Het Walhalla en de krant. Over de cultuur van de universiteit

Tijdens een seminar 'Oriëntatie op academisch leiderschap', aangeboden aan recent benoemde hoogleraren van de Radboud Universiteit Nijmegen in het Studiecentrum Soeterbeeck, sprak Peter Nissen op 5 november 2010 onderstaande column uit als inleiding op een gesprek over de cultuur van de universiteit.

Bij de jongste opening van het Academisch Jaar (nieuw benoemde hoogleraren, zorgt dat u er bij bent, want op dat soort momenten krijgt de academische gemeenschap een gezicht!) sprak de rector magnificus over de maatschappelijke taak die onze universiteit heeft als emancipatie-universiteit. De Nijmeegse universiteit is zelf voortgekomen uit een emancipatiebeweging, namelijk die van de rooms-katholieken in Nederland, die rond 1900 nog een grote achterstand in de academische wereld hadden. Van de 238 hoogleraren die Nederland toen telde, waren er maar twee katholiek. Voor het katholieke volksdeel heeft onze universiteit in de loop van haar geschiedenis een belangrijke taak vervuld, een taak die sinds enkele decennia wat dat katholieke volksdeel betreft als voltooid beschouwd mag worden, deels door de verdamping van dat volksdeel zelf. Maar zij kan die taak nu opnieuw vervullen voor talentvolle studenten uit de groepen van niet-westerse migranten die eveneens ondervertegenwoordigd zijn in de academische wereld, waaronder vooral – maar niet uitsluitend - die uit islamitische landen.  

De rector wees in zijn rede op het feit dat onze universiteit, samen met die van Tilburg, van alle Nederlandse universiteiten nog steeds het grootste aantal eerste generatiestudenten telt: studenten dus van wie de ouders nooit een universitaire of hogere beroepsopleiding hebben genoten. Ik was op dat moment apentrots op onze rector, omdat hij aan de bijzondere identiteit van onze universiteit een invulling wist te geven die voorbij gaat aan een achterhaald denken in levensbeschouwelijke kaders, maar die aan het levensbeschouwelijke verleden van onze universiteit tegelijk wel een eigentijdse maatschappelijke betekenis weet te geven. Die bijzondere identiteit, waar we soms zo mee in onze maag lijken te zitten – de naamsverandering in 2004 van de Katholieke Universiteit Nijmegen in Radboud Universiteit heeft beslist met die verlegenheid te maken -, krijgt nu een hoogst actuele maatschappelijke relevantie.   

Maar ook herkende ik mij in wat hij zei over de betekenis van onze universiteit voor eerste generatiestudenten. Ik had er nooit eerder zo nadrukkelijk bij stil gestaan, maar ook ik was er zo een, toen ik 33 jaar geleden als eerstejaars in Nijmegen aan de introductie begon. Mijn ouders hadden nooit hoger onderwijs genoten, en niemand trouwens van de familie, behalve een verre achterneef van mijn moeder, die priester was geworden. De – al dan niet vermeende - roeping tot het gewijde ambt was in katholieke kring lange tijd de enige toegang tot het hoger onderwijs, en lang zelfs tot het middelbaar onderwijs. Mijn vader had niet meer dan de lagere school in een Betuws dorp gevolgd (het woord ‘genoten’ is hier volgens mij niet echt op zijn plaats), al zei hij gekscherend wel eens dat hij de HBS had gedaan: de Hogere Baggerschool. Hij was namelijk molenbaas op een baggermolen. Mijn moeder had in Roermond bij de zusters Ursulinen van Sint-Salvator de MULO gevolgd, en dat was voor een meisje in de jaren vlak voor de Tweede Wereldoorlog al heel wat. Ik ben ervan overtuigd dat beiden nu zonder veel moeite een opleiding in het hoger onderwijs zouden kunnen volgen, want zij hadden allebei een scherp verstand en waren allebei leergierig. Maar die mogelijkheid zat er toen, zeventig jaar geleden, nog niet in. 

Mijn moeder leerde mij lezen nog vóór ik naar de kleuterschool ging. Daarmee heeft zij de kiem gelegd voor een passie die mij nooit meer verlaten heeft. Voor mij is de prangende vraag niet of er leven is na de dood, maar of er nog iets te lezen valt na de dood. Lezen stelt ons in staat om meer dan één leven te leiden: al lezend kunnen we voortdurend nieuwe, onbekende werelden binnentreden, de wereld van het verleden, de wereld van het denken, de wereld van het heelal, de wereld van het brein, de wereld van onze binnenkant, de wereld van ons zenuwstelsel, de wereld van de ziel. Onze eigen wereld wordt verkend, verdiept, verruimd door te lezen en te herlezen. Dat lijkt mij ook de grootste uitdaging voor een universiteit: niet om haar studenten goed te leren snijden, goede regressieanalyses te leren maken, goed kiezen te leren trekken of goed te leren rechtspreken, maar om ze te leren goed te lezen. 

