Vensters op een andere wereld, die tegelijk de onze is

Op 2 november 2011 werd tijdens een symposium van CNV Onderwijs te Amersfoort de website 'Vensters op katholiek geloven' (www.venstersopkatholiekgeloven.nl) ten doop gehouden. Peter Nissen hield bij die gelegenheid een lezing over het belang van goed educatief materiaal over het katholieke erfgoed. Dat materiaal biedt volgens hem 'vensters op een andere wereld, die tegelijk de onze is'. 

 

Drie weken geleden legde de scriba van de Protestantse Kerk in Nederland, dominee Arjan Plaisier, na gesprekken met allerlei mensen uit verschillende geledingen van de kerk, een visienota voor over de beleidslijnen in leven en werken van de PKN in de komende vijf jaar. De nota draagt de titel De hartslag van het leven, een citaat uit gezang 426 uit het Liedboek der Kerken: ‘is de hartslag van het leven niet de liefde van de Heer’. De nota zal deze maand besproken worden door de generale synode van de PKN. Een van de punten uit de nota die in de media aandacht kregen, is Plaisiers pleidooi voor het samenstellen van een canon van het christendom. Die canon, zo blijkt uit toelichtingen die de auteur van de nota in de media gaf, zou de basisgegevens over het christendom moeten bevatten, belangrijke begrippen en belangrijke gebeurtenissen: hoe is het christendom ontstaan, wat zijn de grote lijnen van zijn geschiedenis, waar geloven christenen is, waar staan zij voor? Die canon zou ontwikkeld moeten worden in samenspraak met het basis- en het voortgezet onderwijs. Een achterliggende gedachte bij het canonvoorstel is dat de vanzelfsprekendheid van het christendom in de Nederlandse samenleving voorbij is. ‘Het einde van de vanzelfsprekendheid’, aldus dominee Plaisier, ‘brengt bij velen onzekerheid en verwarring. Vraag je kerkmensen waar de kerk voor dient, dan blijft het te vaak stil. En het wordt nog stiller op de vraag “Wat geloof je?”’. 

Het voorstel voor een canon van het christendom komt dus voort uit zorg. In de inleiding op de beleidsnota wordt die zorg aldus verwoord: ‘Op veel plaatsen kraakt het kerkelijk leven in al zijn voegen.(…) Er is twijfel over de toekomst van de eigen gemeente. Wie zit er morgen nog om de tafel om leiding te geven? Wie doet overmorgen de deur nog open? Dit alles ligt velen als een last op de schouders.’ Er heerst dus zorg, onzekerheid en verwarring. Ik vermoed dat de achtergrond voor het project Katholieke canon, dat is uitgemond in de vandaag te presenteren Vensters op katholiek geloven voor het onderwijs niet anders is dan die van het PKN-voorstel voor een canon. Dat er nu prachtig materiaal beschikbaar is om de kennis van het katholicisme in het onderwijs te vergroten, is wellicht uitdrukking van een nieuw elan, vooral dan toch – denk ik - bij de ontwikkelaars van het materiaal, onder het aanstekelijke enthousiasme van Peter Dullaert. Maar het is dan toch vooral nieuw elan dat in elk geval bij de opdrachtgevers van het project bedoeld is om de onzekerheid en de verwarring te boven te komen. 

Nederland lijdt sinds een jaar of vijf aan canonitis. Het is begonnen met de verschijning van de eerste versie van de Canon van Nederland in oktober 2006: vijftig vensters met de belangrijkste personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis. Dit product van een commissie onder voorzitterschap van neerlandicus professor Frits van Oostrom, toen president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, was ontwikkeld in opdracht van onderwijsminister Maria van der Hoeven. Het lokte veel discussie uit (ik heb daar ook ijverig aan meegedaan, omdat ik vond dat het christendom te weinig aandacht kreeg in de canon) en uiteindelijk werd een jaar later, op 3 juli 2007, in de Ridderzaal de definitieve versie gepresenteerd.

