Orewoet. Over Hadewijch, Cobi van Hulst en de minne

Op 1 en 2 oktober 2011 waren in het kerkje van Persingen, bij Nijmegen, de doeken van kunstenares Cobi van Hulst te bewonderen die geïnspireerd zijn op versregels van de middeleeuwse mystica Hadewijch. Peter Nissen hield bij deze tentoonstelling op 2 oktober 2011 de volgende inleiding.

Wie is Hadewijch? En wie is Cobi van Hulst? En wat is orewoet? Laat ik met de eerste vraag beginnen, want die is het gemakkelijkste te beantwoorden: we weten het niet. Punt, uit, klaar. Niemand van ons heeft ooit Hadewijch gezien. De tweede vraag is op eenzelfde wijze ook gemakkelijk te beantwoorden: vrijwel iedereen hier weet wie Cobi van Hulst is. U hebt haar gezien, u hebt haar ontmoet, u hebt met haar gesproken. U kent haar als familielid, als collega, als vriendin, als medelid van de Orde van den Prince, of hoe dan ook.

Nog even terug naar de vraag wie Hadewijch is. Iets weten we wel over haar, namelijk dat zij met haar werk deel uitmaakt van een stroming die we de middeleeuwse minnemystiek noemen en dat zij als persoon heeft behoord tot wat de religieuze vrouwenbeweging wordt genoemd. Dat is een beweging van zelfbewuste vrouwen, die op een eigen wijze gestalte gaven aan hun verlangen om een leven te leiden dat gewijd was aan het geheim van God en die bovendien een eigen taal en een eigen stijl ontwikkelden om over hun verhouding tot dat geheim te schrijven. Die beweging begon voorzichtig in de twaalfde eeuw met de Duitse benedictines Hildegard van Bingen en kwam in de dertiende eeuw tot grote bloei met in de Lage Landen cisterciënzerinnen als Beatrijs van Nazareth, Lutgard van Tongeren en Ida van Nijvel en in Duitsland opnieuw vooral cisterciënzerinnen als Mechtild van Maagdenburg, Mechtild van Hackeborn en Geertrui van Helfta. Deze vrouwen bedienden zich niet uitsluitend – Hildegard in de twaalfde eeuw bijvoorbeeld nog niet -, maar toch wel voornamelijk van de volkstaal. Waarom? Omdat in het Latijn de betekenis van de woorden al zo vast lag. Daar waren de begrippen voor het spreken over God door de theologie en de kerkleer al afgebakend en ingevuld. Die taal was al bezet. Met de volkstaal was dat veel minder het geval. In die taal kon nog veel meer verkend, geprobeerd en geëxperimenteerd worden bij het spreken over het geheim van God en het geheim van de liefde.

Van de juist genoemde vrouwen, allemaal kloosterzusters, weten we ongeveer wanneer, waar en hoe zij leefden. Maar van Hadewijch weten we dat eigenlijk niet. Een korte tekst van haar, de Lijst van Volmaakten, maakt het waarschijnlijk dat zij in de eerste helft van de dertiende eeuw leefde. Een vijftiende-eeuws handschrift in de Universiteitsbibliotheek van Gent noemt haar Hadewigis de Antverpia, en op basis daarvan is zijn vanaf de negentiende eeuw gesitueerd in een begijnengemeenschap in de Brabantse stad Antwerpen. De aard van haar brieven gaf aanleiding te denken dat zij in die begijnengemeenschap een leidende functie vervulde. In elk geval kunnen de brieven, zoals Hanneke Arts-Honselaar in haar proefschrift laat zien, gelezen worden als instrumenten van geestelijke leiding. Maar hoort zij wel in Antwerpen thuis? De Hadewijchonderzoeker Rob Faesen schaart haar ook in de kring van de cisterciënzerinnen, door haar te identificeren met ene Hawidis of Heilwich, die in 1230 de eerste abdis was van het cisterciënzerinnenklooster Hertogendaal te Leuven. Hans Wilbrink heeft in zijn proefschrift, waarin hij Hildegard van Bingen met Hadewijch vergelijkt, met goede argumenten geopperd dat Hadewijch vanaf 1220 in de omgeving van Luik gesitueerd moet worden en daarna in de nabijheid van de cisterciënserabdij van Villers leefde, waar ook de mystica Juliana van Mont-Cornillon onderdak had gevonden.  De connectie tussen Villers en Hadewijch vond vorig jaar steun in een artikel van Daniel Devreese in het tijdschrift van het Ruusbroecgenootschap, Ons Geestelijk Erf. Devreese kon wijzen op een nieuwe oorkonde uit 1212, waarin een ‘Hadewid Greca’ onder de bescherming van de abt van Villers geplaatst werd. De toevoeging Greca, aldus Devreese, maakt het waarschijnlijk dat Hadewijch stamde uit de familie Van Grieken uit Zoutleeuw. Daar, in Zoutleeuw, kan zij deel hebben uitgemaakt van een gemeenschap van religieuze vrouwen, mulieres religiosae, die niet behoorden tot een kloosterorde, maar een zelfstandige religieuze gemeenschap vormden, waaruit later het begijnhof van Zoutleeuw is voortgekomen.

