Kerk met open ramen en deuren
Overweging in de viering van Beloken Pasen op 30 maart 2008, Effataparochie Nijmegen
(gelezen Hand. 2,42-47; Joh. 20,19-31)

Beloken Pasen vieren we vandaag. Dat betekent dat de luiken van Pasen vandaag dichtgaan. De hele afgelopen week is het Pasen geweest, zoals het in de ruimere zin van het woord elke zondag of zelfs het hele jaar door Pasen is. De Paastijd gaat nog door tot Pinksteren. Maar het eigenlijke Paasoctaaf, de acht dagen van Pasen, dat wordt vandaag afgesloten. De luiken worden gesloten.

Ook in de evangelielezing van vandaag wordt er iets gesloten: de deur gaat op slot omdat de leerlingen, die ontmoedigd bijeen gekropen zijn na de smadelijke dood van hun leermeester, bang zijn voor de mensen buiten. Ze zijn bang voor de reactie van de mensen op dat verontrustende wonder van het lege graf. En in die angst sluiten zij zich liever op, met de ramen en de deuren dicht.

In de twee lezingen van vandaag worden in zekere zin twee manieren van kerk zijn beschreven: de ene met de deur op slot, de andere met de deur wijd open. In de eerste lezing, uit het tweede hoofdstuk van het boek Handelingen van de apostelen, staat de deur wijd open. De leerlingen van Jezus sluiten zich niet af. Zij komen bijeen, eten bij elkaar en delen alles samen, maar zij gaan ook de straat op, zij gaan naar de tempeldienst en zij staan in gunst bij de mensen om hen heen, zo zegt de lezing. Dat betekent dus dat de leerlingen van Jezus niet bang zijn voor de mensen buiten hun eigen kring.

Het woordje vrees komt in die eerste lezing wel voor, net als in de tweede lezing. Maar het betekent in allebei de lezingen heel iets anders. In de evangelielezing duidt het op de angst, de bangheid van de leerlingen zelf. De leerlingen trekken zich terug uit de wereld. Ze sluiten zich af. Ze kruipen bij elkaar, met de ramen en de deuren dicht. In de eerste lezing daarentegen staat het woordje vrees voor ontzag, zoals in de oudtestamentische uitdrukking ‘vreze des Heren’. Dat is niet bang zijn voor de Eeuwige, maar verwonderd zijn, verbaasd zijn, vol ontzag over wat de Eeuwige tot stand brengt. En zo waren in die eerste lezing de mensen in Jeruzalem - want daar speelt het zich af - vol ontzag, vol verbazing, over wat zich in de eerste christengemeenschap allemaal afspeelde. Daar werd gemeenschap beleefd, broeder- en zusterlijkheid, daar werd gedeeld met elkaar, daar werd eensgezindheid ervaren, de mensen waren er blij. Ja, daar gebeurden wonderlijke dingen. En die wonderlijke dingen deden de mensen buiten die kring versteld staan. Ze konden zien wat er gebeurde in die Jezuskring, want de volgelingen van Jezus sloten zich niet af. Zij waren kerk met de ramen en de deuren wijd open.

Kerk zijn met de ramen open of met de ramen dicht? Dat is de keuze waar ook nu nog steeds christelijke gemeenschappen voor staan. Aan de vooravond van het Tweede Vaticaans Concilie, bijna een halve eeuw geleden, riep de goede paus Johannes XXIII de kerk op om de ramen en deuren wijd open te zetten, zodat de frisse wind van de moderne tijd door het muffe gebouw van die eeuwenoude kerk heen kon waaien. De kerk moest bij de dag van vandaag gebracht worden: ‘aggiornamento’, zo noemde paus Johannes het. De Bossche bisschop Bekkers sprak graag van ‘de grote schoonmaak’ van de kerk. Ook bij de grote schoonmaak hoort dat de ramen en de deuren even wijd open staan, zodat er frisse lucht binnen kan komen. Alles wordt eens goed onder handen genomen. Wat flets en bleek is geworden, krijgt een nieuw kleurtje. Wat versleten of onbruikbaar is geworden, wordt vervangen en vernieuwd.

