Waar God gebeurt
Overweging tijdens de oecumenische viering Doopsgezinde-Remonstrantse gemeente Nijmegen, 22 februari 2009
Bij Jesaja 43,18-25, Marcus 2,1-1

‘Zoiets hebben we nog nooit gezien.’ Het zou de spreuk van een prins carnaval kunnen zijn. Maar dat is het niet. Het zijn de laatste woorden van de evangelielezing van vandaag, en die blijven als het ware nagalmen in onze oren, in elk geval in die van mij. Ze verwoorden voor mijn gevoel wat het hart van het christelijk geloof, ja wat het hart van geloven zonder meer is: ‘zoiets hebben we nog nooit gezien’. Geloven gaat niet over wat we allemaal al weten en kennen en bezitten, geloven gaat niet over zekerheden en wetmatigheden. Nee, geloven gaat over wat we nog nooit hebben gezien.

Geloven gaat dus over iets nieuws, over iets dat nog maar net begint. De lezing van vandaag komt bijna uit het begin van het Marcusevangelie. De Nijmeegse bijbelwetenschapper Bas van Iersel, aan wie ik als een van mijn leermeesters dierbare herinneringen bewaar, heeft zijn hele leven op dat kleinste van de vier evangeliën gestudeerd. U kunt trouwens zelf binnenkort ook nader kennismaken met dit evangelie, want in de Effataparochie komt Ruud Roefs in maart en april vijf avonden over dit evangelie verzorgen, en daarbij zijn natuurlijk ook leden van de DoRe-gemeente van harte welkom. Bas van Iersel noemde het Marcusevangelie het verhaal van ‘een begin’, en wel om twee redenen: het vertelt over het begin van de beweging rond Jezus van Nazareth, en het staat als het oudste van de evangeliën ook zelf aan het begin van de schriftelijke overlevering over die beweging. En wij lezen nu dus uit het tweede hoofdstuk van dat verhaal over het begin, we lezen over het begin van het begin, we staan ook zelf aan het begin van het begin. Er gaat iets nieuws beginnen, iets wat we nog nooit hebben gezien. Want dat is de essentie van de Jezusbeweging: dat ze steeds opnieuw begint.

‘Zoiets hebben we nog nooit gezien’, zeggen de mensen in de evangelielezing. Het wás dan ook wonderlijk wat de mensen zagen die daar in Kafarnaüm waren samengestroomd om Jezus te zien en te horen, om Hem mee te maken. Een man die verlamd was zagen zij zo maar opeens opstaan en met zijn bed onder zijn arm weglopen. Het was een wonder, bovenwonder, wat zij zagen. Maar was die onverklaarbare en plotselinge genezing van de lamme nu echt datgene wat ze nog nooit hadden gezien? Was dát het wonder dat zich daar afspeelde? Of was het misschien Jezus die hen verwonderde? Was het Jezus die hun verbazing wekte? Maakten ze in Jezus iets mee dat ze nog nooit eerder hadden gezien? Begon er in Jezus iets nieuws?

Er gebeuren in het evangelie van vandaag inderdaad wonderlijke dingen, en er zijn ook al wonderlijke dingen aan voorafgegaan. Want in het eerste hoofdstuk van het Marcusevangelie horen we dat Jezus zich door Johannes de Doper laat dopen, zich veertig dagen terugtrekt in de woestijn, dan zijn eerste leerlingen roept – Simon en Andreas, Jakobus en Johannes -, en dan in Kafarnaüm begint te onderwijzen in de synagoge en zieken en bezetenen begint te genezen. En dat doet hij vervolgens in heel de streek van Galilea, dat meest noordelijke deel van Israël, bij het meer van Genesaret, en dan komt Hij weer terug in de stad Kafarnaüm. Zijn faam is Hem inmiddels vooruit gestroomd: een wonderdoener, een genezer, een ‘healer’.

