Mensen zijn Gods tempel
Overweging op 15 maart 2009, Effataparochie Nijmegen
Jaar B, derde zondag van de veertigdagentijd
Bij Exodus 20,1-17; Johannes 2,13-25) (zoek op in Willibrordbijbel)

Jezus van Nazareth, zal best een lieve man geweest zijn, een aardige kerel om mee om te gaan. Maar in de evangelielezing van vandaag verschijnt hij toch wel als een driftkikker, een opgewonden standje. Jezus de vredestichter, de weerloze mensenzoon, maakt van touwen een zweep en slaat daarmee de geldwisselaars en handelaars de tempel uit, en hij gooit de tafels van de geldwisselaars om. Hij begint ook te schreeuwen, deze zachtmoedige mens. En een beetje arrogant is hij ook nog: ‘niemand hoefde hem over de mens iets te leren, hij wist zelf wel wat men aan een mens had’, zo zegt de evangelist Johannes.

De scène die vandaag in de evangelielezing beschreven wordt, is in haar heftigheid, haar gewelddadigheid een zeldzame uitzondering in het evangelie. Zij is gesitueerd helemaal aan het begin van het Johannesevangelie, kort voor Pesach, het joodse paasfeest. Het optreden van Jezus speelt zich in de voorstelling van het Johannesevangelie af rond drie joodse paasfeesten. Dit is het eerste ervan, en het derde is het paasfeest dat wij in de Goede Week gaan gedenken. Alleen de roeping van de leerlingen en de bruiloft van Kana zijn nog maar voorafgegaan aan de tempelscène van vandaag. Jezus staat nog helemaal aan het begin van zijn weg.

En bij dat begin wordt in deze turbulente scène als het ware het programma van Jezus uiteengezet. Boven dat programma zou je kunnen zetten wat op de omslag van het liturgieboekje staat en wat het motto van deze veertigdagentijd vormt: op weg naar de ontmoeting met de Eeuwige. Waar kan die ontmoeting dan plaatsvinden? De twee lezingen van vandaag geven daar samen een antwoord op in drie trappen.

Om te beginnen zou je verwachten dat je God kunt ontmoeten op plekken die aan Hem zijn toegewijd, plekken dus zoals de tempel in Jeruzalem. Dat is de eerste trap van het antwoord. Ook Jezus gaat ervan uit dat de tempel plek van godsontmoeting is: ‘het huis van mijn Vader’ noemt hij vandaag de tempel.
Maar de mensen hebben van die plek een oord van eigenbelang gemaakt. Niet de Eeuwige staat er centraal, maar hun eigen handeltje, hun eigen belangen, hun eigen bedenksels, hun eigen wedloop van handel en winst. In plaats van een plek van stilte, een plek van het geheim, een plek van leegte is de tempel in Jeruzalem een marktplaats geworden, een plek van lawaai en geschreeuw en drukdoenerij, een plek van ‘kijk mij eens’, een plek van ‘meer meer meer’.
Jezus gaat daar fel tegen tekeer. Hij wil de tempel, die plaats van godsontmoeting zou moeten zijn, zuiveren van menselijk eigenbelang. Hij wil die plaats weer terug geven aan het geheim, aan de stilte, aan de Eeuwige.

Maar hij doet nog meer. Hij zegt, in zijn soms zo ondoorgrondelijke beeldspraak, dat de tempel als plaats van godsontmoeting eigenlijk niet dat gebouw daar in Jeruzalem is, maar hijzelf. Dat is de tweede trap in het antwoord op de vraag: waar kunnen wij God ontmoeten? Jezus is de plek waar wij de Eeuwige kunnen ontmoeten, de mens in wie wij Gods nabijheid kunnen ervaren. Hij is de tempel die afgebroken moest worden en na drie dagen weer zou herrijzen. De leerlingen begrepen die woorden pas na de wondere gebeurtenis van Pasen, toen ze wisten: de Eeuwige laat Jezus niet over aan de dood, maar laat hem uit de dood weer verrijzen, zoals ook wij niet aan de afgrond van de dood zullen worden overgeleverd, maar in God zullen opstaan tot een onbegrijpelijk, eeuwig bestaan.

