Leven in het licht van de Eeuwige is: op pad gaan
Overweging in de oecumenische viering met de Doopsgezinde-Remonstrantse gemeente Nijmegen op de tweede zondag van de veertigdagentijd 2008
Bij Genesis 12,1-4a en Mattheus 17,1-9) (zoek op in Willibrordbijbel)

Wij hebben, beste mensen van DoRe en Effata, met ons gezin negen jaar in Den Bosch gewoond. Dat is lang genoeg om van die stad te gaan houden, maar toch te kort om een echte Bosschenaar te worden. Daarom stonden we toch wel met enige verbazing te kijken wanneer op carnavalsdinsdag ’s avonds laat, tijdens de laatste minuten waarin Den Bosch nog Oeteldonk heet, mensen in tranen uitbarstten als op de Markt de beeltenis van Boer Knillis van zijn sokkel werd gehaald. Ook andere steden en dorpen kennen zo’n ritueel dat het einde van carnaval symboliseert: in Maastricht wordt het Mooswief, dat met carnaval boven het Vrijthof heeft gehangen, weer neergehaald en in Roermond wordt Bacchus in de Roer geworpen. En ook daar vloeien tranen. Carnaval is voorbij. Er komt een einde aan drie dagen - voor sommigen zelfs vier of vijf - van gelukzaligheid, aan een soort aanhoudend oceanisch orgasme van levensgeluk. En dan begint het echte leven weer. Terug naar de alledaagsheid. Terug naar de harde werkelijkheid. Terug naar sleur en plicht en stress.

Petrus, Jakobus en Johannes moeten zich op die hoge berg in het evangelie van vandaag ongeveer gevoeld hebben als de Bosschenaren met carnaval. Zij hebben een bijzondere ervaring, een ervaring van licht, die het bestaan draaglijk maakt. Zij zien hun leermeester Jezus met een gelaat dat straalt als de zon en in een kleed dat glanst als het licht, en zij zien hem in gesprek met Mozes en Elia. Het is een topervaring, zoals dat hoort bij een berg – dicht bij God en ver van de mensen -, een ervaring die de drie volgelingen van Jezus boven de alledaagsheid en boven zichzelf uittilt. Het is een ervaring van licht die de ondraaglijke lichtheid van het bestaan draaglijk maakt.

En het liefst willen zij dat die ervaring blijft. Het liefst willen zij die ervaring vasthouden. Daarom wil Petrus drie tenten opslaan, zoals nomaden doen als ze ergens langere tijd verblijf willen houden. Zoals de Oeteldonker graag het oceanische geluksgevoel van carnaval wil vasthouden, zo wil Petrus de lichtervaring van de Transfiguratie vasthouden. Nooit meer duisternis, nooit meer angst en onzekerheid. Voorbij de winterdepressie van de donkere dagen, voorbij de winterdepressie die voor sommigen een leven lang duurt. Wij blijven baden in het licht.

Dat verlangen van Petrus, Jakobus en Johannes om die bijzondere lichtervaring op de berg – laten we het maar gewoon een godservaring noemen – vast te houden, lijkt op de ervaring die de Emmaüsgangers hadden bij het breken van het brood: plotsklaps zagen ze wie er met hen had meegetrokken, plotsklaps gingen hun de ogen open en herkenden ze Jezus, de Levende. En ook zij zouden die ervaring het liefste willen vasthouden. Maar, zo zegt de evangelist Lucas dan, ‘meteen was Hij uit hun gezicht verdwenen’. Zij die met Jezus meetrokken zonder Hem te herkennen, zien nu wie Hij is, maar meteen wordt dit zien weer ongedaan gemaakt. Het laat zich niet vasthouden. Het is zien, soms even, meer niet. Zo min als het glanzende licht op de berg, zo min laat zich de ervaring van aanwezigheid bij het breken van het brood voor altijd vastleggen.

