselen en geloof, volhardend in het streven naar zijn doelen, trouw aan kerkelijk en wereldlijk gezag, maar vooral trouw aan wie aan hem waren toevertrouwd als een pastor in dienst van zijn kudde.’ 

Ik keer nog even terug naar de tragiek in de geschiedenis van het bisschopsambt. Want in de figuur van Jansenius en veel van zijn tijdgenoten zien we het pastorale ideaal weerspiegeld dat het Concilie van Trente had geformuleerd. Dat ideaal werd de bisschoppen in diezelfde tijd ook voorgehouden in zogenaamde bisschopsspiegels, vrome werken die het ideaal van de goede herder voor de praktijk van het bisschopsambt beschreven. De meest verbreide daarvan is de Stimulus pastorum van Bartholomaeus a Martyribus, de aartsbisschop van Braga in Portugal, een werk dat in 1564, het jaar dus waarin Jansenius bisschop werd, in Antwerpen voor het eerst in druk verscheen en nog vaak herdrukt werd. Het werd zelfs nog bij het Eerste én het Tweede Vaticaans Concilie aan de bisschoppen cadeau gedaan. Zou Jansenius het ooit in handen gehad hebben? We weten het niet. Maar hij zal de schrijver zeker gekend hebben, want ook Bartholomaeus was aanwezig bij de laatste zittingen van het Concilie van Trente. Wat hij zeker niet gekend zal hebben, is een ander werk dat voor veel bisschoppen het model van de goede herder beschreef, namelijk de levensbeschrijving van Carolus Borromeus, de voorbeeldige aartsbisschop van Milaan. Dat werk verscheen immers pas tien jaar na de dood van Jansenius, twee jaar na de dood van Borromeus zelf.

Maar tegelijk moeten we vaststellen dat het ideaal vanaf het midden van de zeventiende eeuw weer begon te verflauwen. Bisschoppen werden weer meer prelaten dan herders. De kwaliteitseisen die het Concilie van Trente gesteld had, academische theologische scholing en pastorale ervaring, verdwenen weer naar de achtergrond. De bisschoppen, ook in de Mechelse kerkprovincie en in het bisdom Gent, werden weer vooral gerekruteerd uit de adellijke families rond het Brusselse hof. Van theologie hadden zij meestal weinig verstand en van zielzorg nog minder. De harde werkelijkheid overwoekerde opnieuw het ideaal. Dit was een gevolg van het feit dat, in strijd met alle hervormingspogingen, de landsheren het recht om bisschoppen te benoemen of minstens aan de paus voor te stellen – het zogenaamde presentatierecht – weer naar zich toe hadden getrokken. Zij kozen hun kandidaten uit de families die met het hof verbonden waren. Het bisschopsambt werd, om met de kerkhistoricus Johannes Neumann te spreken, weer ‘Reservat des Adels’. En het bleef dat tot in de negentiende eeuw. Daaruit, en niet uit religieuze of kerkelijke gronden, komt de traditie voort om een bisschop met ‘excellentie’ aan te spreken. Veel bisschoppen kwamen dus uit de adel. Pas in 1951 heeft een curiecongregatie bepaald dat bisschoppen, als zij uit een adellijke familie stammen, volledig moeten afzien van het voeren van adellijke titels en adellijke onderscheidingstekens. De huidige aartsbisschop van Wenen, kardinaal Schönborn, is daar een voorbeeld van: geboren als Christoph Maria Michael Hugo Damian Peter Adalbert Graf von Schönborn heet hij sinds hij bisschop is gewoon Christoph Schönborn. 

In de negentiende eeuw deed zich een democratisering van het bisschopsambt voor, en wel in twee opzichten. Om te beginnen kwamen de bisschoppen zelf niet langer voornamelijk uit de adel of het hogere patriciaat, maar bijvoorbeeld uit de gegoede burgerij of de middenstand. Het zou de moeite lonen om de sociale, culturele en intellectuele achtergronden van de Nederlandse en Belgische bisschoppen van de laatste twee eeuwen eens systematisch in kaart te brengen, zoals dat voor de Franse bisschoppen van de negentiende eeuw door Jacques-Olivier Boudon is gedaan. Ik vermoed dat we dan een zelfde beeld zullen zien: het verdwijnen van de adel en geleidelijk zelfs de intrede van boerenzonen in het bisschopsambt. Voor het bisdom Breda mogen we dan denken aan de elkaar opvolgende bisschoppen Petrus Leijten (1885-1914) en Petrus Hopmans (1914-1951, eerst Leijtens secretaris), beiden boerenzonen, de een geboren op de Helenahoeve in Heusdenhout (gemeente Ginneken) en de ander in Standdaarbuiten (nu gemeente Moerdijk), die het bisdom ruim een halve eeuw als ware heerboeren bestuurd hebben.

Nog in een tweede opzicht werd het bisschopsambt gedemocratiseerd: de bisschoppen werden zichtbaarder voor het volk, ze trokken door het bisdom, bezochten parochies en publieke manifestaties, spraken de gelovigen toe. Anders dan in de zeventiende en achttiende eeuw wisten de gelovigen van de negentiende en twintigste eeuw hoe hun bisschop heette en hoe hij eruit zag. Misschien hadden ze hem zelfs wel eens een hand gegeven of de zegen van hem ontvangen, of waren ze met hem op de foto gegaan.

In een ander opzicht democratiseerde het bisschopsambt echter niet of nauwelijks, en dat is in het opzicht van de juridische macht en de ambtsuitoefening. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft aanzetten gegeven om het – ik citeer Johannes Neumann nog maar eens – ‘monocratische’ bisschopsambt te doorbreken, maar het is daar niet in geslaagd. Het monocratische systeem lijkt, zo stelt Neumann teleurgesteld vast, een wezenskenmerk van de rooms-katholieke kerk geworden te zijn. Wie herders zouden moeten zijn, zijn te vaak gewoon heersers. Helaas biedt de kerkelijke actualiteit van de Lage Landen ons daar voorbeelden te over van. 

Aan Jansenius heeft het niet gelegen. Hij heeft een vader en een herder willen zijn voor zijn mensen. Zo herdacht Pieter Simons hem toen de bisschop in 1576 overleed: ‘Sic miserum sine patre gregem et pastore relinquis?’ ‘Laat je de kudde zo in de miserie achter zonder vader en herder?’ Zo, als een aan zijn kudde toegewijde herder, mag hij ook in zijn geboortestad Hulst, waar vijf eeuwen geleden zijn wieg stond, in herinnering blijven.