'Dan kan de hemel zich openen'
Overweging op 13 januari 2008, Effataparochie Nijmegen
Bij Jesaja 42, 1-4.6-7; Matteüs 3, 13-17) (zoek op in Willibrordbijbel)

Beste mensen, we gaan vandaag op stap. Ik heb voor het Effata-reisbureau de teletijdmachine van Professor Barabas kunnen lenen en die brengt ons terug in de tijd. Onze eerste halte is driehonderd jaar geleden. We komen aan in Middelburg. Daar was een predikant, dominee Bernard Smytegeld, die niets liever deed dan preken over de bijbeltekst uit het 42ste hoofdstuk van Jesaja, de tekst die we vandaag in de eerste lezing gehoord hebben. In het Nederlands van de Statenbijbel was dat de tekst over ‘het gekrookte riet’. ‘Het gekrookte riet en zal hij niet verbreeken, ende het rookende lemmet en zal hy niet uitblusschen, tot dat hy het oordeel zal uitbrengen tot overwinninge’, zo moet dat geklonken hebben. En vooral luid. Want van dominee Smytegelt staat opgetekend dat hij een stem had ‘als eene klok, die het kerkgebouw tot in de hoeken vervulde’. En zijn woorden ondersteunde hij met grootse en theatrale gebaren, zozeer zelfs dat hij er een hernia aan overhield.

Onder het gehoor van de dominee zat een vrouw, Maria Booter, die diep geraakt werd door de preken van Smytegelt. Zij maakte er aantekeningen van en bewerkte die na de dood van Smytegelt tot uitgewerkte preken of ‘leer-redenen’. In 1744 verschenen ze voor het eerst in druk: 145 preken over het thema van het gekrookte riet. In zwaar bevindelijke kringen in de Nederlandse Bible Belt is men ze blijven lezen, tot nu toe. U herkent de naam Smytegelt misschien uit het boek Knielen op een bed violen van Jan Siebelink: de vader koopt daar voor veel geld de prekenbundel van Smytegelt. In de drukkende sfeer die Siebelink beschrijft, de sfeer van besef van eigen zondigheid en twijfel over de uitverkiezing, moeten we het gekrookte riet zoeken.
Voor Smytegelt stond het gekrookte riet voor de zwakke en zondige mens, de beginneling in het geloof, die wankel, onwillig en onzeker is. Maar zolang die mens bereid is zijn eigen kleinheid en zondigheid in te zien, zal God, zo leerde Smytegelt, hem niet breken. Dat lijkt een bemoedigende boodschap: God laat mensen niet vallen. Maar dat doet Hij volgens Smytegelt alleen als die mensen helemaal doordrongen zijn van het besef van hun eigen zondigheid en zwakheid. De mens moet als het ware verpletterd worden door zijn eigen besef van zwakte: de vermorzeling des harten. En dat heette dan bekering. Wat een blijde boodschap moest zijn, werd zo vooral deprimerend en zelfs ziekmakend.

We stappen weer snel in de teletijdmachine en we gaan terug naar ongeveer het jaar 30 van onze jaartelling. We komen aan bij de rivier de Jordaan, die lange stroom die in een bijna rechte lijn van de berg Hermon in Syrië via Galilea naar Judea in het zuiden stroomt, om uit te monden in de Dode Zee. Ergens aan die rivier zijn we getuige van de scène die in de evangelielezing van vandaag wordt beschreven. Mel Gibson zou er een spektakelfilm van kunnen maken. Jezus meldt zich bij Johannes de Doper om door hem gedoopt te worden, maar Johannes weigert dat te doen en zegt: nee, de rollen moeten omgedraaid zijn: ik moet door u gedoopt worden. Maar dan gebeurt het toch: Jezus wordt gedoopt. En dan – u ziet de filmbeelden voor u – gaat de hemel open, er daalt een duif neer en er klinkt een stem van boven, niet die van hypotheker, maar de stem van God. Die stem zou in de film van Mel Gibson zo ongeveer klinken als die van dominee Smytegelt: als een klok die de ruimte tot in alle hoeken vult. Maar ze brengt geen deprimerende boodschap. Ze spreekt niet over kleinheid en zondigheid en over vermorzeling des harten. Nee, ze zegt lieve en blijde woorden. Ze zegt: deze mens is mij lief, ik vind vreugde in hem. Dit is een mens naar mijn hart.

