Om het zaad te zaaien voor een betere toekomst

Tijdens de Holocaust Memorial Day aan de Radboud Universiteit Nijmegen vertelde op 24 januari 2011 Auschwitz-overlevende Bertha Aleng-Duque haar indrukwekkende levensverhaal. Zij overleefde, na een tocht van Westerbork via Theresienstadt, Auschwitz, Freiberg en Mauthausen, als enige van het gezin Duque de Tweede Wereldoorlog. Voorafgaand aan haar gesprek met Ria van den Brandt hield Peter Nissen onder de titel 'Om het zaad te zaaien voor een betere toekomst' een inleiding over het belang van het herdenken van de Holocaust.

Ruim drie maanden geleden, in oktober van het afgelopen jaar, was ik met enkele collega´s uit Nederland voor een meerdaags congres te gast bij de Katholieke Universiteit van Lublin. Op de zaterdag na het congres, toevallig mijn verjaardag, werden we door onze Poolse gastheren, allen priester-hoogleraren van de theologische faculteit van Lublin, samen met een gids mee op pad genomen. Het werd een aangrijpende, in zekere zin gruwelijke tocht, een tocht die ons aan de grens bracht van de menselijke wereld, ja die ons bijna over die grens heen smeet, ons bijna van de menselijke wereld af liet tuimelen. Ik moest denken aan het kinderlijke beeld van de aarde als een schijf, een beeld dat volgens een al even kinderlijke opvatting veel middeleeuwers ook gehad zouden hebben: als je te ver gaat, val je er vanaf. Dan hoor je niet meer bij de mensenwereld. Je valt in het niet.

Die grens zagen wij eerst in het concentratiekamp Majdanek, gelegen aan de rand van de stad Lublin. Het lag tijdens de Tweede Wereldoorlog – het kamp werd in 1941 aangelegd – nog enkele kilometers buiten de stad, maar inmiddels is Lublin naar het kamp toegegroeid. De stad is drie keer zo groot geworden als ze tijdens de Tweede Wereldoorlog was. De mensenwereld heeft Majdanek weer in haar armen gesloten. Maar de wandeling door het kamp, nu een museum, deed mij gruwelen. In de bleke oktoberzon zag ik de restanten van wat een perfecte, bureaucratische fabriek van de dood is geweest, een tot in de puntjes georganiseerd laboratorium van de kille onmenselijkheid. Daar werden mensen nummers. En die nummers werden uitgegumd, weggevaagd. Vanaf het najaar van 1942 was Majdanek vernietigingskamp. Eerdere schattingen van de aantallen slachtoffers kwamen uit op 300.000. Volgens het meest recente onderzoek uit 2005 werden er in elk geval 78.000 mensen omgebracht, van wie 59.000 joden waren. Wat nog bruikbaar was, werd verzameld: gouden tanden, schoenen, brillen. Naast de gaskamer was een kamer met een ontleedtafel: daar werden de lichamen geopend van joden van wie de nazi’s vermoedden dat zij nog sieraden of juwelen hadden ingeslikt.  

Onze gastheren – zoals gezegd priesters die doceerden aan de theologische faculteit van de Katholieke Universiteit van Lublin, een faculteit waarvan de enige hoogleraar die geen priester is, de hoogleraar kerkmuziek, een kloosterzuster is – lieten niet na er bij herhaling op te wijzen dat in Majdanek ook katholieke priesters gedood zijn. Zij wisten niet precies hoeveel. Op basis van wat momenteel met zekerheid te zeggen valt over de slachtoffers van Majdanek, staat wel vast dat ongeveer tachtig procent van hen joden waren. In 1999 verklaarde de Poolse paus Johannes Paulus II 108 rooms-katholieke landgenoten zalig als martelaren van de Tweede Wereldoorlog. De meesten van hen zijn omgebracht in het concentratiekamp Dachau, waar op 26 juli en 28 december 1942 ook Titus Brandsma en Robert Regout, hoogleraren van onze universiteit, zijn omgekomen. Een aantal van de Poolse martelaren zijn omgekomen in Auschwitz, in Sachsenhausen en nog op andere plaatsen. In de lijst van 108 is één slachtoffer van het concentratiekamp Majdanek, de priester Roman Archutowski, opgepakt door de Gestapo omdat hij joden hielp onder te duiken. In 2001 verklaarde Johannes Paulus II er nog een zalig: de Oekraïense Grieks-katholieke priester Omelyan Kovch, die in de lente van 1943 door de Gestapo was opgepakt omdat hij joden probeerde te helpen door hen katholieke doopbewijzen te verschaffen. Hij overleed in de gaskamer van Majdanek op 25 maart 1944. Vier maanden later werd Lublin door het Russische leger bevrijd. De Duitsers werden overrompeld door de snelle opmars van het rode leger en hebben het kamp in grote haast verlaten. Daardoor hadden zij nauwelijks de kans de sporen van hun gruwelijke moordindustrie uit te wissen. Majdanek is dan ook het best bewaarde concentratiekamp. Ongeveer de helft van het oorspronkelijke terrein is momenteel als herinneringsplaats in gebruik. Inwoners van de flatgebouwen aan de rand van Lublin hebben vanaf hun balkon uitzicht op het terrein van het kamp. Zij kijken dagelijks naar de rand van de menselijke wereld, zij werpen dagelijks een blik in de afgrond van de humaniteit.