Maar toch zit het wonderlijke hem eigenlijk niet eens zozeer in de genezing van de lamme. Voor de tijdgenoten van Jezus niet, want die waren op het vlak van wonderlijke genezingen wel het een en ander gewend. Maar ook voor ons als lezers van het Marcusevangelie niet. Want al zou het begin van Marcus die indruk wel kunnen wekken, het evangelie is géén Harry Potterboek, waarin het ene wonderlijke toverkunstje op het andere volgt. En Jezus is geen wonderdokter, geen tovenaar, geen Jomanda en ook geen goochelaar. De genezing van de lamme is eerder uitdrukking van het andere, het diepere wonder waarover de lezingen van vandaag gaan: het wonder dat mensen een nieuw begin kunnen maken, dat er verandering in mensen mogelijk is en daardoor ook in onze wereld. Wij kunnen een nieuw begin maken, als en wanneer wij maar willen. Wij kunnen een nieuw begin maken door vertrouwen te schenken aan mensen, wij kunnen een nieuw begin maken door met andere ogen naar onszelf en naar de mensen om ons heen te kijken.

Dat wonder laat Jezus zien. Want Hij ziet andere dingen dan de schriftgeleerden, die hem vandaag in de evangelielezing bekritiseren. Die schriftgeleerden zien een verlamde. Dat zal in hun ogen, volgens de religieuze conventies, volgens de wetten van de religieuze traditie, iemand zijn die gezondigd heeft en die daarom door God geslagen is. Eigen schuld, dikke bult dus. Niks aan te doen, vette pech.
Maar Jezus ziet niet een verlamde, Jezus ziet een mens. Hij kijkt door de ziekte heen, Hij kijkt door de beperkingen heen. Hij ziet het vertrouwen dat die mens in Hem stelt, en vooral ook het vertrouwen van die vier vrienden die zijn bed dragen. Zij laten zich niet afschrikken door de menigte die zich om Jezus heen verzameld heeft en die hen de weg verspert. Zij willen per se bij Jezus komen; zij hebben er iets voor over, zij zoeken nieuwe wegen. Wat doen ze? Ze maken een gat in het dak van het huis waarin Jezus zich bevindt. Dat gaat bij huizen in de streek en de tijd van Jezus iets gemakkelijker dan bij onze huizen; de daken toen en daar bestonden namelijk uit een raamwerk van palen, met daartussen gevlochten twijgen, bedekt met leem, en bovendien was er meestal een trap naar het dak aan de buitenkant van het huis. U moet het maar eens in Museum Orientalis gaan bekijken. Maar toch: het is een hele toer. De mannen hebben er iets voor over om bij Jezus te komen. Want zij geloven dat Hij kan helpen. En in dat geloof zit het echte wonder van het evangelie: in geloof dat vertrouwen is.
Jezus ziet hun geloof. Hij ziet hun overtuiging, hun vertrouwen dat verandering mogelijk is, ja dat het wonder kan gebeuren. En daarom gebeurt het ook: de lamme wordt genezen. Want Jezus ziet in die mens meer dan een lamme. Hij ziet een mens die vertrouwen heeft in Hem, en daarom schenkt Jezus op zijn beurt ook vertrouwen aan die verlamde mens. Hij spreekt hem vertrouwelijk aan met het Griekse ‘teknon’, ‘vriend’ zeggen de Willibrordvertaling en de Nieuwe Bijbelvertaling, ‘Zoon’ zegt de Statenvertaling en ‘kind’ zegt de ook hier weer meest trefzekere Naardense bijbel. Hij ziet een mens die een nieuw begin wil maken. En Jezus schenkt hem dat nieuwe begin. Hij schenkt hem verandering. ‘Vergeving van zonden’ heet dat. Dat wil zeggen: je hoeft al het oude niet meer met je mee te sjouwen, heel die last van je verleden. Je mag een nieuw begin maken.