Het blijft een puzzel wie die Hadewijch geweest is, waar ze vandaan kwam, waar ze woonde, hoe ze leefde, wat ze gelezen had, wat haar bronnen waren. Zeker is dat zij een belezen vrouw was. Zij citeert in een van haar brieven, de tiende, een passage uit het Hoogliedcommentaar van de twaalfde-eeuwse theoloog Richard van Sint-Victor. Zij kende ook Hildegard van Bingen en andere schrijvers uit de traditie. Zij moet een erudiete vrouw zijn geweest, die weet had van verschillende literaire tradities en circuits, zowel die van de theologie in het Latijn als die van de hoofse poëzie in de volkstaal. En uit haar eigen poëzie treedt zij ons tegemoet: uit de 45 strofische gedichten, maar ook uit de niet berijmde, maar daarom niet minder poëtische veertien visioenen en de 31 brieven, en ten slotte nog uit de mengeldichten, al weten we inmiddels dat van de 29 aan haar toegeschreven mengeldichten er maar zestien werkelijk van de auteur zijn die we als Hadewijch kennen.

Hadewijch kunnen we leren kennen door haar werk te lezen. Cobi van Hulst kunnen we leren kennen door haar werk te zien. Voor het eerst zag ik dat werk in een tentoonstelling die Cobi samen met Babette Degraeve in juni 2009, ruim twee jaar geleden dus, had ingericht in de Mariënburgkapel in Nijmegen. Dat waren de indrukwekkende handdoeken: doeken waarin geprononceerde handen centraal stonden. Cobi was toen inmiddels begonnen met de eerste kruisdragers: doeken die een eigentijdse kruisweg vormen, een via dolorosa. Daarover raakten we in gesprek, een gesprek dat we allebei zijn gaan ervaren als een verrijking van ons leven, omdat het over veel meer ging dan over de doeken in wording. Dat gesprek werd voortgezet en verdiept toen Cobi begon aan de reeks doeken die u hier vandaag in het Kerkje van Persingen kunt zien: doeken die geïnspireerd zijn op dichtregels van Hadewijch.

Dichters en schilders stellen zichzelf een moeilijke taak: zij willen iets dat hen van binnen geraakt heeft ‘veruitwendigen’. Zij willen het uitdrukken, en wel op een wijze die het ook anderen mogelijk maakt de ervaring van geraaktheid te delen. Dichters doen dat met taal, schilders met kleur en vorm. Dat zijn hun instrumenten; daarmee maken zij muziek. Dichters en schilders zijn dus aan elkaar verwant, maar ook aan de componisten en muzikanten en alle anderen die werk maken van datgene wat de mens het meeste onderscheidt van alle andere dieren: de verbeeldingskracht.

De verbeeldingskracht heeft instrumenten nodig. Maar die instrumenten kennen beperkingen. Daarom is het een moeizame taak die dichters en schilders zichzelf opleggen, of die ze opgelegd hebben gekregen, als ze hun werk als een soort roeping door iets buiten zichzelf opvatten. Daarom vraagt ze om doorzettingsvermogen, om de bereidheid ook om te leren, om met vallen en opstaan verder te komen, te leren van het leven, zoals de liefde volgens Hadewijch geleerd moet worden in de ‘hogeschool van de minne’. Hadewijch heeft zich ontwikkeld in de leerschool van de poëzie en is een eigenzinnige dichter geworden, zo eigenzinnig dat Albert Verwey, een van de hoofdrolspelers in de Beweging van Tachtig, mateloos door haar gefascineerd werd, zoals Annette van Dijk in haar proefschrift beschreven heeft. ‘Welk een ketter is die vrouw geweest!’, zo riep Verwey uit en zo luidt ook de titel van het boek van Annette van Dijk. En Verwey bedoelde daarmee niet dat Hadewijch van de rechte leer zou zijn afgeweken – dat interesseerde de vrijzinnige Verwey verwerkelijk geen ene moer -, maar hij bedoelde ermee dat zij een eigenzinnige, creatieve en originele taalkunstenares was.

