Zonde: onze wonden verzwijgen
Overweging in de viering van ommekeer en vergeving, 17 maart 2008, Effataparochie Nijmegen
(gelezen Psalm 32, in bewerking van Hans Bouma)

In de woestijn zijn we begonnen, de eerste zondag van deze veertigdagentijd. Daar was het dor en droog. Op de volgende zondagen hebben we een hele reis afgelegd. We hebben een berg beklommen, we zijn bij een put geweest, we zijn langs de vijver van Siloam gekomen, langs blinden en langs Farizeeën, we zijn uit het graf geroepen en gisteren zijn we met gejuich de koningsstad Jeruzalem binnengetrokken. We zouden veel verhalen kunnen vertellen. Want we hebben veel meegemaakt. Maar toch, nu we bijna op onze bestemming zijn, bijna Pasen gaan vieren, doortocht door de dood naar nieuwe leven, nu stokt onze tong. Het is droog in onze mond, zo droog als die woestijn waar we – met Jezus – begonnen.

Want er zijn zoveel dingen die we niet kunnen vertellen. Die we niet durven vertellen. Zelfs niet, juist niet aan onszelf. Delen van het reisverhaal dat ons leven is, blijven ongezegd. Omdat we er niet over durven spreken en niet kunnen spreken. Omdat we ze verzwijgen voor elkaar en nog het meest voor onszelf.

Niet iedereen zal die ervaring in dezelfde intensiteit kennen: geen twee mensenlevens zijn nu eenmaal ooit hetzelfde. Maar iets, een klein stukje van die ervaring, zal toch iedereen wel herkennen. Want in elk mensenleven is wel iets dat ongezegd blijft, iets dat verzwegen wordt, omdat het ons dwars zit, omdat het ons belast. Iets dat onze keel en onze mond doet verdrogen als het dichtbij komt en onze tong doet verslappen, onze lippen doet barsten, iets dat ons verstomt en ons monddood en sprakeloos maakt.

Over dat iets gaat het in psalm 32: over iets dat een mens zo dwars kan zitten dat zijn ziel ervan uitdroogt, iets dat zo op je drukt dat je er fysiek van aftakelt en je je bijna dood voelt. Iets dat je je levenskracht ontneemt. Je ziel droogt uit, vertaalt Hans Bouma. Maar de Hebreeuwse tekst van de psalm is – vind ik - nog sterker in zijn beeldspraak van verlammende droogte: ‘uitgeput lag ik neer, als een veld verschroeid in de zomer’. Het gaat om een verlammende ervaring, opgedaan in de hitte van het leven. En verlammend is ze juist omdat ze onuitgesproken blijft.

Wat is er dan zo verlammend? Dat wij onze schroeiplekken, onze brandwonden, opgedaan in de hitte van het leven, tegenover God verzwijgen? Kunnen wij iets tegenover God verzwijgen? Weet God alleen wat wij Hem willen onthullen? En hoe erg zou dat zijn als wij iets tegenover God verzwijgen? Ik geloof eerlijk gezegd niet meer in een God die als een grote boekhouder onze zonden en onze goede daden op een lijst bijhoudt. Of misschien zou hij dat tegenwoordig wel op zijn computer doen, in een Excelbestand. Hij kent onze zonden al, of misschien wil Hij ze helemaal niet kennen. De enige keer dat God zelf in psalm 32 sprekend wordt opgevoerd, is als Hij zegt: ‘ik heb het beste met je voor’. Moet je voor zo’n God bang zijn, berouw hebben, boete doen? Nee, die God wil alleen maar dat wij leven. Dat is zijn enige zorg: mens, leef!

Waar het in deze psalm 32 en überhaupt in ons leven om draait is, of we dat wat mis ging in ons leven, dat wat we met een zwaar woord ‘zonde’ noemen, of we dat niet vooral voor onszelf verzwijgen. De angst om zelf onder ogen te zien waar we vastliepen in ons leven, waar we anderen en onszelf tekort gedaan hebben, dat is wat ons ten diepste terneer drukt en ons bijna dood maakt. Dat maakt ons onvrij, dat houdt ons gevangen.