Daar zit een bedoeling achter, onmiskenbaar, een levensles. Deze namelijk: dat topervaringen er niet zijn om vast te houden, dat ervaringen van licht en aanwezigheid er niet zijn om in te verwijlen, niet om in te zwijmelen. Maar dat zij er zijn om mensen in beweging te zetten, om mensen door het leven heen te helpen, om mensen te laten opstaan. Dat is namelijk precies wat de twee Emmaüsgangers doen als Jezus uit hun ogen verdwenen is: ‘ze staan van tafel op en gaan terug naar Jeruzalem’. En dat is ook waartoe de drie leerlingen op de berg worden uitgedaagd: Jezus raakt hen aan en zegt: ‘Sta op, jullie hoeven niet bang te zijn’. De evangelisten gebruiken voor dit opstaan van de Emmaüsgangers en voor het opstaan van de drie leerlingen Griekse woorden die zij ook voor de opstanding van Jezus zelf met Pasen gebruiken. In het evangelie van vandaag is de uitnodiging van Jezus aan de leerlingen, ‘egérthète’, zelfs letterlijk die om wakker te worden, om te ontwaken of zelfs op te staan uit de dood. Zoals het verhaal van de Emmaüsgangers terugverwijst naar Pasen, zo verwijst het verhaal van de gedaanteverandering op de berg vooruit naar Pasen. Het zijn allebei Paasverhalen, verhalen over opstanding, verhalen over mensen die geraakt worden door het licht van God, door de aanwezigheid van God, en die door die geraaktheid in beweging worden gezet. Het zijn verhalen van nieuw leven.

En zoals de Emmaüsgangers weer terugkeren naar die verwarrende stad Jeruzalem, zo dalen Jezus en de drie leerlingen in het evangelie van vandaag weer af van de berg. Ze gaan terug naar het dal, waar het leven van alledag zich afspeelt. Zij moeten afzien van het verlangen om hun topervaring voor altijd vast te houden. Zij moeten de gelukzaligheid van dat mystieke moment durven loslaten, om, gevoed en gesterkt door dat moment, het leven weer binnen te gaan, de alledaagsheid, om daar, in de harde werkelijkheid van berg en dal, te leven vanuit het licht, te leven vanuit de aanwezigheid.

Leven in de voetsporen van Jezus vraagt om de bereidheid en de durf om los te laten wat je vertrouwd is, wat bescherming en zekerheid lijkt te bieden, maar wat je ook gevangen kan houden. Leven in de voetsporen van Jezus is op pad gaan, nieuwe wegen inslaan, het onbekende tegemoet durven gaan. Dat is ook leven in de voetsporen van Abraham. Want ook van hem hoorden we in de eerste lezing dat hij het vertrouwde achter zich moest laten en het avontuur tegemoet ging. ‘Trek weg uit je land, je stam en je familie, naar het land dat Ik je zal aanwijzen’. Leven in het licht van de Eeuwige is: op pad gaan, in beweging komen, wegtrekken uit wat vastgeroest is.

Er is de afgelopen maanden veel te doen geweest over een boek van dominee Klaas Hendrikse, Geloven in een God die niet bestaat. Hendrikse bedoelt te zeggen: we moeten over God niet spreken als over iets dat aantoonbaar en bewijsbaar bestaat, zoals een tafel of een stoel bestaat, of zoals u en ik bestaan, maar we moeten over God spreken als over iets dat gebeurt. God gebeurt tussen mensen, daar waar iets in beweging komt, daar waar iets dat vastgeroest was, weer losgeweekt wordt. Waar weer liefde in een vastgelopen relatie komt, waar weer licht in een duister bestaan komt, waar rek komt in strikte regels, waar weer leven komt in muffe instituties: daar gebeurt God. Waar mensen bereid zijn het verleden achter zich te laten en deuren naar nieuwe toekomst open gaan, daar gebeurt God. Waar vijandbeelden plaats maken voor compassie en verdraagzaamheid, waar hoop en visie het winnen van verslagenheid en traditie, daar gebeurt God. Waar jonge en oude mensen vlinders in hun buik krijgen en tranen in hun ogen, daar gebeurt God.

Want daar komt iets in beweging, daar is nieuw leven, daar is opstanding, daar kondigt Pasen zich aan. Laten we die ervaring delen met elkaar: dat we bereid zijn het oude los te laten en dat we durven te leven vanuit het visioen van licht en aanwezigheid, van nieuw leven, van toekomst, van Pasen. Aangeraakt door het licht, het licht dat ons aanstoot, het licht dat ons aanvuurt, zo zwaar en droevig als wij zijn, het licht dat ons zegt: ‘Sta op, je hoeft niet bang te zijn’.

Moge het zo zijn.