Een stroom van verhalen.Over seksueel misbruik in de rooms-katholieke kerk

Op 13 december 2011 organiseerde het Soeterbeeck Programma aan de Radboud Universiteit Nijmegen een symposium over seksueel misbruik in de rooms-katholieke kerk, voorafgaand aan een lezing van Thomas P. Doyle. De nadruk lag tijdens dit symposium op de hulp aan de slachtoffers.Tijdens het symposium besprak Peter Nissen enkele historische aspecten van het seksuele misbruik in de rooms-katholieke kerk en het belang van de slachtofferverhalen.

 

 

Op vrijdag 26 februari 2010 brachten Radio Nederland Wereldomroep en NRC Handelsblad een eerste, vrij uitgebreid bericht over seksueel misbruik van leerlingen door paters en broeders salesianen in het internaat Huize Don Rua te ’s-Heerenberg in de jaren zestig en begin zeventig van de twintigste eeuw. Dat eerste bericht blijkt nu, bijna twee jaar later, een ongekende stroom aan verhalen in gang gezet te hebben. Na de eerste getuigenissen van jongens van Don Rua kwamen er honderden verhalen los over seksueel misbruik van vooral jongens, maar ook van meisjes en volwassenen, door paters, fraters, parochiepriesters en ook, zij het in mindere mate, kloosterzusters en kerkelijke lekenwerkers. Daar kwamen ook nog verhalen bij over lichamelijke en geestelijke vernedering in katholieke internaten. De geest was nu ook in Nederland uit de fles. De rooms-katholieke kerk, die zichzelf graag opwerpt als de hoedster van de moraal, bleek in haar eigen gelederen decennialang plegers van seksuele misdrijven gehad te hebben: geestelijken die niet schroomden de lichamelijke integriteit van anderen, en vooral van kwetsbare en weerlozen kinderen, te schenden en seksueel grensoverschrijdend gedrag te vertonen. 

Bittere vrucht van de seksuele revolutie? 

Is het seksuele misbruik door geestelijken een nieuw fenomeen? Is het een product van de snelle maatschappelijke, culturele en kerkelijke veranderingen van de laatste halve eeuw? Behoudende katholieke bloggers kwamen al snel met die oplossing op de proppen: het kwam allemaal door de zedenverwildering en het geloofsafval vanaf de jaren zestig. Als die paters, fraters en priesters hadden gedaan wat de kerk hen op het vlak van seksualiteit voorhield, was dit misbruik nooit voorgekomen. Maar ja, vanaf de jaren zestig deed iedereen maar zo’n beetje waar hij of zij zin in had. Naar de paus en de bisschoppen werd niet meer geluisterd, en zo is het gekomen.

De conservatieve bloggers kregen op 20 maart 2010 bijval van niemand minder dan paus Benedictus XVI. In zijn pastorale brief aan de katholieken van Ierland schrijft ook hij de vele gevallen van seksueel misbruik door geestelijken toe aan enerzijds de snelle transformatie en secularisatie van de Ierse samenleving, waardoor mensen hun trouw aan katholieke leerstellingen en waarden verloren, en aan een verkeerde interpretatie van het vernieuwingsprogramma van het Tweede Vaticaans Concilie. Een van de antwoorden die de paus dan ook voorstelde op het seksuele misbruik, was een restauratief devotioneel programma met boetevieringen op de vrijdagen en eucharistische aanbidding. Mij lijkt het een misbruik van het misbruik: de gruwel van het seksuele misbruik wordt misbruikt om een restauratief kerkelijk programma te propageren. Maar vooral lijkt het mij geschiedvervalsing om de secularisatie in Ierland, een van de laatst geseculariseerde landen van Europa, en een verkeerd begrip van Vaticanum II tot oorzaken van het seksuele misbruik te verklaren. Veel van het misbruik vond immers ook in Ierland plaats lang voor er in dat land van secularisatie en van postvaticaanse vernieuwing sprake was.