Waarom liet Jezus zich eigenlijk dopen? Dopen was een teken van ommekeer, een teken van nieuw begin: bekering. Zo noemt Johannes de Doper enkele verzen eerder in het Matteüsevangelie ook zijn doopsel: een doopsel van bekering. Maar die bekering, die ommekeer van Jezus was er niet een van vermorzeling des harten. Zij kwam niet voort uit een verpletterend inzicht in de eigen zondigheid. Nee, Jezus stelde in zijn doop een teken van ommekeer, zoals Hij zelf zegt, ‘om de gerechtigheid volledig te vervullen’. De ommekeer van Jezus, zijn doop die wij vandaag vieren, is een teken waarmee hij laat zien: ik schaar mij in een beweging van gerechtigheid. Daarmee maakt Jezus als het ware zijn programma bekend. Zijn doop is een beginselverklaring: ik ga voor het visioen van gerechtigheid.

Wij stappen weer in de teletijdmachine van Professor Barabas en we gaan nog eens bijna zeshonderd jaar terug. We komen aan in Babel. Daar verblijven mensen die van al hun rechten beroofd zijn. Ze zijn gedeporteerd uit hun eigen land. En de plek die hen het meest dierbaar is, de tempel van Jeruzalem, is door de Babylonische machthebbers vernield: het meest heilige is hen ontnomen. Ze zijn niemand meer, zij zijn rechteloos en moedeloos, gekweld door heimwee.
En dan staan er onder hen vrouwen en mannen op, profeten, die gedurfde dingen zeggen over de toekomst. Zij hebben een visioen en ze zeggen dat dit visioen van God komt. Het gaat over gerechtigheid, misjpat in het Hebreeuws; het woord komt drie keer voor in de korte lezing van vandaag. Het gaat over een mens die recht zal brengen, die het recht bekend zal maken aan de volken en die het zal vestigen op de aarde. En hoe doet hij dat? Niet door te roepen en te schreeuwen, maar door daden van barmhartigheid. Hij zal een rietstengel die al geknakt is, toch niet breken. Hij zal een pitje dat nog maar nauwelijks brandt, toch niet uitblazen. Ja, hij zal licht brengen aan mensen die het niet meer zien zitten. Hij zal bevrijding brengen voor mensen die het benauwd hebben, voor degenen die in de duisternis van een gevangenis wonen. Een visioen van barmhartigheid en gerechtigheid, dat houdt die profeet in het boek Jesaja de mensen van zijn tijd voor.

En hij houdt het ook ons voor. Laten we snel weer in de teletijdmachine springen en teruggaan naar onze eigen tijd: Nijmegen, zondag 13 januari 2008. Dat visioen van barmhartigheid en gerechtigheid gaat namelijk over ons, het gaat over nu. De profeet zei gedurfde dingen, dingen die hij in z’n eentje niet waar kon maken. Want wij moeten ze waar maken, nu en hier. En ook wij hoeven het niet alleen te doen. Jezus heeft zich door zijn doop geschaard in de beweging van gerechtigheid. Hij doet ommekeer voor. En ook wij, gedoopt of niet, worden uitgedaagd om ons te scharen in die beweging van gerechtigheid, niet door op straat te gaan staan schreeuwen, ook niet door ons te wentelen in zondebesef en vermorzeling des harten, maar door kleine daden van barmhartigheid te stellen. Door het zwakke en het geknakte niet te breken, maar het te koesteren en te beschermen. Door het kleine lichtje niet te doven, maar door zelf een lichtje te zijn voor mensen om ons heen. Door licht en ruimte te brengen in het leven van mensen die in benauwenis en verduistering gevangen zitten. Dat is gerechtigheid doen. Dan wordt de beweging van gerechtigheid voortgezet, dan heeft het visioen van Jesaja toekomst, ja, dan heeft het de toekomst. Dan kan de hemel zich openen.