Een tocht van anderhalf uur bracht ons op die zaterdag in oktober vervolgens naar de grens tussen Polen en Oekraïne. Wij bereikten ook – opnieuw - de grens tussen menselijkheid en onmenselijkheid. Die grens lag in Sobibor. Anders dan Auschwitz of Majdanek was Sobibor geen werkkamp. Het was een puur vernietigingskamp: de meeste gevangenen die per trein naar Sobibor werden gebracht, stierven nog op dezelfde dag waarop zij waren aangekomen, in de gaskamer van Sobibor. Enkelen werden tijdelijk in leven gelaten, om te helpen bij de vernietiging van hun medemensen en in de wetenschap dat ook zij uiteindelijk vermoord zouden worden. Ruim 175.000 joden, misschien ook wel 250.000, zijn er vermoord en ook een groep Sinti en Roma, waarschijnlijk rond de 5000. Zeker 34.000 joden kwamen uit Nederland. Zij waren op transport gezet in Westerbork. De spoorlijn eindigde bij Sobibor: doodlopend spoor. De gevangenen werden uitgekleed en via een pad naar de gaskamer gevoerd. Dat pad had – o cynisme! – van de nazi’s de benaming ‘Himmelfahrtstrasse’ gekregen.  ‘Sobibor was een zwart gat, een afgrond, waarin in totaal ruim 175.000 mannen, vrouwen en kinderen verdwenen´, zo schreef Wim Boevink twee weken geleden in het dagblad Trouw, waarin hij regelmatig verslag doet van het proces in München tegen John Demjanjuk alias Iwan de Verschrikkelijke, een van de kampbewakers van Sobibor.

Op 12 februari 1943 bracht Heinrich Himmler, Reichsführer van de SS, een bezoek aan Sobibor. Daar werd toen de bouw voorbereid van vier grote crematoria, bedoeld om de stoffelijke resten van de in de gaskamer vermoorde joden te verbranden. Tot dan toe werden de doden namelijk nog begraven, maar door het ontbindingsproces van de lichamen begon de aarde achter kamp III, het kamp met de gaskamer, te rijzen en verspreidde zich een enorme stank. Ook werd gevreesd dat het grondwater vergiftigd zou worden. Daarom werden al tegen het eind van 1942 duizenden doden opgegraven en in een provisorische oven verbrand. De bouw van de crematoria moest de efficiëntie van het vernietigingskamp vergroten. De kampleiding van Sobibor wilde Himmler graag de voortreffelijke en efficiënte werking van de gaskamer laten zien, maar er werd op de dag van zijn bezoek geen transport per trein verwacht. Daarom besloot de leiding om enkele honderden meisjes en jonge vrouwen vanuit Majdanek naar Sobibor te laten overbrengen. Hun executie moest aan Himmler en zijn gevolg de efficiëntie van het doodsbedrijf demonstreren. Nadat de gasten getuige waren geweest van de vergassing van de meisjes en vrouwen, werd er voor hen een banket aangericht. Een van de weinige overlevenden van Sobibor, Ada Lichtman, die ook getuige is geweest in het proces tegen Eichmann, herinnerde zich dat zij de tafels voor het banket moest decoreren. ‘Toen Himmler weer vertrok, droegen onze moordenaars nieuwe onderscheidingen.’ Nu Ada Lichtman toch aan het woord is: zij herinnerde zich ook de sadistische liefhebberijen van enkele SS-officieren in Sobibor. Officier Bredow had een voorkeur voor jonge meisjes, die hij tot stervens toe geselde, Hubert Gomerski – ach ja, laten we ze toch maar namen geven - had een stok met spijkers erin, waarmee hij gevangenen sloeg tot ze stierven, en de officieren Groth en Bolender hadden honden die op het commando ‘Ah Du willst nicht arbeiten?’ hun slachtoffers aan stukken reten. Getuigenissen over honden die op bepaalde commando’s hun slachtoffers doodbeten, zijn ook van andere kampen bekend. In Treblinka had commandant Kurt Franz een sint-bernardshond Barry die een verscheurende doodsmachine werd op het cynische commando ‘Mensch, fass den Hund’. 

