VolZin-lezing 2011

Op 5 november 2011 sprak Peter Nissen in een volle Dominicuskerk te Amsterdam de jaarlijkse VolZin-lezing uit, georganiseerd door het opinieblad voor zinvol leven VolZin. Het thema van de lezing en van de hele VolZin-dag was: 'Religie: weg van het midden?'

 

RELIGIE: WEG VAN HET MIDDEN? 

Bent u al uit de kast gekomen? Ik bedoel: bent u er al in het openbaar voor uitgekomen dat u een religieus mens bent? Het valt immers niet mee om godsdienstig te zijn in het Nederland van de 21ste eeuw. Dat beeld krijgen we als we luisteren naar de recente klaagzangen van twee jonge journalisten die zich op hun katholieke overtuiging laten voorstaan: Anton de Wit en Mariska Orbán-de Haas, de laatste hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad en de eerste columnist van ditzelfde weekblad en medewerker van het blad Catholica, maar ook van VolZin. Mariska Orbán noemt het uitkomen voor haar katholieke overtuiging zelfs ‘uit de kast komen’, een metafoor die tot nu eigenlijk alleen op homo’s en lesbiennes werd toegepast. En volgens Anton de Wit bestaat er in Nederland een openbare samenzwering tegen het katholicisme. Volgens het CBS is een kwart van de Nederlandse bevolking katholiek. Maar die katholieken, zo moeten we geloven, verzwijgen het angstvallig, bang om niet voor vol aangezien te worden, bang om gediscrimineerd te worden. Voor je het weet wordt er ‘paap’ op de gevel van je huis gekalkt, wordt je op straat door papenrammers in elkaar geslagen of krijg je anonieme dreigbrieven met een geaborteerd foetuspoppetje erbij en de tekst: ‘dit doen wij met roomsen’. Nee, het valt allemaal niet mee, als het ware geloof niet meer welkom is in het midden van de samenleving.

Religie is inderdaad weggeraakt uit het midden van de Nederlandse samenleving en cultuur. Anders gezegd: religie in haar zichtbare en georganiseerde gestalte, en dat was in Nederland vooral die van het kerkelijke christendom, is bezig haar centrale plaats en haar vanzelfsprekendheid in de Nederlandse samenleving en in de cultuur van alledag te verliezen. Religie raakt gemarginaliseerd. Iedereen ziet het om zich heen gebeuren. De christelijke kerkgenootschappen krimpen allemaal, op een enkele uitzondering na. Die krimp wordt voor iedereen, kerkganger of niet, zichtbaar in de problematiek van het afstoten en herbestemmen van kerkgebouwen. De marginalisering heeft ook gezorgd voor het verdwijnen of minstens de naamsverandering van tal van organisaties, verenigingen en instellingen die met het kerkelijke christendom verbonden waren. Om overeind te blijven moeten zij vaak een beroep doen op nostalgie en sentiment: ‘het gevoel blijft’, zegt bijvoorbeeld de KRO, en iedereen kan aanvullen: ‘ook al kom je niet meer in de kerk’. Maar hoe lang blijft dat gevoel nog? Verdwijnt het niet over enkele decennia mét de babyboomers, die er de voornaamste dragers van zijn?

Wat ook verdwijnt, is de gedeelde kennis omtrent de christelijke traditie. Het collectieve geheugen wordt in Nederland, wat religie aangaat, geleidelijk gewist, en binnenkort is de Bijbel even onbekend als de Veda’s, is het avondmaal een even exotisch ritueel als de zonnedans, en weet bijna niemand meer dat een rozenkrans niet bedoeld was om aan de muur van een doorzonwoning of om de hals van een tienermeisje te hangen. 