En daarom worden wij uitgenodigd onze zonden niet te verzwijgen, maar ze uit te spreken. Omdat God wil dat wij leven. En omdat het kwaad dat wij verzwijgen, de pijn die wij verhullen, ons benauwt en ons dood en gevangen houdt. Daarom worden wij uitgenodigd om te keren. Daarom worden wij uitgenodigd de zwarte plekken in ons leven onder ogen te zien, ze te benoemen. Niet opdat ze ons terneer drukken, maar juist opdat we ze met een gerust hart achter ons kunnen laten. Opdat wij weer rechtop kunnen gaan, zoals de psalm zegt. Dan kunnen we bevrijd worden uit het kwaad.

Sommigen van u hebben misschien de laatste uitzending van het televisieprogramma De Wandeling gezien. Daarin vertelde de oud-politicus Dick de Zeeuw over zijn verblijf in het concentratiekamp Dora, aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Hij moest er in de ziekenbarak bepalen welke gevangenen op transport werden gesteld, en hij wist dat dit transport de zieken naar de gaskamers zou brengen. Daar, in het concentratiekamp, heeft Dick de Zeeuw het kwaad aan het werk gezien, maar hij heeft er veertig jaar lang niet over kunnen praten. Pas toen hij in de jaren tachtig de film ‘Sophie’s Choice’ zag, heeft hij eerst een half uur lang gehuild en toen begon hij te vertellen. Er brak iets in hem los. En langzaam maar zeker kon hij het hele verhaal kwijt. En hij beleefde het als een bevrijding. Het kwaad kon benoemd worden, het kon uitgesproken worden. Er begon voor Dick de Zeeuw toen een nieuw leven.

Die huilbui van Dick de Zeeuw na die film moet zoiets geweest zijn als een Effata-ervaring. Als Jezus de doofstomme geneest door ‘effata’, dat is: ga open, tegen hem te zeggen, gebeurt er iets soortgelijks. Jezus steekt zijn vingers in de oren van de doofstomme, om als het ware de verstopping daar ongedaan te maken. En hij spuwt en raakt de tong van de doofstomme aan, als het ware om het daar weer vochtig en los te maken, zodat hij weer kan spreken. Zo bevrijdend als dit voor de doofstomme was, zo bevrijdend kan het zijn om het kwaad in ons leven onder woorden te kunnen brengen, er over te kunnen spreken, het te durven horen.

Met het kwaad dat we om ons heen zien is het als met het kwaad dat we zelf veroorzaken, daar waar we anderen en onszelf tekort doen, daar waar we tekort schieten in aandacht, in liefde, in eerlijkheid, in vertrouwen. Dat kwaad kan op ons hart drukken als zware stenen. Maar als we die stenen een naam geven, kunnen we ze van ons afwerpen. ‘Zover als het oosten van het westen vandaan is, zover van ons af werpt Hij al onze zonden’, zo zongen we zojuist. Je ziet het bijna voor je: God die onze zonden als stenen oppakt en ze zo ver mogelijk van ons vandaag gooit. ‘Zo ver als het oosten van het westen vandaan is’, verder kan niet. En wij kunnen weer rechtop gaan: de zonden drukken niet meer als stenen op onze schouders, op ons hart.

Dat is waartoe we aan het begin van deze Goede Week worden uitgenodigd: benoem de brandwonden van je leven, zodat ze kunnen helen en zodat er nieuw leven kan komen. Neem de zware stenen van het kwaad op en gooi ze ver van je weg, zodat je weer rechtop kunt gaan. En ga dan de goede weg. Ga de weg van de geboden van de Eeuwige, de geboden van het leven. En vreugde zal je deel zijn.

Waarom vreugde? Omdat wie zelf vergeving heeft ervaren, ook anderen kan vergeven. Wie zelf heeft ervaren dat de wonden van het verleden je leven niet hoeven te blijven bepalen, die kan ook begrip opbrengen voor de brandwonden in het leven van anderen. En dan kan de engel van de genezing aan het werk gaan, zoals de Duitse benedictijn Anselm Grün zo mooi heeft beschreven. ‘Het is de engel van de genezing die jouw wonden heeft veranderd in bronnen van leven en die in jou en door jou ook tegen anderen wil zeggen: zoals je bent, ben je goed. Je bent heel, gezond. Ook jouw wonden kunnen genezen.’

Moge het zo zijn.