Het bleef niet bij die ene canon. In de afgelopen vier jaar heeft het canones geregend in Nederland. Er zijn lokale en regionale canones: die van Limburg, Brabant, Friesland, van Hoogeveen, Nijmegen, Leiden, Gouda, Breda, ’s-Hertogenbosch, Nijkerk en Rijswijk. En er zijn thematische canones: die van de Nederlandse muziekgeschiedenis, die van de popmuziek, die van de letteren, die van de Nederlandse film, die van de natuurwetenschappen, die van de wiskunde, die van de sport en nog apart een van het voetbal en van het schaatsen, een vrouwencanon van het blad Opzij, een canon van de kerkgeschiedenis en van de rooms-katholieke kerkmuziek in Nederland, een relicanon van het blad VolZin, een maritieme canon en zelfs een canon van de Nederlandse marketing.

Zijn al die canones nu uitdrukking van een nieuw elan in Nederland? Of toch vooral van verwarring en onzekerheid? Ik houd het op het laatste. Wij leven in tijden van grote maatschappelijke en culturele veranderingen. Ontzuiling en ontkerkelijking, de fysieke en sociale mobiliteit van mensen en goederen, de grootscheepse migratie, de verbrokkeling van het leven, de relativering van maatschappelijke verbanden als gezin en familie, de afkalving van traditionele instituties als de politieke partijen en de vakbonden: zij hebben tezamen tot gevolg dat veel vanzelfsprekendheden zijn weggevallen. Veel mensen zijn de vertrouwde kaders van hun leven stilzwijgend kwijtgeraakt. Steeds meer Nederlanders kwamen daardoor tot het besef dat er geen collectief bindend niveau meer bestond, dat er geen gezamenlijk herkende identiteit meer was. En dat kan een gevoel van anomie geven, van ontheemdheid, van niet meer weten waar je bij hoort, van een gemis aan geborgenheid. In die situatie ontstond de behoefte aan ankerpunten, aan gedeelde iconen of vensters, die ons een kijk kunnen geven op de grote vragen van het leven: wie zijn wij, wat verbindt ons met elkaar, waar komen wij vandaan, waar willen we met z’n allen naartoe?

De canonitis is dus uitdrukking niet zozeer van een nieuw elan, maar van een grote behoefte, van een honger, van een verlangen, van een gemis, het gemis namelijk aan ankerpunten in een tijd van grote veranderingen. 

Voor het kerkelijke christendom geldt eens te meer dat het een tijd van grote veranderingen is. Met de Schotse kerkhistoricus en zendingswetenschapper Andrew Walls deel ik de mening dat het christendom momenteel in de westerse wereld voor de grote uitdaging staat om te laten zien of het werkelijk een crossculturele kracht heeft. Dat moet ik even uitleggen. Andrew Walls beschrijft de geschiedenis van tweeduizend jaar christendom als die van een crossculturele ervaring: de boodschap van het christendom is telkens door verschillende culturen heen gegaan, heeft invloed van die culturen ondergaan maar heeft omgekeerd ook zelf die culturen gevoed, gevormd en beïnvloed. Maar telkens was er een dominante cultuur waarbinnen het christendom een plek kreeg en die het christendom bescherming bood. Walls reikt zelfs een periodisering van de geschiedenis van het christendom aan die afwijkt van de gangbare periodisering en die uitgaat van de dominante culturen waarbinnen het christendom verspreiding vond. Die indeling begint met een korte periode waarin het jodendom nog de dominante omringende cultuur van het christendom was, al snel afgewisseld door de Romeins-hellinistische cultuur, en zo verder. Maar nu, bij de overgang van de twintigste naar de eenentwintigste eeuw, aldus Walls, is er niet meer één dominante cultuur die het christendom omringt en beschermt. En daarmee is de christelijke boodschap komen te staan voor de misschien wel grootste test die zij ooit in de geschiedenis van de afgelopen tweeduizend jaar heeft doorgemaakt, de test namelijk of zij ook stand weet te houden zonder de bescherming van een dominante cultuur. Dan pas zal blijken dat de boodschap van het christendom echt crosscultureel is, of meer klassiek gezegd: of zij echt universeel is, namelijk of zij relevant kan blijven ook zonder maatschappelijke en culturele plausibiliteit.