Assimilatie

De marginalisering van religie kan voor de aanhangers ervan verschillende gevolgen hebben. Religie is niet meer vanzelfsprekend in Nederland. Zij is niet meer ‘gewoon’, zij behoort niet meer tot het alledaagse leefpatroon. Bij veel voormalige kerkleden heeft dat eenvoudig geleid tot een geleidelijke aanpassing aan wat nu dan ‘gewoon’ is: een situatie van religieus indifferentisme. Sociologisch onderzoek laat zien dat die aanpassing, die assimilatie aan het gangbare cultuurpatroon, zich onder voormalige kerkleden in Nederland in de afgelopen halve eeuw het sterkste heeft voorgedaan onder katholieken. Voor hen was, zeker wanneer zij in het zuiden van Nederland woonden, geloven en naar de kerk gaan tot ongeveer 1960 betrekkelijk gemakkelijk: bijna iedereen in je omgeving deed het namelijk. Religie was plausibel, zeggen de sociologen dan. Veel mensen geloofden mee met de stroom van de andere gelovigen om hen heen. Maar toen religie weg raakte van het midden en naar de kerk gaan niet langer meer plausibel was, volgden die kerkleden de deining van de tijd: ze bleven weg uit de kerk.

In de statistieken komt dit nauwelijks tot uitdrukking. Het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Sociaal en Cultureel Planbureau laten ons geloven dat nog ongeveer dertig procent van de Nederlanders rooms-katholiek is. Maar dat katholiek zijn is voor velen niet meer dan een jeugdsentiment: ‘daar kom ik vandaan, zo waren wij vroeger.’ Naar de kerk gaan doet, zo maken de jaarlijkse kerncijfers van het KASKI duidelijk, nog maar 6,8% van de rooms-katholieken (in 2009; de cijfers over 2010 zijn nog niet gepubliceerd), dat is nog maar één tiende van de mensen die in 1966, toen het KASKI begon te tellen, naar de kerk gingen. Al die mensen die wegblijven, laten zich niet uitschrijven. Dat doen katholieken niet zo snel. Dan moeten ze zich al echt boos maken. Nee, de culturele assimilatie van voormalige kerkleden leidt niet tot een grootscheepse zichtbare kerkverlating, maar tot een grootscheepse sluipende en stilzwijgende kerkverlating. Die komt nauwelijks tot uitdrukking in cijfers over het kerklidmaatschap, maar des te meer in cijfers over de kerkelijke praktijk van mensen. Religie verdwijnt eenvoudig uit het midden van hun leven. 

Radicalisering

Het wegvallen van de vanzelfsprekendheid van religie kan bij de overblijvers tot een reactie leiden die juist het tegenovergestelde van assimilatie is, namelijk een radicalisering van de religie. Naarmate religie maatschappelijk minder aanvaard lijkt, minder ‘gewoon’ is, is de verleiding groot om als religieus mens de weg van de radicaliteit te kiezen en te beklemtonen dat religie ‘totaal anders’ is. De eigen religieuze overtuiging wordt dan gezien als diametraal tegenovergesteld aan datgene wat in de moderniteit gewoon, redelijk en vanzelfsprekend gevonden wordt.

Deze radicaliteit neemt uiteenlopende vormen aan. Binnen de klassieke vormen van de religie, zoals het christendom en de islam, kan zij zich uiten in een strikt vasthouden aan of teruggrijpen naar leerstellige zekerheden die in het verleden zijn geformuleerd. Vanuit die zekerheden wordt het geloof ontvouwen als een radicaal antwoord op de moderniteit, die als gevaarlijk, bedreigend, ja zelfs als duivels wordt voorgesteld. Die moderniteit vraagt om een radicaal alternatief, en dat alternatief mag, ja moet zelfs extreem zijn. De extremiteit ervan bevestigt voor de aanhangers de eigen waarheid: er worden geen compromissen met de moderniteit gesloten. Geluiden als deze kan men in de islam horen bij salafisten en jihadisten. Ze komen prominent in de media en worden door populistische politici graag aangegrepen om hun eigen boodschap te verkondigen. Maar volgens recente onderzoeken van de AIVD en van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid is hun feitelijke aanhang en invloed in Nederland betrekkelijk gering.