Maar onze zoektocht naar de plek waar we God kunnen ontmoeten, gaat vandaag nog een trap verder. Want het is niet zomaar omdat Jezus een wonderdoener is, dat mensen in hém God kunnen ontmoeten. Dat is waar het slot van de evangelielezing van vandaag op duidt. Het klinkt weer heel onvriendelijk: de mensen komen tot geloof in Jezus, maar Jezus heeft geen geloof in hen, want hij kent de mens wel. Is die Jezus zo’n cynicus? Heeft hij geen vertrouwen in mensen? Nee, dat heeft hij wel. Hij heeft vertrouwen in de mens zoals deze ten diepste bedoeld is. Maar hij heeft geen vertrouwen in mensen die alleen maar door het zien van wondertekenen tot geloof komen, mensen die afgaan op het uitwendige, op uiterlijk vertoon.

Jezus wil dieper, hij wil naar het hart van de mens. Want dat kent hij. Hij weet wel wat er in een mens omgaat. En daarmee komen we bij de derde trap, ja daarmee komen we waar we zijn moeten: we kunnen God ontmoeten in de tempel van ons innerlijk, in de tempel van ons hart. Daar is Gods wet geschreven. Daar staat Gods wet gegrift in de geboden van goed mens zijn, zoals die gegrift staan op de stenen tafelen, in de tien woorden die we in de eerste lezing van vandaag hoorden.
Die tien woorden, de tien geboden, worden wel de allereerste tempel van het joodse volk genoemd. Het zijn leefregels van een nomadenvolk, nodig om te overleven in de woestijn, nodig om mensen tot hun recht te laten komen.Ze zijn niet bedoeld om ons te plagen of te knechten, maar wel om ons op de been te houden, om ons overeind te houden. Richtingwijzers zijn het; ze wijzen ons een weg uit de barbarij, waarin de ene mens een wolf is voor de ander. Die wet van God weer in de harten van mensen brengen, dat is de boodschap van Jezus, dat is zijn zending. Daar gaat het om in heel zijn spreken en in heel zijn handelen.
Als de mens uit die barbarij omhoog kruipt, als hij in zijn hart luistert naar de wetten van vrede en gerechtigheid, dan kan hij God ontmoeten. Dan kan ieder mensenhart een tempel zijn. Dan wordt de grond waarop wij staan, waar ook ter wereld, heilige grond, omdat de Eeuwige ons dáár wil aanraken.

Het is goed dat wij zorgen dat er plekken van stilte, plekken van het geheim zijn, zoals dit kerkgebouw. En het is ook goed dat wij zorgen dat deze ruimte geschikt is om er met het geheim van God in aanraking te komen. Om te zorgen dat dit voor dit kerkgebouw nog meer kan opgaan, ook voor toekomstige generaties, wordt de ruimte hier opnieuw ingericht. U kunt daar na afloop van deze viering meer over horen.
Maar het is tegelijk goed om te beseffen dat dit gebouw niet de kerk is, niet de tempel van God. Nee, de kerk, de tempel van God, zijn mensen. En zij zijn dat vooral in het diepst van hun hart, daar waar zij, voorbij hun eigenbelangen, geraakt worden door God. Maar zij zijn het ook samen, als zij zich inzetten voor elkaar, als zij samen bouwen aan die tempel die de kerk zou moeten zijn: een mensengemeenschap waar Gods wetten van vrede en gerechtigheid heersen.
In het klein bouwen we hier aan deze mensengemeenschap, in Effata. En daarom is het passend dat precies op deze zondag dank zal worden uitgesproken – dat gebeurt na afloop van deze viering – aan het adres van vier mensen die zich in de afgelopen jaren als bestuurslid voor deze parochiegemeenschap hebben ingezet.
We zeggen dan: dank je wel, dat je hebt meegebouwd aan deze tempel van God, aan deze plek waar wij God mogen ontmoeten, soms even, in een flits, in het voorbijgaan.
Amen.