Wat we doen, doet ertoe

Studentenkerk Nijmegen, 13 december 2009, derde zondag van de advent 

 

‘Wij zijn niet slechts gevangenen van het lot. Wat we doen, doet ertoe. We kunnen de geschiedenis buigen in de richting van rechtvaardigheid.’ Deze woorden klonken drie dagen geleden uit de mond van president Barack Obama in Oslo, toen hij daar de Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst nam, een onderscheiding waarvan hij trouwens zelf meteen toegaf dat hij hem te vroeg kreeg, omdat hij nog maar aan het begin van zijn loopbaan op het wereldtoneel staat. ‘Wat we doen, doet ertoe.’

 Niet zo heel ver van Oslo, in een andere Scandinavische hoofdstad, Kopenhagen, waren de afgelopen week en zijn ook nog de komende week wereldleiders bij elkaar, meestal vertegenwoordigd door hun milieuministers, om afspraken te maken over de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer en over het stoppen van de ontbossing. Zo willen zij de leefbaarheid op onze planeet veilig stellen voor toekomstige generaties. Zij doen dat in het besef dat wij de aarde en alles wat daar in, op of omheen zit – grondstoffen, natuur en atmosfeer – niet erven van onze grootouders, maar dat wij dat in leen hebben van onze kleinkinderen. Om te zorgen dat ook voor hen de aarde een leefbare planeet, een plek van herbergzaamheid zal zijn, zijn nu grote stappen nodig, stappen van verandering. En om die te kunnen zetten, hebben wij mensen nodig die hun stem verheffen en ons moed inspreken: het kan, het is nodig en het heeft zin. ‘Wat we doen, doet ertoe.’ 

Zo iemand is ook de profeet Ezechiël geweest, bijna zes eeuwen voor het begin van onze jaartelling. Hij was in 597 voor Christus, samen met de bovenlaag van de bevolking van Judea, door koning Nebukadnessar uit Jeruzalem en omgeving in ballingschap weggevoerd naar Babylon. Dat was de strategie van Nebukadnessar: de leiders, de aanzienlijken en welgestelden scheiden van de rest van het volk. Die rest van het volk, de onaanzienlijken en armen, waren dan gemakkelijk onder de duim te houden in hun eigen gebied. Ze waren immers beroofd van hun eigen leiders. Het volk werd uit elkaar gerukt, het werd ruimtelijk verscheurd en verstrooid. Het grootste deel bleef achter in het eigen gebied, een kleiner deel werd afgezonderd, naar vreemd gebied gebracht.

Tot dat kleinere deel hoorden de leiders, die terechtkwamen in een gebied waar ze weinig te zeggen hadden en ook weinig voorstelden. Maar juist toen hadden zij hun leiderschap moeten tonen, door op te komen voor hun verbannen en ontheemde mensen, door het volk bij elkaar te houden en moed in te spreken, door zich in te zetten voor een toekomst met perspectief. Maar wat deden ze? Ze waren als herders die niet hun schapen weiden, maar alleen zichzelf. Zij keken niet om naar hun mensen die als schapen weggeroofd en verstrooid werden, ze keken alleen naar hun eigen belang. Zij waren geen leiders die in dienst stonden van de gemeenschap, zij dienden alleen zichzelf.

En wat deden de mensen in die situatie? Ook zij verloren het besef van verantwoordelijkheid voor elkaar, van solidariteit. Zij werden als de vette schapen die de magere schapen opzij duwen. Die zorgen het eerste bij de drinkbak te zijn, zodat ze het heldere water kunnen drinken. Voor de zwakkere schapen blijft het water over dat troebel is geworden van de poten van de vette schapen. Die vette schapen zorgen het eerste op de beste weide te zijn om zo het groenste gras te kunnen eten. Wat dan door hun dikke poten is vertrapt, blijft over voor de zwakkere schapen. En er is niemand die omziet naar de zwakkere schapen: de vette schapen niet, want die zoeken alleen hun eigen belang, en ook de herder niet, want die is ook met zijn eigen zaken bezig. 

Het beeld dat Ezechiël beschrijft, is een kritiek op de situatie van het uit elkaar gerukte en ontheemde volk in de ballingschap. Maar het is tegelijk een beeld van alle tijden, herkenbaar voor elke generatie. De sterkeren die de zwakkeren opzij duwen: is dat niet het beginsel van de vrije markteconomie? Is dat niet het publieke geheim van onze prestatiemaatschappij? Zien wie niet voortdurend om ons heen dat de vette schapen de zwakkere schapen opzij duwen, ze met flank en schouder wegdringen? Hoe herkenbaar is dat niet in elke instelling waar gepresteerd moet worden: een bedrijf, een sportvereniging, een school? Zelfs aan onze dierbare universiteit zien we opgewonden haantjes die ervoor zorgen het eerst bij de voederbak te zijn en die niet schromen om de andere kippen opzij te duwen. Bijna overal in onze samenleving heerst een machocultuur, en als ze stijgen in de hiërarchie van de dierenwereld doen de hennen er even graag aan mee als de haantjes.