De test draait – anders gezegd - om de vraag of het christendom de christenheid zal weten te overleven. Met christendom bedoel ik dan de religieuze boodschap van het christelijk geloof, met christenheid bedoel ik een samenleving die dat geloof een zekere vanzelfsprekendheid en bescherming biedt. Die christenheid is in de westerse wereld bezig te verdwijnen, althans in de meeste Europese landen, sinds kort ook in landen die tot voor kort nog vanzelfsprekend katholiek waren, zoals Ierland, Polen en Malta. Wij zijn in Nederland inmiddels die vanzelfsprekendheid voorbij. Dat was ook de titel van de Bonaventuralezing, die ik in 2008 bij gelegenheid van het negentigjarig bestaan van de Algemene Onderwijsbond/St. Bonaventura mocht houden. Ik ga nu niet herhalen wat ik toen heb gezegd, maar ik wijs er alleen op dat het verdwijnen van die vanzelfsprekendheid ook het verdwijnen met zich mee brengt van veel kennis. Jonge mensen groeien in Nederland en in de meeste Europese landen momenteel niet meer op met een bijna natuurlijke vertrouwdheid met de grote namen, begrippen, symbolen en rituelen van de christelijke traditie. Die namen, begrippen, symbolen en rituelen maken geen deel meer uit van het rugzakje waarmee jonge mensen het leven worden ingestuurd. Dat betekent dat zij veel niet meer herkennen van wat voor de generatie van hun ouders en zeker hun grootouders nog vertrouwd en min of meer vanzelfsprekend was. Dat betekent dat zij ook de religieuze achtergrond van een groot deel van de Europese kunst, literatuur, muziek en ander cultureel erfgoed niet meer automatisch zullen begrijpen. Jonge mensen lijden, buiten hun eigen schuld, aan een zeker religieus analfabetisme. 

Dat religieuze analfabetisme is deels een gevolg van het feit dat de religiositeit in Nederland, zoals in veel westerse landen, bezig is te verhuizen, en wel naar buiten de kerken. Veel mensen zijn wel geïnteresseerd in religiositeit en spiritualiteit, maar zonder daarvoor nog een beroep te doen op de expertise van de christelijke kerken. Uit het onderzoek dat het bureau Motivaction in 2003 verrichtte voor een in 2006 verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid blijkt dat tegenover het kwart Nederlanders dat zichzelf nog als kerkelijk beschouwt, een groter kwart staat (26%) dat zichzelf wel als religieus of spiritueel ingesteld beschouwt, maar dat geen band heeft met een kerkgenootschap. Deze groep, die sinds dat rapport te boek staat als die van de ‘ongebonden spirituelen’, of sinds het laatste boek van Joep de Hart als ‘zwevende gelovigen’, laat zich niet meer primair voeden door de traditie van het kerkelijke christendom. Zij zoekt God of het mysterie - of welk woord zij ook gebruikt – vooral buiten de kerk. Dat betekent dat het verhaal van tweeduizend jaar christendom, de religieuze expertise dus die in de verhalen, symbolen en rituelen van de kerk ligt opgeslagen, zomaar ongemerkt aan hen voorbij kan gaan. Dat is, zou ik zeggen, religieuze kapitaalvernietiging.  