Tijdens mijn middelbare schooltijd leek de universiteit mij een waar Walhalla: daar zou het gaan gebeuren! Op het gymnasium was nog alles wat wij lazen betrekkelijk gemakkelijk en waren de vragen die ons bezighielden nog redelijk eenvoudig. De meeste van mijn klasgenoten waren ook niet in moeilijke vragen geïnteresseerd en al zeker niet in moeilijke boeken. Een echt intellectuele interesse was zeldzaam, op enkele uitzonderingen na. Die uitzonderingen zochten elkaar dan ook op. Van hen – ik zat in een alphaklas - is er één filosofie gaan studeren, één Chinees, één klassieke archeologie en één kunstgeschiedenis. Van de anderen zijn er een aantal rechten gaan doen (rechten studeerde je in die tijd niet, maar dat deed je; misschien is het nu nog wel zo). Twee van hen zijn nu burgemeester.

Gelukkig waren er leraren die mij en een enkele andere leerling de weg wezen naar bijzondere boeken. Onze school, het Bisschoppelijk College te Roermond, telde in die tijd nogal wat gepromoveerde docenten; de rector van de school, een natuurkundige, promoveerde juist in mijn middelbare schooltijd hier in Nijmegen bij Andries van Melsen op een wetenschapshistorische en filosofische studie. Een vertegenwoordiging van de leerlingen mocht daar bij zijn en de godsdienstleraar bezorgde mij een exemplaar van het proefschrift. Ik heb mij later gerealiseerd hoe belangrijk het was dat ik tijdens mijn middelbare schooltijd docenten ontmoette met een academische achtergrond, docenten ook die een dissertatie hadden geschreven. Het is jammer dat dit fenomeen begint te verdwijnen. Voor mij waren zij voorboden van de komende wereld, die van de universiteit: de wereld waar het allemaal zou gaan gebeuren, de wereld waar de diepe vragen en de moeilijke boeken aan bod zouden komen. 

In 1977 deed ik mijn intrede in het Walhalla van de wetenschap. Ik had na mijn eindexamen nog even een omweg gemaakt door een andere intrede, die in een benedictijnenklooster, maar ik voelde mij daar het gelukkigste in de bibliotheek, terwijl ik als jongste monnik toch geacht werd tijdens de gebedstijden door de gangen te schrobben en de wc’s te poetsen. Dus toch maar snel naar de universiteit. Maar daar wachtte mij een domper. Want wat vertelde ons tijdens de introductie Jan van Laarhoven, de hoogleraar juist van het vak waarvan ik al wist dat ik mij daarin wilde gaan specialiseren: de kerkgeschiedenis? Dat wij vooral ook de krant moesten lezen. Ja, wij moesten een goede krant goed lezen. Zo zei hij het. Het was, zoals ik al zei, een domper. Was ik daarvoor nu naar de universiteit gekomen? Om de krant te lezen? Wat bleef er over van dat Walhalla van de wetenschap? 

Ik was een eigenwijs ventje, dus ik ben mijn droom van het Walhalla nog een tijdje blijven koesteren. In mijn eerste studiejaren maakte ik halverwege de avond vaak een wandeling door de buurt waar ik op kamers woonde. Ik kwam dan meestal ook langs het huis waar de hoogleraar Akkadisch en Ugaritisch woonde, professor Römer. Vrijwel altijd was achter het raam op de eerste verdieping in het licht van zijn bureaulamp het gebogen hoofd van de professor te zien. Ik fantaseerde dan dat hij een brief zat te schrijven aan een van de twintig collega’s elders in de wereld die dezelfde teksten bestudeerden als hij. Dat is wetenschap, dacht ik dan. Zo wil ik ook worden. Bezig zijn met vragen die bijna niemand snapt en die ook verder bijna niemand interesseren. De echte, diepe vragen. Op wetenschappers die, zonder dat anderen er iets van begrijpen, met dit soort vragen bezig zijn, daar kon ik trots op zijn. 