Niet iedereen was blij met die grote schoonmaak. Mensen waren gehecht aan oude en vertrouwde spullen, die nu afgedankt dreigden te worden. En als de deuren opengezet worden, kan iedereen zo maar de straat op en ook bij de buren gaan kijken hoe ze daar leven. Misschien vinden ze het daar wel leuker. En inderdaad: niet iedereen kwam terug. Integendeel, toen de deuren eenmaal opengezet waren, verlieten veel mensen de kerk om nooit meer terug te keren. Er waren mensen in de kerk die daar hevig van schrokken, die bevreesd werden, zoals de leerlingen in het evangelie van vandaag. Laten we de ramen en de deuren maar weer gauw dicht doen, zeiden ze, laten we maar weer bij elkaar kruipen en maar gewoon kerk blijven op de oude en vertrouwde manier. Want we zijn bang voor wat er anders allemaal kan gebeuren. Als we alles bij het oude houden en de deur stevig op slot doen, dan kan de kerk voor ons een veilige schuilplaats zijn in deze verwarrende wereld. Daar, in die gesloten kerk, hebben we zekerheid, daarbuiten weten we niet wat ons te wachten staat.

Maar als we als kerk zo bij elkaar kruipen, met de deur op slot, dan kan het ook ons gebeuren dat ineens Jezus in ons midden staat. Die onrustzaaier, die het ook al nodig had gevonden om zijn graf te verlaten, die avonturier, die met Pasen een verwarrende leegte achterliet. Hij komt zomaar bij ons binnen, ook als we de deur op slot doen. En hij komt ons, bange mensen, vrede toewensen. Wees niet bang, vrede is met je. Tot drie keer toe keert dat woord ‘vrede’ in de evangelielezing van vandaag terug. Het is een soort refrein in die lezing. Maar die vrede is geen berusting, het is niet de vrede van de veilige schuilplaats. Nee, het is een vrede die een zending inhoudt: Jezus zendt de leerlingen, zoals Hijzelf gezonden was. Zij – wij dus – moeten voortzetten wat Hij begonnen was: onrust zaaien in deze wereld, zodat er echt vrede en gerechtigheid kan komen. Jezus stuurt zijn bange leerlingen de straat op.

En hij laat ze ook zien dat inzet voor vrede en gerechtigheid niet zonder risico’s is. Daarom toont Hij ze zijn handen en zijn zijde, zodat ze de wonden kunnen zien die Hij heeft opgelopen. Die maken duidelijk wat Jezus over had voor de vrede. Nogmaals: vrede kan niet zonder risico’s, vrede is een avontuur, vrede is niet de berusting van bange mensen, maar vrede gaat de straat op.

Tomas, die ook Didymus, genoemd wordt, was er bij dat eerste bezoek van Jezus aan de leerlingen niet bij. De traditie heeft van hem de ‘ongelovige Tomas’ gemaakt. Maar was hij nu werkelijk minder gelovig dan die andere leerlingen die bang bij elkaar waren gekropen, met de deur op slot? Misschien was Tomas wel juist degene die het best begrepen had dat vrede niet vanzelf komt aanwaaien, dat vrede om inzet vraagt, en dat die inzet risico’s met zich mee brengt. Want juist daarom wilde hij met zijn vingers de gaten van de spijkers in de handen van Jezus voelen, juist daarom wilde hij zijn hand in de zijdewond van Jezus kunnen leggen. Om te voelen dat vrede pijn kan kosten, dat vrede niet zonder moeite, zonder inzet, zonder avontuur tot stand komt. Hij wilde tot zich laten doordringen dat de vrede van Jezus iets vraagt. En daarom kreeg hij hetzelfde te horen als de andere leerlingen: vrede is een opdracht.

En die opdracht luidt: wees niet langer ongelovig, maar gelovig. Dat betekent: wees niet langer bang, maar durf de wereld te zien met andere ogen, met de ogen van de hoop. De hoop namelijk dat vrede mogelijk is, dat een wereld van gerechtigheid geen dwaze illusie is. Jezus draait de voor de hand liggende volgorde om. Wij zijn van nature bang en wantrouwend: wij willen eerst zien en dan geloven we pas. Jezus zegt: doe het andersom. Geloof eerst, en dan zul je de dingen anders zien. Mensen die dat kunnen, prijst Jezus gelukkig: ‘gelukkig zij die zonder gezien te hebben toch tot geloof komen’. Daarmee wil Hij zeggen: wees niet bevreesd, durf te geloven en dan kun je anders tegen het leven, tegen de wereld aankijken.

Dat betekent voor ons als kerkgemeenschap dat we niet bang bij elkaar moeten kruipen, met de ramen dicht en de deur op slot. Nee, we moeten de ramen en de deuren wijd open zetten. We moeten naar buiten toe, het avontuur aangaan. Het visioen dat wij koesteren is er namelijk niet voor ons alleen. Het is een visioen over de wereld en voor de wereld, die ene wereld, die ook de onze is. Het is een visioen dat gedragen wordt niet door het geloof dat er een andere wereld buiten deze wereld is, maar door het geloof dat deze éne wereld van ons anders kan worden. Als wij er maar in geloven. En als wij maar niet bang zijn.