Maar er is nog een tweede verschijnsel dat tot gevolg heeft dat de basiskennis omtrent het christendom, de kennis dus van de grote verhalen en feesten, van de Bijbel en de geschiedenis, van grote figuren en levensmodellen uit het christendom – de kennis dus die in het boek Mijn school is katholiek! door Martha Hoffenkamp op een aantrekkelijke en toegankelijke manier wordt gepresenteerd – op de achtergrond raakt. En dat verschijnsel is de eenzijdige nadruk op het gevoel in de religiositeit. Het is een verschijnsel dat zich zowel binnen als buiten de christelijke kerken voordoet. Ik ga er komende zaterdag tijdens de jaarlijkse VolZin-lezing meer over zeggen (die kunt u over anderhalve week in het blad VolZin nalezen), maar ik wil er nu toch ook al iets over kwijt.Religie is in onze tijd gevoel, emotie, beleving geworden. Vooral onder jongeren is die tendens sterk aanwezig. Zij voelen zich eerder aangetrokken tot Pinksterkerken in de protestantse wereld of tot charismatische bewegingen in de katholieke wereld dan tot de klassieke kerken, dus tot ‘gewone’ parochies of gemeenten, en wel omdat precies daar, bij Pinksterkerken en nieuwe bewegingen, een sterk appel wordt gedaan op het gevoel en de beleving. Daar valt iets mee te maken. Je hoeft er niet steeds na te denken, je mag je rationaliteit opzij zetten, er is plaats voor het irrationele, voor het wonder: voor genezing en bekering, voor tongentaal en voor extase, voor roeping en overgave. Het inspelen op de hang naar beleving en de nadruk op het gevoel delen de Pinkstergemeenten en charismatische groepen met veel uitingen van alternatieve en ongebonden religiositeit en spiritualiteit, waarvoor in Nederland een ongekende markt aan spiritueel aanbod bestaat, het een nog duurder dan het andere, want elke goeroe heeft zijn giro.

Die hang naar beleving raakt niet alleen de religiositeit. Hij zit in onze hele cultuur, zoals de socioloog Dick Houtman laat zien in een recent nummer van het tijdschrift Speling, dat helemaal gewijd is aan de hang naar beleving in de spiritualiteit. Economie, media, politiek, gezondheidszorg en ook de werelden van religie en spiritualiteit spelen in op de behoefte aan beleving, emotie en gevoel, zelfs het KNMI, dat op zijn website naast de ‘echte’ temperatuur ook al tabellen geeft voor de gevoelstemperatuur. Wij vliegen van de ene belevenis naar de andere, van de ene kick naar de andere. Wij willen alles intens beleven. De reclame en de massamedia spelen daar gewiekst op in. Je drinkt geen glaasje bier meer, maar je doet de Heineken Experience op. Een vakantie is een ‘ervaring’, zelfs het dagelijkse kopje koffie wordt een ‘belevenis’, mits u natuurlijk het juiste merk kiest. Toerisme en vrijetijdsindustrie spelen er op in met pretparken die de ene belevenis na de andere bieden. En de festivals en evenementen bloeien; je moet iets hebben meegemaakt. Onze cultuur is emotiecultuur geworden. Denk aan het aanbod van de televisiezenders, zowel de publieke als de commerciële, van ‘Big Brother’ tot ‘Boer zoekt vrouw’ en van ‘Memories’ tot ‘Het Familiediner’. Het ‘durf te denken’, ooit de leuze van de Verlichting, heeft, aldus Bas Heijne in zijn recente essay over het populisme - Moeten wij van elkaar houden (2011) -, plaatsgemaakt voor het ‘durf te voelen’.

In de wereld van religiositeit en spiritualiteit is het niet veel anders. Het draait om het gevoel, om de emotie, om de belevenis. De aankondigingen van spirituele cursussen en weken beloven je een intense ervaring: persoonlijk, nieuw en buitengewoon. De journaliste Elma Drayer beschreef zo’n cursus als volgt: ‘Drie dagen lang een stoomcursus levensgeluk, vol psychobabbel, tranen en ‘doorbraken’. Intimiteiten delen met honderd, soms tweehonderd anderen, en dat helemaal niet gênant vinden. Alleen met toestemming naar de wc mogen, en de hele dag uitsluitend water drinken. En na het weekend denken dat je definitief veranderd bent.’ Het is natuurlijk een karikatuur, maar misschien herkent de een of ander er toch iets van.