Behalve de secularisatie en de kerkelijke vernieuwing wordt ook de seksuele revolutie van de jaren zestig van de twintigste eeuw graag aangevoerd als verklaring voor het seksuele misbruik. Ook dat argument is favoriet bij conservatieve katholieke bloggers, maar het kon ook uit de mond van enkele Nederlandse bisschoppen gehoord worden, toen die zich nog over het seksueel misbruik uitlieten. En het werd eerder dit jaar, in mei, aangevoerd in een rapport dat in opdracht van de Amerikaanse bisschoppen was geschreven door het John Jay College of Criminal Justice. Door de seksuele revolutie waren ook priesters en religieuzen onzeker geworden. Zij waren niet voorbereid op de veranderingen in de samenleving, zij kwamen onder druk te staan en misten vaak iedere vorm van toezicht. Zij wisten niet meer wat wel en wat niet mocht en zij voelden zich vrij om de grenzen van hun celibaatsverplichting en hun seksualiteitsbeleving te gaan verkennen. Het seksuele misbruik van kinderen, aldus het rapport Causes and Context, behoort dan ook tot de ‘bittere vruchten’ van de seksuele revolutie van de jaren zestig.Dat er in Nederland en ook elders vanaf de tweede helft van de jaren zestig werd geëxperimenteerd met de grenzen van het celibaat, is onmiskenbaar waar. Priesters knoopten, in de stellige verwachting dat de opheffing van de celibaatsplicht nog maar een kwestie van enkele jaren zou zijn, vaste partnerrelaties aan, die doorgaans, toen de hoop op opheffing van het celibaat door paus Paulus VI de kop werd ingedrukt, in het geheim werden voortgezet. Religieuzen experimenteerden eveneens met affectieve relaties in wat ‘de derde weg’ werd genoemd, een tussenweg tussen celibaat en huwelijk. Maar het is onhoudbaar om deze zoektocht en experimenteerdrift onder priesters en religieuzen ten gevolge van de seksuele revolutie van de jaren zestig aan te voeren als verklaring van het seksuele misbruik van minderjarigen, om de eenvoudige reden dat een groot deel van het inmiddels in binnen- en buitenland gerapporteerde misbruik vóór die seksuele revolutie van het midden van de jaren zestig heeft plaatsgevonden. Het zou hooguit een toename van het misbruik kunnen verklaren, als die toename er vanaf het midden van de jaren zestig überhaupt geweest is. Dat laatste kunnen we nu nog niet met zekerheid zeggen, omdat we eenvoudig geen gegevens hebben over de omvang van het seksuele misbruik vóór die tijd. Misschien dat het dikke rapport van de Commissie Deetman ons vrijdag daar meer zekerheid over gaat geven. 

Een eeuwenoude traditie 

Eén ding is echter zeker: seksueel misbruik in de rooms-katholieke kerk is niet pas een verschijnsel van de afgelopen halve eeuw. Het is veel ouder. Het kent een lange traditie. Een minder betrouwbare getuige van die traditie vormen de verhalen in antiroomse of antipapistische pamfletten, spotprenten en toneelstukken over seksueel misbruik door priesters van vooral vrouwelijke biechtelingen. Die verhalen doen al vanaf de zestiende eeuw de ronde. Een klassieker in de Nederlanden is broeder Cornelis, een zestiende-eeuwse minderbroeder, in 1521 in Dordrecht geboren als Cornelis Adriaenszoon Brouwer en in 1581 in Brugge overleden. Hij kreeg bekendheid door een fictieve prekenbundel waarin hij de lichamelijke tuchtiging van vrouwelijke biechtelingen aanprees. Spotprenten van de kloosterbroeder die een vrouwelijke biechtelinge op haar blote billen tuchtigt, zijn tot in de negentiende eeuw herdrukt. Zij krijgen in de achttiende eeuw gezelschap van semi-pornografische prenten en toneelstukken uit min of meer verlichte kring, zoals de treurspelen waarover Edwina Hagen in haar studie over Nederlands antipapisme rond 1800 spreekt. Maar zoals ik al zei: deze traditie vormt een minder betrouwbare getuige. Zij heeft immers onmiskenbaar een agenda: zij wil het katholicisme bespottelijk maken en doet dat door in te spelen op volkse sentimenten rond het celibaat.

Meer betrouwbaar zijn twee andere tradities: enerzijds de processen die voor kerkelijke rechtbanken gevoerd worden over ontuchtige handelingen door geestelijken en anderzijds de kerkelijke regelgeving over seksueel misbruik door priesters. Wat de processen betreft: de volumineuze studie van Jozef de Brouwer over de kerkelijke rechtspraak in de bisdommen Antwerpen, Gent en Mechelen tussen 1570 en 1795 somt niet alleen een enorme rij van processen op tegen priesters die de celibaatsgelofte overtraden, iets wat doorgaans aan het licht kwam wanneer de pastoorsmeid of een andere vrouw zwanger bleek te zijn. Maar hij noemt ook processen wegens seksuele betrekkingen tussen priesters en vrouwelijke kloosterlingen – ook in die gevallen was het vaak een zwangerschap die de seksuele relatie aan het licht bracht -, en zelfs tegen priesters wegens misbruik van kinderen in een weeshuis.