Ook binnen het christendom zijn er stromingen die zich radicaal tegen de moderniteit verzetten en die het volstrekt andere, het ‘onwereldse’ van de eigen religieuze overtuiging op een uitgesproken wijze beklemtonen. Ze zijn te vinden aan de rechterflank van de gevestigde kerken. Zo wijzen de katholieke aanhangers van de schismatieke aartsbisschop Lefèbvre, de zogenaamde Pius X Broederschap, maar ook een aantal auteurs in het katholieke blad Catholica, dat onlangs nogal in opspraak kwam wegens zijn politieke standpunten, een groot aantal verworvenheden van de moderniteit radicaal af, zoals de scheiding van kerk en staat, de parlementaire democratie, de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen, de godsdienstvrijheid en de tolerantie. Zij worden allemaal gezien als ongewenste vruchten van de Verlichting. In de Waarheidsvriend, het blad van de gereformeerde bond, de rechterflank van de PKN, was onlangs ongeveer hetzelfde te lezen: een optimistisch mensbeeld, tolerantie en rationalisme zijn vruchten van het Verlichtingsdenken, die door een bijbels denkend mens radicaal afgewezen moeten worden. 

Moderne antimoderniteit

Doorgaans is de afwijzing van de moderniteit in radicaliserende religieuze kringen echter iets subtieler. Ja, sterker nog: de afwijzing van de moderniteit heeft er een uitgesproken modern jasje. Die paradoxale omgang met de moderniteit, een ‘moderne antimoderniteit’, probeert zichzelf voor te stellen als de ware opvolger van de moderniteit, zonder overigens voor zichzelf het woord postmodern te gebruiken, want de postmoderniteit teert juist weer op de waarden van de moderniteit. Nee, de ‘echte’ modernen weten dat de waarden van de moderniteit, zoals tolerantie, emancipatie, inspraak, medezeggenschap en vooral rationaliteit, hebben afgedaan. Die zijn failliet, ze zijn passé. Ze zijn ‘zoooó jaren zestig!, is dan een gevleugelde uitdrukking. Tegenover die waarden worden oude waarden gesteld, die vervolgens als nieuw worden gepresenteerd. Die nieuwe waarden moeten het ook hebben van hun radicaliteit, van hun anders zijn. Ze worden ingezet om de moderniteit te bekeren.

Dat is het ideaal van wat de Amerikaanse Vaticaanwatcher John Allen in zijn recente boek The Future Church (2009) beschrijft als ‘evangelical Catholicism’. Dit evangelicale katholicisme wil zich, in tegenstelling tot wat progressieve of liberale katholieken wilden, niet aanpassen aan de moderniteit, maar wil de moderniteit veranderen en bekeren, en het doet dat met moderne middelen en op militante wijze. Voorbeelden daarvan zijn de Wereldjongerendagen met de paus en de nieuwe katholieke bewegingen, de zogenaamde movimenti, zoals het Neocatechumenaat, de Focolare, de Legionaries of Christ, de Emmanuelbeweging en andere bewegingen, die in Nederland, zoals in bijna heel de katholieke wereld, momenteel ook de belangrijkste leveranciers van jonge priesters zijn. Allen noemt drie pijlers van dit evangelicale katholicisme. Op de eerste plaats worden traditionele katholieke opvattingen, structuren en praktijken met warmte omarmd en verdedigd. Voor twijfel of voor discussies over theologische en leerstellige kwesties of liturgische regels is in het evangelicale katholicisme geen plaats. Het is alles of niets.  Op de tweede plaats kent het een grote ijver om de katholieke waarheid en identiteit aan de wereld te verkondigen en wijst het daarbij op de grote implicaties van het katholieke geloof voor cultuur, samenleving en politiek. Het is dus sterk missionair, evangeliserend: het wil de moderniteit bekeren. Het wordt zelden expliciet gezegd, maar feitelijk leeft het evangelicale katholicisme op voet van oorlog met de cultuur van de moderniteit: er wordt een nieuwe Kulturkampf uitgevochten. En op de derde plaats wordt het gedragen door de overtuiging dat het geloof geen kwestie is van culturele erfenis, maar van persoonlijke keuze. Bekering is een sleutelwoord voor het evangelicale katholicisme. En die bekering is niet de vrucht van redelijke afweging, maar is een vrucht van een persoonlijke ervaring, van een ingrijpende belevenis.