Ook religie wordt steeds meer beleefd in evenementen: zorg dat je erbij bent. Godsdienstwetenschappers spreken over de festivalisering van religie. EO-Jongerendagen, Wereldjongerendagen, opwekkingsbijeenkomsten, healings, godinnenfestivals, New Wine-conferenties, The Passion (ik bedoel dan het ‘megagrote, indrukwekkende evenement middenin de lichtstad Gouda’, dat op Witte Donderdag van dit jaar plaatsvond), zelfs Taizé en Santiago de Compostela zijn voorbeelden geworden van de festivalisering van de religie. Voor de laatste twee Wereldjongerendagen met de paus werd geworven onder het motto ‘THE Experience’. Naast de gedeelde emoties van de festivals zijn er de individuele religieuze belevenissen. Bijna vijf jaar lang stond op vrijdag in het dagblad Trouw een interviewrubriek met de titel ‘Religieuze belevenissen’. Van alles passeerde de revue, van uittredingen tot visioenen, van bijna-doodervaringen tot bekeringen, van tekens en boodschappen tot intense eenheidservaringen, en dat zowel bij kerkleden als bij ongebonden spirituelen. Maar het was allemaal heel persoonlijk, heel subjectief, heel intens en heel gevoelsmatig. De sentimentalisering van de religieuze beleving noemt de Vlaamse godsdienstfilosoof Walter van Herck dat. 

Nu zal ik de laatste zijn om het belang van het gevoel en van de beleving in de religiositeit te ontkennen. Integendeel, religiositeit en spiritualiteit worden geboren, zo vermoed ik, uit een ervaring van persoonlijke geraaktheid door iets dat ons overstijgt, een ervaring van verwondering en betovering. Die geraaktheid is de bron van elke religiositeit. En ik denk zeker dat zij de belangrijkste toegang is tot de religieuze wereld van jongeren. Als jongeren al op een religieus vlak bereikt kunnen worden, dan is het via het hart en de beleving, via een gevoel van geraaktheid door iets dat groter is dan hen zelf.

Maar het is wel mager wanneer het vervolgens bij dat gevoel van geraaktheid alleen blijft. Dat gevoel, die ervaring vraagt om meer. Zij vraagt erom uitgelegd en geduid te worden. Zij vraagt erom een plaats te krijgen in een groter geheel, in een bedding. En zo’n bedding is de traditie van het christendom. De verhalen en rituelen van die traditie helpen om de eigen verhalen en ervaringen van jonge mensen een plaats en een betekenis te geven. Zij helpen om het leven te duiden.

De christelijke traditie is niet de enige bedding, maar zij is wel de bedding die eeuwen lang onze cultuur en onze samenleving heeft gevoed en gevormd. Zij is volgens mij ook niet per se de enig ware – misschien dat mijn oud-studiegenoot mgr. Everard de Jong daar anders over denkt -, maar zij is wel de religieuze traditie die ons gemaakt heeft tot wie wij zijn. Want ook al verlaten veel Europeanen momenteel stilzwijgend de kerk, niet door zich uit te laten schrijven maar gewoon door er op zondag niet meer te komen, toch blijven zij in cultureel opzicht in zekere zin christenen. Zij zijn in de woorden van de socioloog Herman Vuijsje cultuurchristenen. Dat woord wordt vaak in een pejoratieve zin gebruikt, vooral door kerkelijke mensen, en dan bedoelen ze er lauwe christenen mee, mensen die wel in naam christen zijn maar er niet veel aan doen. Ik bedoel hier, samen met Herman Vuijsje, eerder het tegendeel: mensen die zichzelf juist geen christen meer noemen, maar die in hun gedrag toch sterk gevormd zijn door de eeuwenlange culturele dominantie van christelijke waarden als gerechtigheid, solidariteit, verantwoordelijkheid, deugdzaamheid, duurzaamheid en barmhartigheid. Dat er over de zelfverrijking in de banken- en zakenwereld momenteel in de westerse wereld zo’n grote morele verontwaardiging bestaat, is volgens mij een vrucht van eeuwen christendom. De Occupybeweging, die zich tot woordvoerder van deze verontwaardiging heeft gemaakt en die aan beurshandelaren aandelen ‘geluk’ en ‘goed weer’ uitdeelt, is een voorbeeld van dit cultuurchristendom. 