En dan is er de kerkelijke regelgeving over seksueel misbruik door priesters. Het is een hardnekkig misverstand dat pas in de twintigste eeuw door Rome regelingen getroffen zouden zijn voor de omgang met priesters die seksueel misbruik hebben gepleegd. Die regelingen zijn er, voor zover ik heb kunnen nagaan, al zeker vanaf de zeventiende eeuw, en we mogen dus aannemen dat het fenomeen van het seksuele misbruik ook zeker zo oud is. Zo is er een constitutie van paus Gregorius XV van 30 augustus 1622 (Universi) en een instructie voor de inquisitie van paus Alexander VII van 24 september 1665.

Maar het meest invloedrijk is een constitutie geweest van paus Benedictus XIV van 1 juni 1741. Deze constitutie, getiteld Sacramentum Poenitentiae (het sacrament van de boete), is van kracht geweest tot ver in de twintigste eeuw. Benedictus XIV, de belangrijkste en meest capabele paus van de achttiende eeuw, die zijn sporen vooral heeft verdiend op het gebied van de kerkelijke wetgeving en de ordening van de liturgie, veroordeelde het seksuele misbruik door priesters in de constitutie in de meest krachtige bewoordingen. Die bewoordingen brengen niet alleen de schending van de heiligheid van de biecht tot uitdrukking, zoals in de geheime twintigste-eeuwse instructies van Rome het geval was, maar ook de schending van de integriteit van het slachtoffer, iets wat in de twintigste-eeuwse instructies eigenlijk nauwelijks naar voren komt. Daar lijkt vooral het sacrament en niet het misbruikte kind of de misbruikte vrouw het grote slachtoffer te zijn. De daders van het seksuele misbruik moesten volgens de instructie van Benedictus XIV door een kerkelijk tribunaal veroordeeld worden en zouden nooit meer de bevoegdheid moeten krijgen om nog biecht te horen. Van strikte geheimhouding was in de instructie van 1741, anders dan in de regelingen uit de tweede helft van de twintigste eeuw, nog geen sprake, en ook de instructie zelf was verre van geheim: ze werd zelfs opgehangen aan de deuren van de Sint-Jan van Lateranen, de Sint-Pieter, de pauselijke kanselarij en nog enkele gebouwen in Rome. 

In eigen huis afhandelen 

Waar het document van 1741 niet van repte, was van een overdracht van de dader aan de civiele autoriteiten. De klachten over seksueel misbruik werden volledig in eigen kerkelijke kring afgehandeld. Dat was in de eerste helft van de achttiende eeuw, toen er nog geen sprake was van een scheiding van kerk en staat, nog niet verwonderlijk. Maar de constitutie van Benedictus XIV bleef ook van kracht in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, toen inmiddels in tal van landen, waaronder ook Nederland, de scheiding van kerk en staat was afgekondigd. Toen in 1917 voor het eerst een kerkelijk wetboek voor de rooms-katholieke kerk tot stand kwam, de Codex Iuris Canonici, werd daarin – in canon 904 – verwezen naar de constitutie van 1741, en de tekst ervan werd in de meeste uitgaven van het kerkelijk wetboek als appendix opgenomen. De constitutie ging uit van de situatie ten tijde van het Ancien Régime, dus van vóór de Franse Revolutie van 1789, toen de kerk vele zaken, ook ernstige misdrijven, intern afhandelde. Die situatie was echter door de opkomst van de moderne rechtsstaat en de scheiding van kerk en staat achterhaald. Misbruik van minderjarigen hoort in die situatie niet slechts een kwestie van interne kerkelijke tucht te zijn. De constitutie van Benedictus XIV was daarop nog niet voorzien: de wereldlijke rechtspraak kwam daar nog niet in beeld. De kerkelijke autoriteiten hebben op basis van die instructie nog lang de gedachte kunnen koesteren dat zij klachten over seksueel misbruik van minderjarigen in eigen huis konden afhandelen.