Het evangelicale katholicisme vertoont veel overeenkomst met de evangelicale beweging en de Pinksterbeweging in het protestantisme, en beiden doen het redelijk goed bij jongeren. Van de nieuwe gemeenten die in de laatste twintig jaar nog in Nederland gesticht zijn, heeft twee derde een evangelicaal of pentecostaal karakter. Behalve de migrantenkerken zijn de Pinksterkerken en de vrije evangelische gemeenten zo ongeveer de enige kerkgenootschappen in Nederland die groei kennen: tussen 1990 en 2005 groeide het ledental van de Pinkstergemeenten in Nederland met zestien procent en dat van de vrije evangelische gemeenten met negen procent. Het zou mij niet verbazen als ongeveer hetzelfde geldt voor rooms-katholieke parochies die verbonden zijn met een katholieke charismatische beweging als Focolare of de Emmanuelbeweging.  

Emotiecultuur: festivalisering en sentimentalisering van religie

De verklaring voor dat verschijnsel klinkt misschien simpel, maar soms zijn simpele dingen toch waar: er valt daar iets te beleven. Anders gezegd: er wordt in het evangelicale en charismatische christendom een groot appel gedaan op het gevoel. Je hoeft er niet steeds na te denken, je mag je rationaliteit opzij zetten, er is plaats voor het irrationele, voor het wonder: voor genezing en bekering, voor tongentaal en voor roeping. Zij moeten het dus hebben van hun andersheid, van het onaangepaste, van het ongewone. Zij zijn weg van het midden.

Het inspelen op de hang naar beleving en de nadruk op het gevoel delen de Pinkstergemeenten en charismatische groepen met veel uitingen van alternatieve en ongebonden religiositeit en spiritualiteit. Voor dat laatste is in Nederland momenteel een grote markt. Onderzoek van het bureau Motivaction uit 2003, in 2006 gepubliceerd in een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, liet zien dat ongeveer een kwart van de Nederlandse bevolking zichzelf als religieus of spiritueel ingesteld beschouwd zonder zichzelf te rekenen tot een kerkgenootschap. Misschien staan velen van hen nog wel in de kaartenbakken van de kerken, maar zelf hebben ze het instituut al lang achter zich gelaten. Deze groep, in het rapport uit 2006 betiteld als die van de ‘ongebonden spirituelen’ en door godsdienstsocioloog Joep de Hart in een recent boek als ‘zwevende gelovigen’, wordt bediend door een enorme markt van spiritueel aanbod. In dat aanbod speelt beleving een grote rol. Er is een sterke hang naar beleving, een thema waaraan het eerste nummer van de lopende jaargang van het tijdschrift Speling was gewijd. Die hang naar beleving raakt niet alleen de religiositeit. Hij zit in onze hele cultuur, zoals socioloog Dick Houtman in dat nummer van Speling laat zien. Economie, media, politiek, gezondheidszorg en ook de werelden van religie en spiritualiteit spelen in op de behoefte aan beleving, emotie en gevoel, zelfs het KNMI, dat op zijn website naast de ‘echte’ temperatuur ook al tabellen geeft voor de gevoelstemperatuur. Wij vliegen van de ene belevenis naar de andere, van de ene kick naar de andere. Wij willen alles intens beleven. De reclame en de massamedia spelen daar gewiekst op in. Je drinkt geen glaasje bier meer, maar je doet de Heineken Experience op. Een vakantie is een ‘ervaring’, zelfs het dagelijkse kopje koffie wordt een ‘belevenis’, mits u natuurlijk het juiste merk kiest. Toerisme en vrijetijdsindustrie spelen er op in met pretparken die de ene belevenis na de andere bieden. En de festivals en evenementen bloeien; je moet iets hebben meegemaakt. Onze cultuur is emotiecultuur geworden. Denk aan het aanbod van de televisiezenders, zowel de publieke als de commerciële, van ‘Big Brother’ tot ‘Boer zoekt vrouw’ en van ‘Memories’ tot ‘Het Familiediner’. Het ‘durf te denken’, ooit de leuze van de Verlichting, heeft, aldus Bas Heijne in zijn mooie essay over het populisme Moeten wij van elkaar houden (2011), plaatsgemaakt voor het ‘durf te voelen’.