Welnu, waarom dan niet opnieuw de voorraadschuur van het christendom openen, die voorraadschuur van verhalen en ervaringen, van modellen en wijsheden over ‘goed leven’? En die voorraadschuur wordt niet ontsloten door gevoelens en emoties, maar door kennis en informatie. Daarom is het belangrijk dat er toegankelijke ingangen zijn tot die kennis en informatie. De drie trappen van het project Vensters op katholiek geloven zijn zo’n ingangen. Daarom is het goed dat dit project er is. Het kan ons helpen het grote vergeten tegen te gaan.

Met die uitdrukking, het grote vergeten, refereer ik aan de Van der Leeuwlezing, afgelopen vrijdag in Groningen uitgesproken door de wetenschapsjournalist Joshua Foer, en aan het coreferaat daarbij van de fysicus Robbert Dijkgraaf, de huidige president van de KNAW. Joshua Foer besprak het chronisch geheugenverlies dat inherent lijkt te zijn aan de enorme kennisexplosie die onze cultuur meemaakt: er valt steeds meer te weten, maar we onthouden steeds minder. ‘We beleven een epidemie van geheugenverlies’, aldus Foer. ‘We worden overstroomd met informatie en zijn een soort zeef geworden die alleen opvangt wat ons aanspreekt’. Hij bespreekt het verschijnsel dat kennisoverdracht in het onderwijs een tijd lang taboe leek te zijn; onderwijs moest creativiteit en zelfstandig denken bevorderen. Maar, zo zegt hij: ‘Als het een doel van het onderwijs is nieuwsgierige, goed geïnformeerde mensen te kweken, dan moeten we de leerlingen wel de meest elementaire wegwijzers bieden.’ Robbert Dijkgraaf sloot daarop aan door te stellen dat ‘zonder feitenkennis er geen creativiteit en innovatie kan bestaan’. Daarom moeten we goed nadenken welke feiten we echt belangrijk vinden. Dijkgraaf pleit, aansluitend bij wat hij het ‘typisch Hollands gezelschapspel’ van de canon noemt, voor het samenstellen van een canon die bestaat uit een beperkt aantal kernbegrippen die op hun beurt veel facetten hebben. Die vele facetten beschermen de canon voor simplificatie van de werkelijkheid. Daarmee kan misschien ook de vrees worden weggenomen die de theoloog Erik Borgman twee weken geleden in het dagblad Trouw uitsprak naar aanleiding van het PKN-pleidooi voor een canon van het christendom, namelijk dat die alleen hapklare brokken levert, en dat het allemaal te zeer wordt vastgelegd. Een goede canon draagt kennis over, maar leert de leerling ook vragen te stellen bij die kennis.

Kennisoverdracht is niet langer taboe in het onderwijs. De recente ontwikkeling in het geschiedenisonderwijs maakt het duidelijk: er mag weer gestructureerd kennis worden overdragen, geordend in tien tijdvakken (de commissie Piet de Rooy) en toegankelijk gemaakt via vensters (de commissie Frits van Oostrom). Maar belangrijk is dan wel dat juist degenen die in het onderwijs werken over het goede materiaal beschikken. ‘De gereedschapskist van de docent dient zo goed mogelijk gevuld te zijn’, aldus Robbert Dijkgraaf.