Dat was minstens ook de suggestie die van alle tot nu toe genoemde instructies uitging: kerkelijke ambtsdragers moeten niet aan civiele autoriteiten worden overgeleverd en er moet dus geen aangifte tegen hen worden gedaan. De kerk handelde de klachten over seksueel misbruik zelf af, volgens haar eigen procedures. Dat de zaken buiten de wereldlijke rechtsgang gehouden moesten worden, staat nergens nadrukkelijk in de instructies, maar het werkte in de praktijk wel zo. Dat is ook het geval geweest met de wijze waarop twee geheime instructies uit de tweede helft van de twintigste eeuw werden toegepast. Het bestaan van de eerste instructie werd in juli 2003 door een Amerikaanse krant onthuld. Het gaat om een geheime instructie uit maart 1962 van het Heilig Officie, de opvolger van de inquisitie en de voorganger van de Congregatie voor de Geloofsleer. Die instructie, getiteld De modo procedendi in causis sollicitationis, was met instemming van paus Johannes XXIII onder geheimhouding naar alle bisschoppen en hogere oversten verstuurd. Zij handelde over het zogenaamde crimen sollicitationis, de misdaad van uitlokking: een situatie waarin een biechtvader zijn biechteling(e) tijdens de biecht verleidde tot seksuele handelingen. Maar de strekking van het document is ruimer: het sluit feitelijk alle seksuele handelingen in waarbij priesters betrokken zijn. De ergste daarvan – crimen pessimum, de meest verderfelijke misdaad – is die waarbij kinderen (pedofilie), mannen (homoseksualiteit) of dieren (bestialiteit) betrokken zijn. Klachten over dit gedrag door priesters moesten volgens de instructie onder verantwoordelijkheid van het Heilig Officie door speciale diocesane rechtbanken, uitsluitend bestaande uit priesters, behandeld worden, en wel onder de zwaarste vorm van geheimhouding. De betrokkenen verplichtten zich tot eeuwigdurend stilzwijgen over de zaak. Het verbreken van dit stilzwijgen zou automatisch tot excommunicatie van de betrokkene leiden, dus tot uitsluiting uit de kerkelijke gemeenschap. Van de uitkomst van de rechtszaak, dus van het vonnis, moest het Heilig Officie op de hoogte gesteld worden.

Op 30 april 2001 werd dit document nog eens vernieuwd bij motu proprio (een op eigen initiatief door de paus uitgevaardigd document) van paus Johannes Paulus II. Het vernieuwde document, voorbereid door de prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, kardinaal Joseph Ratzinger, vanaf 2005 paus Benedictus XVI, is getiteld Sacramentorum sanctitatis tutela en behandelt een aantal gevallen van schending van de heiligheid van de sacramenten. Een daarvan is de schending van de heiligheid van de biecht door seksuele handelingen. Maar ook nu is de strekking ruimer: het document heeft eigenlijk alle gevallen van seksueel misbruik door priesters op het oog. Voor de behandeling daarvan wordt verwezen naar de geheime instructie van 1962. Opnieuw is strikte geheimhouding geboden volgens deze pauselijke brief. Nieuw is dat nu het Heilig Officie, inmiddels Congregatie voor de Geloofsleer, niet pas na afloop van de rechtszaak op de hoogte gesteld moet worden, maar al bij het begin. Ook trekt de Congregatie voor de Geloofsleer het uiteindelijke besluit naar zich toe over de straf die een priester moet krijgen die minderjarigen seksueel heeft misbruikt. Vanaf 2001 moeten de Congregatie voor de Geloofsleer en zijn prefect Joseph Ratzinger dus in beginsel van alle klachten over seksueel misbruik van minderjarigen in de wereldwijde rooms-katholieke kerk op de hoogte zijn geweest. 