In oktober 1943 brak in Sobibor een opstand uit. Driehonderd joodse gevangenen wisten te ontkomen en vluchtten de bossen in. Velen van hen werden toch weer gevangen en meteen gedood. Maar Heinrich Himmler was bang dat de ontsnapte gevangenen uiteindelijk de wereld zouden kunnen vertellen wat er in Sobibor gebeurde. Daarom gaf hij bevel het kamp te slopen. Uit Treblinka werden joodse gevangenen naar Sobibor gebracht om het kamp af te breken en alle sporen uit te wissen. Toen zij hun werk hadden gedaan, werden zij doodgeschoten. Op het terrein van het kamp werden boompjes aangeplant. De sporen van de moordmachine bevinden zich voor een deel nog steeds onder de grond. Enkele weken per jaar vinden er opgravingen plaats, deels mogelijk gemaakt door financiële steun uit Nederland. De directeur van het museum vertelde ons dat hij onlangs een tube tandpasta uit Nederland had gevonden: bijna zeventig jaar oud, de laatste herinnering aan een mensenleven dat vernietigd is.

Van de ruim driehonderd opstandelingen van Sobibor overleefden er 47 hun ontsnapping. Onder hen was Ada Lichtman, die we al aan het woord hoorden. Van de achttien Nederlandse overlevenden is Jules Schelvis er een. Hij kon pas rond zijn zestigste, bijna veertig jaar na zijn gruwelijke tocht door maar liefst zeven concentratiekampen, over zijn ervaringen spreken. Hij deed dat ook in een aantal belangrijke publicaties, die nu - in verschillende talen vertaald – tot de standaardwerken over Sobibor behoren en die hem in 2008 een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam opleverden. Hij is een van de mede-aanklagers in het proces tegen John Demjanjuk, een van de gevreesde Oekraïense kampbewakers in Treblinka en Sobibor, de zogenaamde Trawniki. Tot die mede-aanklagers behoort ook een andere schrijvende Sobibor-overlevende, Thomas of Toivi Blatt, die een door zijn zakelijkheid indringend verslag van de opstand en de ontsnapping uit Sobibor schreef met de titel Nur die Schatten bleiben. Toivi Blatt werkte ook mee aan het draaiboek van de film Escape from Sobibor uit 1987, met Rutger Hauer in een van de hoofdrollen.

Nur die Schatten bleiben. Alleen schaduwen blijven bestaan, schaduwen van de gruwelen, schaduwen van de onmenselijkheid, maar ook schaduwen van de miljoenen mensen die zijn omgebracht. Maar om te zorgen dat minstens die schaduwen aanwezig blijven, moeten we de verhalen blijven vertellen over die mensen en over de gruwelen die hen zijn aangedaan. Daarom heb ik u mijn verhaal verteld over het bezoek aan Majdanek en Sobibor en er verhalen doorheen gevlochten over wat er in die kampen gebeurd is, verhalen over mensen met namen. We moeten die verhalen vertellen opdat de mensen ook weer namen krijgen, ja: opdat de vernietigde mens weer een naam en een gezicht krijgt.