In de wereld van religiositeit en spiritualiteit is het niet veel anders. Het draait om het gevoel, om de emotie, om de belevenis. De aankondigingen van spirituele cursussen en weken beloven je een intense ervaring: persoonlijk, nieuw en buitengewoon. De journaliste Elma Drayer beschreef zo’n cursus als volgt: ‘Drie dagen lang een stoomcursus levensgeluk, vol psychobabbel, tranen en ‘doorbraken’. Intimiteiten delen met honderd, soms tweehonderd anderen, en dat helemaal niet gênant vinden. Alleen met toestemming naar de wc mogen, en de hele dag uitsluitend water drinken. En na het weekend denken dat je definitief veranderd bent.’ Het is natuurlijk een karikatuur, maar misschien herkent de een of ander er toch iets van.

Ook religie wordt steeds meer beleefd in evenementen: zorg dat je erbij bent. Godsdienstwetenschappers spreken over de festivalisering van religie. EO-Jongerendagen, Wereldjongerendagen, opwekkingsbijeenkomsten, healings, godinnenfestivals, New Wine-conferenties, The Passion (ik bedoel dan het ‘megagrote, indrukwekkende evenement middenin de lichtstad Gouda’, dat op Witte Donderdag van dit jaar plaatsvond), zelfs Taizé en Santiago de Compostela zijn voorbeelden geworden van de festivalisering van de religie. Voor de laatste twee Wereldjongerendagen met de paus werd geworven onder het motto ‘THE Experience’. Naast de gedeelde emoties van de festivals zijn er de individuele religieuze belevenissen. Bijna vijf jaar lang stond op vrijdag in het dagblad Trouw een interviewrubriek met de titel ‘Religieuze belevenissen’. Van alles passeerde de revue, van uittredingen tot visioenen, van bijna-doodervaringen tot bekeringen, van tekens en boodschappen tot intense eenheidservaringen, en dat zowel bij kerkleden als bij ongebonden spirituelen. Maar het was allemaal heel persoonlijk, heel subjectief, heel intens en heel gevoelsmatig. De sentimentalisering van de religieuze beleving noemt de Vlaamse godsdienstfilosoof Walter van Herck dat. 

Berg het verstand niet op

Ik zal de laatste zijn om het belang van het gevoel en van de beleving in de religiositeit te ontkennen. Integendeel, religiositeit en spiritualiteit worden geboren, zo vermoed ik, uit een ervaring van persoonlijke geraaktheid door iets dat ons overstijgt, een ervaring van verwondering en betovering. Die geraaktheid is de bron van elke religiositeit. De remonstrantse geloofsbelijdenis uit 2006 laat geloof beginnen bij de ‘verwondering over wat ons toevalt en geschonken wordt’. Zo is het maar net.

Maar moeten we het dan daarbij laten? Moeten we religie nu voortaan overlaten aan het domein van het gevoel, van de emotie, van de beleving? Hoort religie voortaan tot de wereld van het irrationele, het exotische, misschien zelfs het extreme? Is religie wereldvreemd?Nee, ik wil ervoor pleiten om het spreken over religie terug te brengen naar het midden van ons bestaan, ja om religie te herontdekken als de weg van het midden.

Laat ik het anders zeggen: ik wil ervoor pleiten het verstand niet uit te schakelen als het om religie gaat, de rede niet te laten verstommen. Sommige eigentijdse goeroes houden ons dat graag voor. Eckhart Tolle is daarvan misschien wel de meest bekende. Hij ziet in onze identificatie met het verstand het grootste obstakel voor ons geluk. Het verstand houdt ervan zijn tanden in onze problemen te zetten, zoals honden hun tanden in een bot zetten. En dan knaagt dat verstand maar door. Zo raken we gevangen in onze problemen. Houdt daar mee op, aldus Tolle. Leef in het nu. Het verstand is niet meer dan een instrument, een hulpmiddel, dat je op tijd opzij moeten weten te leggen. Gebruik het als het nodig is, maar berg het daarna weer op. Want de dingen die echt van belang zijn, zoals schoonheid, liefde, creativiteit, vreugde en innerlijke vrede, die gaan het verstand te boven. Dring door, zo leert ons volgens Tolle de wijsheid van het Oosten, in de wereld van het niet-denken, want alleen daar beleef je zuiver bewustzijn, alleen daar ervaar je je eigen aanwezigheid met een intensiteit die al het denken, maar ook je lichamelijkheid en de hele buitenwereld achter zich laat.