Dat vullen van de gereedschapskist dient als het om de christelijke geloofstraditie gaat, juist ook, zoals Jan van Oers, de eindredacteur van de Vensters op katholiek geloven, in het septembernummer van het blad Schoolbestuur zegt, om te zorgen dat de leraren en docenten zelf minder sprakeloos zullen zijn. Er is in de katholieke wereld behoefte aan goed materiaal; het project dat vandaag gepresenteerd wordt, is daar een vrucht van. Er is ook in de protestantse wereld behoefte aan; zie het pleidooi van dominee Plaisier waarmee ik begon. Ik vond het mooi om in het juist geciteerde artikel van Jan van Oers in Schoolbestuur te lezen dat het venster over liturgie in wat ik maar even de katholieke canon noem ‘met veel empathie geschreven is door een gelovige protestant’. Waarom worden niet beide initiatieven bij elkaar gebracht? Laten we de gereedschapskist van de docent niet vullen met confessioneel gescheiden werktuigen. Anders gezegd: laten we didactisch materiaal over de christelijke traditie nu toch niet langer ontwikkelen in de gescheiden confessionele hokjes uit de tijd van de verzuiling, maar laten we het samen doen; dus betrek ook de PKN erbij, en eventueel andere kerkgenootschappen of confessionele onderwijsorganisaties. Want terwijl de oecumenische beweging op allerlei fronten momenteel lijkt te stagneren, is dit nu toch juist iets wat katholieken en protestanten voortreffelijk samen kunnen doen: het gemeenschappelijke in de christelijke traditie van tweeduizend jaar beklemtonen en tegelijk de veelkleurigheid van de diversiteit laten zien. 

Het is belangrijk, om daarmee af te sluiten, dat er goed educatief materiaal over de voorraadschuur van de christelijke traditie beschikbaar komt voor scholen. Ongeveer zestig procent van de Nederlandse kinderen bezoekt immers het bijzonder onderwijs, dus katholiek, protestant of islamitisch, en slechts veertig procent het openbaar onderwijs. Het bijzonder onderwijs is dus een belangrijke plek waar kinderen in aanraking kunnen komen met de rijkdom van de christelijke traditie, ik denk zelfs dé belangrijkste. Van de kinderen die het bijzonder onderwijs bezoeken, bezocht hooguit tien procent nog op zondag de kerk. Daar zullen ze dus niet veel opsteken. En ook kan niet meer verwacht worden dat kinderen in het gezin heel veel meekrijgen over de christelijke traditie. Niet dat ouders het niet meer belangrijk vinden, maar ze lijden zelf aan een zekere sprakeloosheid wanneer het over geloven gaat. Daarom kiezen veel ouders juist voor het bijzonder onderwijs, omdat ze het namelijk wel belangrijk vinden dat hun kinderen iets meekrijgen vanuit die traditie. De theologe Kitty Bouwman, werkzaam bij een levensbeschouwelijke schoolbegeleidingsdienst, schreef daarover onlangs het volgende (in het oktobernummer van het Haarlemse bisdomblad Samen Kerk): ‘Laatst vroeg ik aan een directeur wat ouders ertoe bewoog te kiezen voor een katholieke basisschool voor hun kind. Deze directeur vertelde over ouders die zelf niet praktiserend katholiek zijn, maar het wel belangrijk vinden dat kinderen in contact komen met de katholieke (christelijke) traditie: de verhalen uit de Bijbel, de symbolen en de rituelen. (…)  De verhalen uit de Bijbel en de traditie hebben onze samenleving en cultuur gevormd. Deze verhalen kunnen voor 'kinderen van nu' richtingaanwijzers zijn die hen tot goede mensen maken’, aldus Kitty Bouwman.

De rijkdom van de christelijke traditie ontsluiten, dat is dus bij uitstek een taak voor het bijzonder onderwijs. Er worden daar voor kinderen vensters geopend op een andere wereld, een wereld die de meesten van hen vreemd is geworden, maar die tegelijk toch onze eigen wereld is.