Verandering van de slachtoffergroep 

Uit dit historisch exposé worden enkele dingen duidelijk. Om te beginnen: seksueel wangedrag van priesters is niet een verschijnsel van de laatste decennia, niet een bittere vrucht van de seksuele revolutie van de jaren zestig of van de verwarring na het Tweede Vaticaans Concilie. Het is een eeuwenoud fenomeen. Er is al vanaf de zeventiende eeuw kerkelijke regelgeving voor het optreden tegen priesters die seksueel grensoverschrijdend gedrag vertonen. Een opmerkelijke verschuiving daarbij is wel dat die regelgeving in de zeventiende en achttiende eeuw nergens over geheimhouding spreekt, terwijl in de tweede helft van de twintigste eeuw de zwaarste vorm van geheimhouding in acht genomen moest worden. Nog een opmerkelijke verschuiving is dat in de regelingen uit de zeventiende en de achttiende eeuw de schending van het slachtoffer centraal staat, terwijl in de tweede helft van de twintigste eeuw de schending van de heiligheid van de biecht centraal kwam te staan en over de slachtoffers in de geheime Vaticaanse instructies niet of nauwelijks gesproken werd. Dat in 1962 en 2001 nog steeds de schending van de biecht het kader vormde voor de kerkelijke regelgeving inzake seksueel misbruik, vestigt ten slotte de aandacht op de misschien wel meest opmerkelijke verandering: in de afgelopen decennia was immers niet langer de biecht de situatie waarin het seksuele misbruik het meest frequent voorkwam. Het theologische kader van de regelingen van 1962 en 2001 was eigenlijk een anachronisme geworden. En dat heeft te maken met een opmerkelijke verandering in de aard van de slachtoffergroep. Waren dat, gelet op zowel de spotliteratuur als de kerkelijke processen en de kerkelijke regelgeving, in de zeventiende en de achttiende eeuw vooral vrouwelijke biechtelingen, in de negentiende en de twintigste eeuw waren het vooral jonge jongens, pubers en adolescenten. De samenstelling van de slachtoffergroep van seksueel misbruik door priesters is dus ingrijpend veranderd. Betekent dat nu dat ook de seksuele oriëntatie van priesters en mannelijke religieuzen in die tijd ingrijpend veranderd zou zijn, namelijk van een overwegend heterofiele naar een overwegend efebofiele, dus een voorkeur voor pubers en adolescenten? Dat lijkt mij eerlijk gezegd onwaarschijnlijk, maar ik geef toe: ik ben geen historische seksuoloog. Veel waarschijnlijker lijkt het mij dat zich in de negentiende en twintigste eeuw aan priesters en mannelijke religieuzen een veel gemakkelijker prooi aandiende voor het uitleven van hun seksuele driftleven, namelijk precies die groep van jonge jongens die – nu volwassen mannen - in de afgelopen jaren met hun misbruikverhalen voor de dag zijn gekomen. En dat die slachtoffergroep er kwam, is een gevolg van historische ontwikkelingen die zich vooral vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw hebben voorgedaan. Enerzijds is daar de explosieve groei van het katholieke internaatswezen, geleid vooral door orden en congregaties en in mindere mate door wereldheren (dan hebben we het vooral over diocesane kleinseminaries en in het bisdom Roermond over bisschoppelijke colleges). En anderzijds is daar in de parochies het pas in de negentiende eeuw in zijn huidige vorm tot ontwikkeling gekomen fenomeen van de misdienaars (vóór die tijd trad doorgaans de koster als misdienaar op) en het rond 1900 op gang komende katholieke jeugdwerk. Samen vormen zij uitingen van een ontwikkeling die historici inmiddels aanduiden als ‘the childisation of religion’: het opgroeiende kind kreeg vanaf het midden van de negentiende eeuw in de rooms-katholieke kerk meer en meer aandacht en werd voorwerp van bijzondere pastorale zorg. Maar het werd, zo weten we nu, daarmee ook slachtoffer van de ongeordende seksualiteit van priesters en religieuzen. Zij waren, vooral in de katholieke internaten, een gemakkelijke prooi: zij misten soms hun thuis en moederlijke aandacht of waren eenzaam, zij waren zelf nog maar net op zoek naar hun seksuele geaardheid en hadden nog geen woorden voor seksualiteit, zij verkeerden in een afhankelijkheidsrelatie jegens hun belagers, die ook nog eens met sacraal gezag bekleed waren en zij leefden in een gesloten wereld, waarin zij nauwelijks met anderen konden spreken over wat hen overkwam, als zij er al over durfden te spreken. Daarmee waren de jonge jongens in veel opzichten een gemakkelijker prooi voor het driftleven van priesters dan de vrouwelijke biechtelingen van de eeuwen daarvoor. Het grootscheepse seksuele misbruik dat in de laatste jaren aan het licht is gekomen, is dus niet, zoals het John Jay College of Criminal Justice beweert, een ‘bittere vrucht’ van de seksuele revolutie van de jaren zestig van de twintigste eeuw, maar het is een ‘bittere vrucht’ van de ‘childisation’ van het rooms-katholicisme vanaf het midden van de negentiende eeuw. 