Helemaal ongelijk heeft Tolle natuurlijk niet. Maar de belangrijke vraag is natuurlijk wel wanneer het moment is aangebroken om het denken achter je te laten. De christelijke traditie van spiritualiteit leert dat dit moment zichzelf aandient in de ervaring van de mystici, als zij zeer ver op hun weg zijn gevorderd. Ik vrees dat momenteel, als het om religie gaat, te veel mensen te snel het verstand opbergen en het denken achter zich laten. Zij laten zich door Tolle wijsmaken dat wij allemaal mystici zijn, dat wij allemaal het einde van de geestelijke weg binnen handbereik hebben. Het gevolg ervan is dat het gevoelssubjectivisme in de wereld van de religie welig tiert en dat religie weg raakt van het midden. 

Redelijkheid en bescheidenheid

Ik ben ervan overtuigd dat religie de weg van het midden kan zijn, maar dan moeten religieuze mensen ook zelf de weg naar het midden willen gaan. En dat is niet de weg van de radicalisering, maar die van de matiging, en het is niet de weg van het gevoelssubjectivisme, maar die van de redelijkheid. Religie kan de weg van het midden zijn tussen extreme posities, een redelijke en prudente middenweg tussen ongelovig cynisme en gelovig fanatisme. Maar daarvoor is nodig dat religieuze mensen ook zelf de redelijkheid opzoeken. Dat betekent dat zij bereid zijn een weg te gaan van redelijke verantwoording van hun religieuze geraaktheid. Dat is waartoe de leerlingen van Jezus van Nazareth worden opgeroepen in de eerste Petrusbrief: ‘Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden’ (1 Petr. 3:15). Het is een oproep die alle religieuze mensen zich ter harte mogen nemen.

Een redelijke verantwoording is een verantwoording die zich bedient van argumenten die door andere mensen gevolgd kunnen worden en voor anderen ook toegankelijk zijn. Een redelijke verantwoording kan niet volstaan met zich te beroepen op de geraaktheid die aan de religieuze overtuiging ten grondslag ligt. Zij kan dus ook niet volstaan met een simpele verwijzing naar het gevoel of de emotie, zij kan zich niet beroepen op openbaringen of ingevingen, zij heeft niet genoeg aan een intuïtie of een visioen, haar verantwoording kan niet ‘senkrecht von oben’ komen (Karl Barth) en het is ook niet genoeg te zeggen ‘dat God het nu eenmaal zo wil’. Nee, zij moet, om met Paulus te spreken ‘bidden met verstand’ (1 Kor. 14:15), een bijbelwoord dat ook de titel leverde voor het eerste hoofdstuk van het al eerder geciteerde essay van Bas Heijne over het populisme.

Een redelijke verantwoording zoals ik mij die voorstel, wordt gekenmerkt door bescheidenheid, door het besef niet te beschikken over de ‘code van alle codes’. Die laatste formulering ontleen ik aan een prachtig pleidooi van de Amerikaanse literatuurwetenschapper en filosoof William Egginton. Deze hoogleraar aan John Hopkins University publiceerde eerder dit jaar een boek met de titel In defense of religious moderation. Egginton bespreekt in dat boek het debat over religie in de Engelstalige wereld. Hij laat zien dat militante atheïsten, zoals Richard Dawkins, Sam Harris en Christopher Hitchens, eigenlijk helemaal niet zo veel verschillen van de vaak al even militante religieuze fundamentalisten. Allen denken zij namelijk te beschikken over de code aller codes, de mastercode, die aan het begrijpen van de hele werkelijkheid ten grondslag ligt en die absolute waarheid vertegenwoordigt. Zij zijn dus allemaal op hun manier ‘zekerweters’. Egginton schroomt niet ook de militante atheïsten religieus te noemen. De religie die zij delen met de religieuze zekerweters is die van de arrogantie. ‘De religie van de arrogantie is arrogant omdat zij pretendeert dat er, althans in theorie, kennis mogelijk is van de totaliteit van het bestaan. Zij pretendeert met andere woorden iets definitiefs te kunnen zeggen over datgene wat de menselijke kennis feitelijk niet kan kennen, namelijk de totaliteit van het universum zoals dat in zichzelf is’. Daartegenover staat volgens Egginton de religie van de bescheidenheid, the religion of humility. Dat is de gematigde benadering, de weg van de moderation, die hij in zijn boek bepleit. ‘De religie van de nederigheid begrijpt dat menselijke wezens, gevangen in de beperkingen van tijd en ruimte, onmogelijk een volmaakte kennis kunnen hebben van de totaliteit die alle tijd en ruimte omvat. Er is, met andere woorden, altijd iets dat aan de menselijke kennis ontsnapt’, aldus Egginton. Wie die overtuiging deelt, wie dus de religie van de bescheidenheid aanhangt, vormt de beste metgezel voor de wetenschapper, die de werkelijkheid wil onderzoeken vanuit het besef dat hij nog lang niet alles weet en waarschijnlijk ook nooit alles zal weten. Egginton, net als zijn Australische vrouw katholiek opgevoed maar daar langzaam van los gegroeid – hij wijdt er enkele ontroerende bladzijden aan in zijn boek -, eindigt zijn betoog met de conclusie dat praktiserende wetenschappers, gematigde gelovigen en aanhangers van de religie van de nederigheid in hun weigering om te geloven in een code aller codes een wereldbeeld verdedigen dat de drie kernwaarden van het mens-zijn bevestigt: vrijheid, het zoeken naar waarheid en de verbetering van het leven. Wetenschappers en gelovigen vinden elkaar dus in het midden, aldus Egginton, terwijl radicale atheïsten en radicale fundamentalisten de extreme posities innemen. 