En wat doen de leiders? Hebben zij als een goede herder oog voor het zwakke schaap, voor het verdwaalde schaap? Zorgen zij dat alle schapen te eten en te drinken krijgen en niet alleen de sterke rammen die vooraan staan? Zorgen zij dat iedereen zijn deel krijgt van het beste gras en het heldere water? Of kijken zij opzij? Laten zij het recht van de sterkste zijn werk doen en behartigen zij intussen hun eigen belangen? Als je Ezechiël hoort spreken over herders die alleen zichzelf weiden, ontkom je er niet aan te denken aan de cultuur van zelfverrijking, van vette bonussen, van graaien en paaien. 

Maar Ezechiël laat het niet bij kritiek alleen. Hij is niet een profeet die, als een goedkope politicus, alleen maar aanklaagt wat er allemaal niet deugt. Nee, hij doet meer. Hij houdt zijn mensen - zijn medeballingen - een visioen voor ogen van hoe het anders kan en hoe het anders zal zijn. Hij reikt een perspectief aan. Hij spreekt de mensen van zijn tijd moed in. En hij doet dat namens de Eeuwige. Ezechiël verheft zijn stem in dienst van het algemeen belang, en wat hij zegt, komt niet van hemzelf. Het is hem ook maar geschonken, het is hem ingegeven, het is hem aangereikt.

En wat hem is aangereikt, is een visioen van een wereld van gerechtigheid. Een wereld als een grazige weide, met voedsel en drinken voor iedereen. Een wereld waarin de schapen niet verstrooid en weggeroofd worden door wilde dieren, een wereld waarin de vette schapen de zwakkere schapen niet opzij duwen, een wereld waarin er veiligheid zal zijn voor iedereen en niemand meer van honger hoeft om te komen. Een wereld waarin de Eeuwige zelf een herder zal aanstellen die echt oog heeft voor de belangen van alle schapen. En de Eeuwige zal het initiatief nemen. Waarom Hij, zo vroegen we ons af tijdens het preekgesprek afgelopen week. Niet om ons vervolgens aan te sporen tot berusting: stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de Eeuwige zorgt wel dat alles goed komt. Maar wél omdat er iemand moet opkomen voor degenen die niet bij machte zijn voor zichzelf op te komen.  

Met dat beeld, met dat visioen sprak Ezechiël de mensen van zijn tijd moed in. Ezechiël zorgde, sprekend namens de Eeuwige, voor empowerment. Hij gaf taal en beelden aan de mensen van zijn tijd, taal en beelden voor moeilijke tijden. En het was krachtige taal. Ezechiël moet een verbale geweldenaar geweest zijn, zo ongeveer als Michelangelo hem in de Sixtijnse kapel heeft afgebeeld. We zien het op de liturgietekst van vandaag. Jesaja lijkt daar vooral een gesofisticeerde estheet – een beetje Antoine Bodar in jonge jaren – en Jeremia een beroepspiekeraar tijdens zijn winterdepressie. Maar Ezechiël is er de gedreven geweldenaar, die zijn visioen met een krachtig handgebaar en met vurige ogen de wereld in slingert. Hij zorgde voor – ik zeg het nog maar eens – empowerment: hij sprak zijn mensen kracht in, met een visioen dat de wereld anders kan zijn. En dat visioen is tegelijk een oproep te handelen. ‘Wat we doen, doet ertoe.’ 

Het visioen van Ezechiël is er een van grote woorden. De bijbel is er vol van. Zal ik u eens iets schokkends zeggen? Het is misschien helemaal niet waar, dat visioen. Die wereld die Ezechiël beschrijft, komt er misschien wel nooit. De hemel, het paradijs, het koninkrijk van God: ze zijn misschien allemaal niet echt, ze bestaan niet, ze hebben niet bestaan en ze zullen niet bestaan. Maar als we door die visioenen van gerechtigheid, door die beelden van een hemelse wereld, door de aankondiging van het koninkrijk van God aangemoedigd worden om te werken aan een wereld die er althans een beetje op lijkt, dan hebben ze hun werk gedaan. Dan hebben ze ons kracht en moed gegeven, empowerment. Dan hebben ze ervoor gezorgd dat het vuur ons niet ontnomen is, ja dat we met ‘vuur van hartstocht’ kunnen leven, zoals we zojuist gezongen hebben. Dan heeft het visioen van Ezechiël zijn werk gedaan. Dan kunnen we weer vooruit, vooruit om vrede te ontketenen op aarde. Want ‘wat we doen, doet ertoe.’ Moge het zo zijn.