‘Het is de schuld van de media’ 

We hebben kunnen vaststellen dat het seksuele misbruik door priesters en religieuzen geen nieuw fenomeen is. Nieuw is wel de vrijheid en vrijmoedigheid waarmee er momenteel over gesproken wordt. Dat is te danken aan minstens twee actoren: aan de slachtoffers zelf, die soms na vier of vijf decennia hun schroom hebben overwonnen en de moed hebben gevonden om hun ervaringen met anderen te delen, en aan de media. Aan die media worden door veel mensen kwade motieven toegedicht. Men kan katholieke gelovigen horen klagen over de wijze waarop hun kerk momenteel in de media verschijnt, en dat wordt dan vaak niet aan die kerk maar aan de media verweten. Zelfs bisschoppen kon men dat horen zeggen: het wordt allemaal opgeklopt door de media. Toen in 1992 de Boston Globe begon te publiceren over het misbruik door de priester James Porter, die uiteindelijk tweehonderd kinderen misbruikt bleek te hebben, riep kardinaal Bernard Law, de aartsbisschop van Boston, de toorn van God over de Boston Globe af. Kardinaal Law moest tien jaar later aftreden en de Boston Globe bestaat nog steeds. De katholieke publicist Anton de Wit beweerde onlangs in een boek over kerkelijke controverses (Van klokken en klepels) dat er een openbare samenzwering tegen de rooms-katholieke kerk gaande is en journalisten spelen daarin een prominente rol. Die hebben, aldus Anton de Wit, een verborgen agenda.

In de Journal of Contemporary Religion van vorig jaar wijdden de wetenschappers Susie Donnelly en Tom Inglis van het University College in Dublin een heel wat genuanceerdere beschouwing aan de rol van de media in de berichtgeving over seksueel misbruik door priesters en religieuzen in Ierland. Zij wijzen op twee factoren. Ten eerste is er het verlies van invloed en macht van de rooms-katholieke kerk in de Ierse samenleving, ook in de wereld van de media. De media kunnen daardoor in grotere vrijheid berichten over de kerk. In hun artikel wijzen zij op de historische stap die de hoofdredacteur van The Irish Times in januari 1992 heeft genomen door te publiceren over het buitenechtelijke kind dat de bisschop van Galway, Eamon Casey, bij een Amerikaanse vriendin had verwekt. Hij werd enorm onder druk gezet om daar niet over te publiceren, maar hij heeft die druk weerstaan. De dag na de publicatie maakte het Vaticaan het terugtreden – natuurlijk om gezondheidsredenen – van de bisschop bekend. Maar een tweede factor die Donnelly en Inglis noemen is nog veel interessanter. Dat is het feit dat de media voor een deel de morele rol hebben overgenomen die vroeger door religieuze instituties als de kerk werd vervuld. De media vormen de opinies van mensen, maar ook dwingen zij instituties en bestuurders (politici, vakbonden, bedrijven, maar ook de kerk) verantwoording af te leggen van hun handelen. ‘Public accountability’, en precies dat is iets wat de rooms-katholieke kerk nooit geleerd en nooit gewild heeft. De media zijn gaan functioneren als het sociale geweten en de morele waakhond van de samenleving. Zij dwingen nu zelfs de kerk om in het openbaar verantwoording af te leggen, en de kerk kan niet langer de agenda bepalen van het morele debat.

Wat wel interessant is en zeker nog eens nader bestudeerd zou moeten worden, is het domino-effect van de mediabelangstelling voor kerkelijk seksueel misbruik. Het leek in Nederland pas opeens op grote schaal aandacht te krijgen nadat in januari van vorig jaar seksueel misbruik op internaten van jezuïeten en salesianen in Duitsland in de publiciteit kwam, dus toen het geografisch gezien dichtbij kwam. Berichten over seksueel misbruik waren er in de Amerikaanse media al een kwart eeuw. Daar kwamen de eerste slachtofferverhalen in 1984 in de media en werd de eerste aanklacht ingediend tegen priester Gilbert Gauthé. Het is de grote verdienste van Father Thomas Doyle, de spreker van vanavond, dat hij al een jaar later, in 1985, een rapport over het fenomeen - mét suggesties voor een adequate aanpak – aan de Amerikaanse bisschoppen heeft voorgelegd. Het wordt algemeen beschouwd als het eerste signaal van klokkenluiders. Het rapport kwam niet in de bisschoppenconferentie aan de orde; behandeling ervan werd aan de afzonderlijke bisschoppen overgelaten, en met het voorstel voor een aanpak gebeurde niets. Enkele jaren later volgde Canada, waar in 1989 misbruik in een rooms-katholiek jongensweeshuis in de publiciteit kwam en in 1990 misbruik in het aartsbisdom St. John’s. In 1992 verscheen daar de geruchtmakende film ‘The Boys of St. Vincent’. In datzelfde jaar 1992 begonnen de eerste reeksen van processen in Ierland, en elf jaar later vestigde de film ‘The Magdalene Sisters’ de aandacht op de psychische en fysieke terreur van zusters in meisjesinternaten.