Maar er was ook een ander soort trots op ‘mijn’ universiteit. Dat is de trots die ik voelde toen ik in december 1979 Edward Schillebeeckx, samen met Bas van Iersel, toen decaan van de theologische faculteit, in het NOS-journaal zag verschijnen, uit een auto stappend bij het gebouw van de Congregatie voor de Geloofsleer te Rome, voorheen het Heilig Officie en nog eerder de Inquisitie geheten. Daar moest Schillebeeckx uitleg komen geven over ‘moeilijke’ passages in zijn boek Jezus, het verhaal van een levende. ‘Dat zijn mensen van de faculteit en de universiteit waaraan ik studeer’, dacht ik toen. ‘Mijn universiteit doet er toe.’ Ik had nog geen college bij Schillebeeckx gevolgd; Edward gaf alleen colleges in de doctoraalfase en ik was nog met de kandidaatsfase bezig. Maar ik had wel al enkele van zijn boeken. Ik had namelijk het geluk jaargenoot te zijn van een jonge dominicaan, een huisgenoot van Edward in het Albertinum. Bij elke nieuwe druk van zijn boeken kreeg Edward van de uitgever weer een stapel presentexemplaren. En zijn studerende huisgenoten mochten die uitdelen aan studenten die ‘echt geïnteresseerd’ waren. Daar was ik er één van. Ik heb er veel in gelezen, met vrucht en met genoegen. Schillebeeckx had niet de naam een gemakkelijk schrijver te zijn; veel lezers vinden zijn boeken moeilijk. Maar het bijzondere is dat juist die moeilijke boeken en blijkbaar juist de moeilijkste passages daarin, ertoe deden. Zij brachten iets in beweging, zij riepen vragen op. De vorm waarin die vragen gesteld werden door de Congregatie voor de Geloofsleer kon bij mij op geen enkele sympathie rekenen: de vragen kwamen voort uit angst en onverdraagzaamheid, de procedure volgde feitelijk het oude stramien van het ketterproces en de Congregatie voor de Geloofsleer wierp zich op als de breinpolitie voor de katholieke wereld. Maar het gaf mij wel de sensatie van positieve opwinding dat een van die moeilijke denkers aan ‘mijn’ universiteit zo vernieuwend met diepe vragen bezig was dat men er in Rome nerveus van werd. 

Ik was trots op de universiteit waaraan ik studeerde, en ik bleef dat als alumnus nadat ik in 1984 afstudeerde. Na tien jaar – een promotie aan een andere universiteit en docentschappen aan twee andere instellingen van hoger onderwijs – kwam ik weer terug naar Nijmegen. En opnieuw kon ik trots zijn op ‘mijn’ universiteit. Veertien jaar later, na vier jaar docent, tien jaar hoogleraar en vier jaar decaan geweest te zijn en na vijftig te zijn geworden, dacht ik een nieuwe uitdaging nodig te hebben en maakte ik de overstap naar een andere universiteit. Maar al na een half jaar kreeg ik heimwee naar die universiteit waarover ik mij bij vlagen kon ergeren, maar waarop ik met grote regelmaat ook trots kon zijn. En gelukkig kon ik snel weer terugkeren naar die universiteit. 

Wat hoop ik nu aan onze universiteit op de studenten, die inmiddels de leeftijd van mijn eigen kinderen hebben, over te dragen? Om te beginnen de passie voor diepgang, voor de moeilijke vragen, voor de boeken die onbekende werelden ontsluiten, voor de niet voor de hand liggende antwoorden. Ik hoop dat zij bij vlagen iets ervaren van de gepassioneerde wetenschapsbeoefening – soms een beetje wereldvreemd - die voor mij door die hoogleraar Akkadisch en Ugaritisch werd belichaamd.Maar ook hoop ik dat zij, de studenten dus, begrijpen dat wij ons met die moeilijke vragen niet alleen bezighouden uit een drang tot intellectuele zelfbevrediging, maar dat zij aanvoelen dat onze universiteit eraan hecht dat de vragen waarover wij ons buigen ertoe doen, dat ze voor de samenleving op een of andere manier van belang zijn, en dat je om dat uit te kunnen leggen ook de krant goed moet lezen.

Maar vooral hoop ik dat ze verhalen over ons zullen vertellen, zoals wij ze vertellen over onze universiteit als academische gemeenschap. Want uit die verhalen wordt de identiteit van de universiteit geboren. Die identiteit staat niet in het Strategisch Plan of in het Jaarverslag, niet in beleidsnotities en visitatierapporten. Die identiteit zit in verhalen. De academie heeft een narratieve identiteit: zij wordt geboren omdat wij over haar vertellen. Laat ons dat vooral blijven doen.