Er waaide op die zaterdag in oktober waarop wij met onze gastheren de beide kampen bezochten, een koude herfstwind over Majdanek en Sobibor. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen. Het was een dag vol indrukken, schokkende indrukken. Schokkend was wat er gebeurd is: de systematische vernietiging en uitroeiing van mensen. Majdanek en Sobibor vormden onderdelen van een bureaucratisch georganiseerde industrie van de onmenselijkheid. Het waren fabrieken van de dood, ‘Orte des Terrors’, zoals de titel luidt van het recente achtdelige standaardwerk over de geschiedenis van de kampen in het nationaalsocialisme.  

Maar schokkend was ook hoe lang het verhaal over wat er gebeurd was, verzwegen bleef. Voor de overlevenden was dit deels een kwestie van lijfsbehoud. Het is een bekend inzicht uit de traumapsychologie dat mensen die een gruwelijke ervaring hebben opgedaan – of dat nu het verblijf is in een Jappenkamp of een concentratiekamp of het seksuele misbruik door een pater of broeder in een katholiek internaat -, daar doorgaans pas veertig jaar later enigszins over durven en kunnen spreken. Hun eerste prioriteit was overleven, ook voor de ontsnapten van Sobibor. Zij wilden doorleven, een nieuw leven beginnen, ver weg van Sobibor. De meesten zochten dat nieuwe leven ook fysiek ver weg van Sobibor. Sommige overlevenden vertrokken naar Australië, anderen naar de Verenigde Staten, weer anderen naar Brazilië. Het is een bittere ironie van de geschiedenis dat ook een deel van de daders juist daar een nieuw bestaan opbouwde: Demjanjuk in de Verenigde Staten, Franz Stangl, commandant van Treblinka en Sobibor, vertrok naar Brazilië, evenals Gustav Wagner, die zijn plaatsvervanger was in Sobibor. Beiden zijn trouwens ontdekt, de eerste overleed in gevangenschap en de tweede benam zichzelf het leven. Van Majdanek hebben de Russen al meteen in het najaar van 1944 een gedachtenisplaats en documentatiecentrum gemaakt. Maar in Sobibor kwam pas in 1993, bij de vijftigste verjaardag van de opstand en de ontsnapping, een klein museum, en pas in 2005 werd een begin gemaakt met de reconstructie van de Himmelfahrtstrasse, de weg naar de gaskamer in kamp III. De laatste sporen van het vernietigingskamp, namelijk de fundamenten van de gebouwen, bevinden zich nog steeds onder de aarde, en geld voor archeologisch onderzoek is er nauwelijks. Hout en stenen van het vernietigingskamp hebben bij de afbraak in november 1944 deels een nieuwe bestemming gevonden bij boeren in de omgeving, zoals de barakken van Westerbork ook als boerenschuren in gebruik zijn genomen. De boeren rond Sobibor of hun nakomelingen spreken daar niet graag over. Zij verhullen liever dat zij geweten hebben wat zich in Sobibor afspeelde, of er minstens een vermoeden van gehad hebben. Zij houden liever de schijn op dat zij niets geweten hebben. De schijn inderdaad, want het is bekend dat kort na de oorlog boeren in Polen de velden rond de vernietigingskampen omploegden in de hoop daar nog goud en sieraden aan te treffen. In Trouw van afgelopen zaterdag kon u lezen over de opschudding die het pas verschenen boek van de Amerikaanse historicus Jan Gross over dit gebeuren, Golden Harvest, in Pools-nationalistische kringen veroorzaakt. Veel Polen willen niets weten over deze bladzijde uit hun geschiedenis. Niet weten is immers gemakkelijker.

Maar wij moeten voorkomen dat wij een samenleving worden die niet weet wat er is gebeurd. Wij moeten voorkomen dat wij een samenleving worden die het zichzelf gemakkelijk maakt, die wegkijkt, die stilzwijgend vergeet. Een samenleving kan niet alles onthouden. Zij kan niet anders dan zaken vergeten. Maar zij moet wel weten wát zij mag vergeten en wat zij móet onthouden. De cultuurhistoricus Willem Frijhoff, onlangs nog korte tijd als bijzonder hoogleraar aan onze universiteit verbonden, gebruikte voor de functie van het museum in onze cultuur ooit het beeld van het ‘ordelijk vergeten’. Je zou kunnen zeggen dat de graadmeter voor de beschaving van een samenleving de mate is waarin die samenleving zich verantwoording geeft van wat zij mag vergeten en wat zij moet onthouden, de mate dus waarin zij ordelijk onthoudt en vergeet.