Spagaat van de vrijzinnigheid

Het pleidooi van Egginton voor bescheidenheid is verwant aan het pleidooi dat Meerten ter Borg tijdens de VolZin-lezing van 2008 hield voor de vrijzinnigheid als de meest geëigende mentaliteit om de eenentwintigste eeuw op een fatsoenlijke manier door te komen. Die vrijzinnigheid kenmerkt zich, aldus ter Borg, door een spagaat: enerzijds koestert de vrijzinnige vaste waarden, maar anderzijds is hij ook bereid die eigen waarden re relativeren en de zinvolheid van andere vormen van zingeving te accepteren. Openheid voor de waarden van anderen, zo is mijn overtuiging, staat niet het geloof in het belang van de eigen waarden in de weg. Een vrijzinnige neemt een open, kritische houding aan ten aanzien van de traditie waarin hij staat, zonder die traditie los te willen laten, en hij paart die kritische houding ten aanzien van de eigen traditie met tolerantie ten aanzien van andermans traditie. Ook hier geldt weer: de twee ontmoeten elkaar in het midden.

Dat klinkt misschien wel heel braaf, saai en burgerlijk, weinig gepassioneerd. Maar het is niet minder spannend. Want het gaat, om het beeld van Meerten ter Borg nog eens te herhalen, om een spagaat, en die is niet zonder spanning. Een spagaat, zo heb ik mij door een ervaren balletdanseres laten vertellen, is soms pijnlijk. Hij vraagt om veel oefening en grote flexibiliteit van de ledematen. Maar het is wel de moeite waard om je die inspanning te getroosten.

Want wie de religie van de bescheidenheid aanhangt of de spagaat van de vrijzinnigheid wil uithouden, is doordrongen van de voorlopigheid van de eigen wijsheid en van het besef dat er ook andere opvattingen mogelijk zijn, en dat in die andere opvattingen wellicht ook veel redelijkheid te vinden is. Zo iemand zal niet de extreme posities opzoeken, maar het midden, de wijze matiging, de moderatio. De moderatio was al in de klassieke Oudheid de deugd die mensen het juiste midden deed kiezen tussen twee extremen. Zij zorgt voor evenwicht, balans, mildheid en harmonie. Zij is inderdaad de deugd van het midden. In de levensregel van de wijze monnikenvader Benedictus uit het begin van de zesde eeuw vormt zij een sleutelbegrip. Benedictus raadt zijn monniken aan om alles met moderatio te doen, en mensurate, met de juiste maat. Hij houdt niet van overdrijving. De moderatio is bij hem de kunst van het maat houden. Daarom is die levensregel mij ook zo dierbaar. Hij wijst mij in het leven van alledag een weg van het midden. En daar hoort ook religie thuis, als de weg van het midden.