In Nederland waren er intussen ook al wat krantenberichten geweest: in 1994 in het dagblad De Limburger over misbruik in een school van de Broeders van Maastricht en later over misbruik van misdienaars door een pastoor te Maastricht. Beide artikelen waren het werk van de voortreffelijke onderzoeksjournalist Joep Dohmen. Deze verweet het de historici van orden en congregaties (in zijn boek Vrome zondaars) dat zij het misbruik nooit hebben gethematiseerd, maar bij de presentatie van dit boek, nu ruim een jaar geleden, hier in Nijmegen in Lux, gaf hij ruiterlijk toe dat hij als journalist er ook niet eerder uitgebreid op was ingegaan. In 2007 en 2009 besteedden de actualiteitenprogramma’s Netwerk en Zembla op televisie aandacht aan ondermeer het slecht functioneren van de kerkelijke instelling Hulp&Recht (ik heb aan beide uitzendingen mee mogen werken), maar toch duurde het tot de tussenrapportage van de Commissie Deetman eer deze instelling ingrijpend op de schop werd genomen. Waarom kwam in Nederland de golf van verhalen over seksueel misbruik pas zo laat op gang? Waarom niet al in de jaren tachtig of negentig, toen in de Verenigde Staten, Canada, Australië en Ierland al het nodige in de openbaarheid kwam? Was dat toch nog te ver weg? Het is een van de vele puzzels waar ook ik het antwoord niet op weet. 

Reacties op de getuigenissen van slachtoffers 

Maar nu zijn de verhalen er dan toch, vele, vele verhalen. Ze zijn opgetekend in landelijke kranten, NRC Handelsblad voorop, dan de Volkskrant, gevolgd door het Algemeen Dagblad en Trouw, en bovendien in een reeks regionale dagbladen, zoals De Limburger, het Brabants Dagblad en De Stem. Ze zijn opgetekend in autobiografische boeken, soms in eigen beheer uitgegeven. Ze zijn uitgezonden door actualiteitenprogramma’s als Netwerk, EenVandaag, Nieuwsuur, RTL Nieuws, Hart van Nederland en vele andere.

Op al die verhalen wordt door sommigen nog steeds met ongeloof gereageerd. Ik ken oud-leerlingen van het kleinseminarie Rolduc die daar zo’n geweldige tijd hebben gehad, dat zij niet kunnen verkroppen dat ook daar leerlingen door priesterleraren zijn misbruikt. Toen onlangs het verhaal van een van die leerlingen, Yan Tax, in een boek van Twan Geurts over het laatste decennium van het kleinseminarie Rolduc werd opgetekend, beweerde een goede vriend van mij, oud-leerling van Rolduc, nog dat er nooit iemand met die naam in Rolduc gezeten had.

Donald Cozzens heeft in zijn indrukwekkende boek over de zwijgcultuur in de rooms-katholieke kerk, Sacred Silence. Denial and the Crisis in the Church, een aantal stereotiepe vormen van ontkenning van het seksuele misbruik op een rijtje gezet. Enkele zijn we al tegen gekomen: de ontkenning (‘het kán niet waar zijn’), of: ‘de media verdraaien alles’. Een andere stereotiepe reactie is, in de woorden van Donald Cozzens, ‘abuse by priests may exist, but it is very rare’. In 2002 beweerde bijvoorbeeld kardinaal Joseph Ratzinger, de huidige paus dus, naar aanleiding van het misbruik in de Verenigde Staten: ‘De voortdurende aanwezigheid van nieuwsitems komt op geen enkele wijze overeen met de statistische objectiviteit van de feiten. Daardoor moet men wel tot de conclusie komen dat er doelbewust gemanipuleerd wordt en men de Kerk in diskrediet wil brengen. Minder dan 1 procent van de Amerikaanse priesters hebben zich schuldig gemaakt aan handelingen van dit type.’ Inmiddels weten we dat in de Verenigde Staten minstens 5,3 procent van de priesters, dus één op de twintig priesters, zich in de afgelopen decennia ‘aan handelingen van dit type’ heeft schuldig gemaakt.