Wij mogen de Holocaust niet vergeten. De Holocaust is, zoals alle genocides, van Armenië tot Rwanda en Burundi, het ultieme gevolg van het ontkennen van de menselijkheid, van het volstrekt verdrukken van de compassie, van de gewelddadige negatie van het vreemde. En concentratiekampen, van Auschwitz tot Treblinka en van de Russische Goelag tot het Servische kamp Omarska, zijn het gevolg van de volstrekte bureaucratisering van de inhumaniteit. Die mogen wij niet vergeten, die móeten we ons blijven herinneren. Een samenleving die deze onmenselijke uitwassen systematisch uit haar geheugen wil wissen, verdient het predicaat beschaafd niet. Juist de onmenselijke uitwassen die gemoeid zijn met die ‘open zenuw’, zoals de Tweede Wereldoorlog in een recente bundel van Madelon de Keizer en Marije Plomp over de herinneringscultuur rond de oorlog genoemd werd, mogen we niet vergeten. We mogen ze niet vergeten omdat er nog steeds mensen zijn die de feitelijkheid ervan ontkennen, van de Iraanse president Ahmadinejad tot de rooms-katholieke bisschop Richard Williamson, door paus Benedictus XVI twee jaar geleden weer in genade in de gemeenschap van de kerk opgenomen. Een eenvoudige zoektocht via google maakt al snel duidelijk hoeveel ontkenners van de Holocaust er op Nederlandse websites actief zijn, van Stormfront tot Radio Islam.

De Holocaust laat ons zien wat er kan gebeuren als het beest in ons met gezag wordt bekleed, als het beest een kostuum aantrekt, redevoeringen gaat houden, er een ideologie op na houdt, achter een bureau gaat zitten en op een spreekgestoelte gaat staan, of – zouden we nu zeggen - een website inricht en gaat twitteren. De Holocaust is het gevolg van de geaccepteerde en met macht beklede beestachtigheid. Daarom is het belangrijk dat een internationale task force, in 1998 opgericht door de Zweedse premier Göran Persson, in 2000 te Stockholm een verklaring publiceerde waarin zij de wereld opriep de Holocaust te blijven onderzoeken en herdenken en er in onderwijs en voorlichting aandacht aan te besteden, en het is nog belangrijker dat in 2005 de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, dit initiatief overnam en de dag waarop Auschwitz werd bevrijd, 27 januari, uitriep tot Holocaust Memorial Day. Wereldwijd vinden nu in deze week rond de 27ste januari herdenkingsactiviteiten plaats, zoals ook deze avond en het symposium ‘God na Auschwitz’, dat vanmiddag aan deze universiteit plaatsvond.

De verklaring van Stockholm uit 2000 geeft ook aan waarom wij dit moeten doen: ‘om in de bodem van het bittere verleden het zaad te zaaien voor een betere toekomst.’ Daarom, zo zegt de verklaring, ‘willen wij meeleven met het lijden van de slachtoffers en lering trekken uit hun worsteling. Het is onze plicht de herinnering aan hen die omgekomen zijn levend te houden, de overlevenden die nog onder ons zijn met eerbied te bejegenen en het gemeenschappelijke streven van de mensheid naar wederzijds begrip en gerechtigheid opnieuw te bevestigen.’

Daarom, met het oog op dat laatste, zo voeg ik er aan toe, moeten wij niet ophouden ons de Holocaust te herinneren, ja her-inneren. Dat wil zeggen: we moeten de gruwel van de onmenselijkheid in ons innerlijk laten doordringen, die opnieuw naar binnen halen, her-inneren. Het Latijnse woord voor herinneren is recordari. Daar zit het woord ‘cor’ in, hart. Je iets herinneren betekent dus: het opnieuw in je hart toelaten. En dat doen we om onze aandacht en onze waakzaamheid voor het heden te scherpen. Wij herdenken het verleden met het oog op het heden en op de toekomst. En om ons hart te kunnen laten raken, moeten we luisteren, moeten we verhalen horen. ‘Kom vanavond met verhalen, hoe de oorlog is verdwenen, en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen’, zo schreef de dichter Leo Vroman. Vanavond kunnen wij het verhaal van mevrouw Bertha Aleng-Duque in ons hart laten binnendringen. Wij zijn bevoorrecht dat zij vanavond haar verhaal met ons wil delen.