Wat hebben Hadewijch en Cobi van Hulst verder met elkaar gemeen, behalve het feit dat zij allebei werk maken van de verbeeldingskracht? In elk geval dat ze beiden aangeraakt zijn door iets dat hen te boven gaat. Ze zijn geraakt door iets dat te groot is voor woorden. Toch probeerde de mystica Hadewijch woorden te vinden voor die ervaring van innerlijke aanraking, voor die verwarrende vervoering, voor dat meeslepende avontuur. Ja, een avontuur, maar met wat of wie? Hadewijch noemde het minne. Zij is er zo door aangeraakt dat haar zintuigen ervan smelten. Sommigen noemen die minne God en schrijven het woord dan met een hoofdletter. Anderen noemen die minne liefde, en bekommeren zich niet om hoofdletters, zoals de dichter Jan Kuijper in zijn recente bewerking van Hadewijchs gedichten, de eerder dit jaar met de Filter Vertaalprijs bekroonde Liefdesliederen. Is er veel verschil tussen die twee? Schieten we er iets mee op als we zeggen dat God liefde is en dat Minne en minne bij elkaar horen? Het zijn maar woorden.

Hadewijch had daar niet genoeg aan. Anders gezegd: de woorden die zij tot haar beschikking had, volstonden niet om uit te drukken wat er in haar omging. Zij werd heen en weer geslingerd tussen verlangen en vervulling, tussen overgave (ik ben al di) en begeerte (wes al mi), tussen honger en verzadiging. Zij wilde warmen en verwarmd worden, omarmen en omarmd worden, zij wilde hongeren en gevoed worden, zij wilde verdwalen in de ander en verteerd worden. En voor wat dit avontuur in haar innerlijk opriep, schiep ze nieuwe woorden. Want ze kon er niet over zwijgen: ‘begherte en mach niet swighen stille’. Ze sprak er over in haar gedichten, in haar brieven en in haar visioenteksten. Met oude en nieuwe woorden.

Orewoet is zo’n nieuw woord. Het is door Toon Hagen, emeritus hoogleraar dialectkunde, ooit het mooiste woord in de Nederlandse taal genoemd. Het duidt een woeden, een vuur of laaien, aan dat oorspronkelijk is en onherleidbaar tot iets anders, zoals het oerwoud, de oorsprong, de oertijd, de oorzaak en de oermens. Het duidt het woeden aan dat van binnen plaatsvindt als het verlangen naar die alles verterende ervaring van eenwording én de onbereikbaarheid ervan op elkaar botsen. We doen dat gevoel te kort als we het liefdesverdriet noemen, maar een beetje familie zijn de twee wel van elkaar. En we bevinden ons met zo’n beeld in goed gezelschap, want ook Hadewijch ontleende haar beelden aan de menselijke ervaring van de liefde. Die beelden zijn heftig, hartstochtelijk, erotisch, lichamelijk.

Zo zijn ook de beelden waartoe Cobi van Hulst zich door dichtregels van Hadewijch liet inspireren. Cobi deelt de vervoering van Hadewijch. Zij is ook geraakt, geraakt door de gedichten van Hadewijch, maar ook geraakt door haar orewoet. En zoals Hadewijch in de dertiende eeuw, zo is Cobi van Hulst in onze eeuw op zoek gegaan naar beelden die iets van die ervaring kunnen uitdrukken.

Wij zien in de doeken van Cobi van Hulst de hartstochtelijke worsteling van een vrouw met de minne. Is die vrouw Hadewijch? Het is in elk geval niet steeds dezelfde vrouw. Wie zij is, is eigenlijk niet belangrijk. Belangrijk is dat zij er is voor de minne en de minne voor haar. En de ontmoeting tussen die twee maakt haar soms teder en ingetogen, zoals in de doeken bij de versregels Met diepen hongere, met vollen saden en Dit es mijn zuete amijs, soms geil en uitbundig, als in het doek bij de woorden Ic woude in uwen brant verblaken. Het zijn krachtige en prachtige beelden. De handen spelen er, zoals ook in eerder werk van Cobi van Hulst, een belangrijke rol in. De kleuren zijn expressief en uitgesproken. Wij horen bijna de aderen kraken van de door begeerte ontvlamde vrouw.

De Hadewijchdoeken van Cobi van Hulst zijn een en al orewoet. Zij zijn geraaktheid in het kwadraat. Daarom: grijp uw kans en geniet ervan, hier, vandaag, in dit bijzondere kerkje van Persingen!