Het religieuze establishment in de tijd van Jezus hield niet van verandering, hield niet van een nieuw begin. De helft van de evangelielezing van vandaag gaat dan ook over de botsing tussen Jezus en dat religieuze establishment, de schriftgeleerden. En eigenlijk gaan de eerste drie hoofdstukken van het Marcusevangelie daar bijna helemaal over. Wie iets nieuws wil beginnen, komt in botsing met het oude.
Dat heeft Jezus ervaren en dat hebben velen vóór en na Hem ervaren. Menno Simons (zijn portret hangt hier in de kerk) heeft het ervaren in de zestiende eeuw: er werd een prijs op zijn hoofd gezet en hij moest vluchten. De remonstranten, de volgelingen van de theoloog Arminius (ook hij hangt hier, tegenover Menno), hebben het ervaren in de zeventiende eeuw: het religieuze establishment van het calvinisme veroordeelde tijdens de Synode van Dordrecht hun vrijzinnige uitleg van het evangelie, en ook zij moesten vluchten. Maar er is in het christendom waarschijnlijk geen stroming waar de remmende werking van het religieuze establishment zo groot als in het rooms-katholicisme. Daar gaat de koers van de leiding momenteel pal tegen het nieuwe in, tegen verandering, terug naar het oude en vertrouwde, naar de zekerheid van tradities en wetten. En dan gaan velen die snakken naar evangelische vernieuwing zich ook daar de vraag stellen: moeten we maar niet vluchten uit dit slavenhuis? Kunnen we niet beter iets nieuws beginnen?

De verleiding om te schuilen in de veiligheid van het verleden kan soms groot zijn. U hoort het een historicus zeggen. Maar toch laat Jezus de verlamde niet gevangen zitten in zijn verleden. En ook de profeet Jesaja houdt het ons in de eerste lezing voor: blijf niet gevangen zitten in het verleden. ‘Blijf niet staan bij wat vroeger is gebeurd, zie, ik ga iets nieuws beginnen.’ Dat zegt Jahwe volgens Jesaja tegen het volk Israël dat in ballingschap verblijft in Babylonië. En daarmee zegt de Eeuwige het ook tegen ons. Hij bedoelt daarmee niet: vergeet het verleden maar. Nee, maar Hij zegt wel: laat je niet door dat verleden, door je eigen geschiedenis afhouden van het nieuwe. Raak niet verstrikt en gevangen in je verleden, hoe grauw en grimmig dat misschien ook is.
Voor Israël was de situatie een grimmige: het volk was ver van zijn eigen land afgevoerd, gedeporteerd door vreemde overheersers. Maar de Eeuwige zegt tegen zijn volk: ik heb jullie eerder al gered uit Egypte, zo ga ik jullie ook nu redden. Zoals Ik toen, bij de doortocht, een weg heb gebaand door de Rode Zee, zo ga ik nu voor jullie weg banen door de dorre woestijn. Kijk, het begin van een uitweg uit jullie ellende is er al. En ik ga jullie niet afrekenen op wat vroeger was, niet op je verleden, niet op je ontrouw. Jullie hebben mijn vertrouwen flink op de proef gesteld, maar ik vergeef jullie. Mijn vertrouwen is er nog steeds, voor jullie. Neem het aan.

Hoe goed kan het zijn wanneer iemand tegen je zegt: ik vertrouw je. Wat je ook hebt gedaan, wat je ook hebt gezegd, hoezeer je ook hebt geblunderd: ik heb vertrouwen in je, vertrouwen dat je ook anders kunt doen, vertrouwen dat je ook anders kunt zijn, ja dat je anders bent. Je kunt soms een enorme last met je meedragen van dingen die gebeurd zijn, dingen die je liever anders had gehad in je leven. Mensen kunnen je dat blijven nadragen. Ze vertrouwen je niet meer om iets dat je gedaan of gezegd hebt. Dat gebrek aan vertrouwen kan verlammend werken, ja het kan dodelijk zijn. Je kunt erin gevangen zitten, beklemd, zonder moed om nog nieuwe wegen in te slaan.
Maar als iemand dan tegen je zegt, zoals Jezus in de evangelielezing van vandaag tegen de lamme: ik zie dat het anders kan, ik schenk je mijn vertrouwen, we beginnen opnieuw, dán is er toekomst. Dan kan gebeuren wat eerst onmogelijk leek. Dan kan het wonder geschieden.

Waar dat wonder gebeurt, daar gebeurt God. En daar wordt de beweging van Jezus van Nazareth opnieuw geboren. Daar maakt ze een nieuw begin. En dan kunnen ook wij verwonderd uitroepen: ‘zoiets hebben we nog nooit gezien’.