Nog een andere stereotiepe reactie is: seksueel misbruik van minderjarigen komt overal voor, bij zwemleraren, in kinderdagverblijven en in gezinnen, en daar veel vaker dan in de kerk. Op de eerste bewering, dus ‘het komt ook elders voor’, vind ik het meest adequate antwoord nog altijd dat van bisschop Gerard de Korte: ‘het vuil in het straatje van een ander maakt ons eigen straatje niet schoon’. De tweede bewering – dus: buiten de kerk komt het veel vaker voor - wordt vaak ondersteund met een verwijzing naar de Duitse psychiater Hans-Ludwig Kröber, die gezegd heeft dat de kans om door een niet-celibatair misbruikt te worden 36 maal groter is dan de kans om door een celibatair misbruikt te worden (het is ook te vinden in het al genoemde boek van Anton de Wit). Ja, dank je de koekoek: hoeveel meer niet-celibatairen dan celibatairen denkt u dat er in Duitsland zijn? In absolute zin klopt de bewering dus allicht. Maar het is een drogreden. Want wie de moeite neemt om het aantal gevallen van misbruik van minderjarigen, afgezet tegen de mannelijke bevolking boven de achttien jaar (de mogelijke dadergroep, voor het gemak), te vergelijken met het aantal gevallen van kerkelijk misbruik, afgezet tegen het aantal priesters en mannelijke religieuzen in Duitsland (allemaal cijfers die u op internet kunt vinden), zal gemakkelijk tot de conclusie komen dat seksueel misbruik onder priesters en religieuzen procentueel ongeveer even vaak voorkomt als onder het geheel van de mannelijke bevolking. Beide cijfers verschillen pas achter de komma. Priesters en religieuzen zijn dus niet slechter dan gewone mannen, maar ook geen haar beter. Terwijl de kerk toch graag pretendeert een leermeesteres van de moraal te zijn en een voorbeeld voor de wereld.

Een laatste reactie, die vooral conservatieve katholieke bloggers nogal eens laten horen (en ook de ‘gewone katholiek’ op de straat), is: veel van die verhalen zullen wel verzonnen zijn, om welke reden dan ook. Mensen willen aandacht (five minutes of fame), hebben een hekel aan de kerk (wraak) of ruiken geld (schadeclaims!). Natuurlijk, er zullen beslist verzonnen verhalen tussendoor sluipen. Er zal vast wel af en toe misbruik worden gemaakt van het misbruik. Niet alle klachten en getuigenissen zullen oprecht zijn. Maar zal dat vaak het geval zijn? Ook hier bieden de gegevens uit de Verenigde Staten weer nuttig vergelijkingsmateriaal. In 2004 publiceerde het John Jay College of Criminal Justice een uitgebreid rapport over het seksuele misbruik in de rooms-katholieke kerk in de Verenigde Staten. Er worden 10.667 gedocumenteerde klachten in besproken. Daar staan ongeveer twintig aantoonbaar valse meldingen of beschuldigingen tegenover. Een ander onderzoek heeft voor de staat California op bijna 850 klachten over kerkelijke seksueel misbruik drie valse klachten kunnen ontmaskeren. Ik zou er dus voor willen pleiten vooralsnog elk verhaal toch maar serieus te nemen, tot het tegendeel bewezen is. 

Dat is namelijk wat voor de slachtoffers van seksueel misbruik van het allereerste en het allergrootste belang is: dat er geluisterd wordt naar hun ervaringen, dat hun verhaal gehoor vindt, dat zíj centraal staan. Daarom is het een goede zaak dat dit symposium vanmiddag en ook de lezing vanavond gewijd is aan de slachtoffers, aan de vraag wat het seksuele misbruik voor hen betekende en nu nog steeds betekent, hoe het hun leven heeft getekend en wat er gedaan kan worden om tot genoegdoening en heling te komen. Opdat wij niet langer onze kop in het zand steken!