'Gewoon eten - maar dan anders'
Overweging op 28 september 2008, tweede zondag in de cyclus 'Wat vieren wij?', Effataparochie Nijmegen

Inleiding op de eerste lezing
Als wij samenkomen om liturgie te vieren, beste vrienden en vriendinnen, dan verwijlen wij bij de Eeuwige, zo maakte Hans Siemerink ons in de viering van vorige week duidelijk. Wij verwijlen bij de Eeuwige, ongeacht in welk soort van liturgieviering dan ook; wij houden ons op voor Zijn aangezicht, om daar zo ongeveer alles uit te spreken wat ons bezighoudt: onze hoop en ons verlangen, onze pijn en onze angst, onze eenzaamheid en verlatenheid, onze vreugde en ons vertrouwen.

Maar wij doen dat niet alleen maar door al die gevoelens onder woorden te brengen, door ze uit te spreken of uit te zingen. Wij doen ook dingen als wij samenkomen, wij stellen tekens, wij verrichten handelingen, wij gebruiken symbolen, wij voltrekken een ritueel. En die tekens en handelingen zijn eigenlijk helemaal niet vreemd of bijzonder. Ze zijn namelijk ontleend aan ons alledaagse leven.
U en ik, wij eten elke dag. De meesten van ons zullen zelfs enkele keren per dag een maaltijd tot zich nemen, althans buiten de vastentijd. Maaltijd houden is een alledaagse praktijk, een ritueel dat elke dag terugkeert en zich meestal op ongeveer dezelfde manier afspeelt. We bereiden de maaltijd, we dekken de tafel, we eten en drinken, we kletsen nog wat na, we ruimen af en we doen de afwas. Zo gaat dat elke dag, zo gaat dat vele dagen van ons leven.
Als wij als geloofsgemeenschap samenkomen, is dat ook vaak om een maaltijd te vieren. Daarom zijn we vandaag ook maar alvast meteen begonnen met de tafel te dekken. Het brood staat klaar, er staan mooie bloemen op tafel, de kaarsen branden. Het lijkt zo gewoon, en toch weten we allemaal dat het dat niet is.
Want wij zijn hier niet bij elkaar om onze lichamelijke honger en dorst te stillen. Ik neem aan dat de meesten van u vanmorgen thuis al iets gegeten en gedronken hebben en dat u hier niet met een lege en knorrende maag zit. Nee, wij vieren in de liturgie maaltijd om een andere honger te stillen, een honger die we waarschijnlijk niet zo goed onder woorden kunnen brengen. Maar we weten dat die honger iets te maken heeft met het verlangen naar een wereld van vrede en gerechtigheid, een verlangen naar ommekeer en verandering.
Samen maaltijd houden kan verandering teweeg brengen, en dat is vooral zo wanneer we die maaltijd niet op onszelf genieten, maar wanneer we gasten hebben of zelf te gast zijn. Over zo’n maaltijd vertelt ons de eerste lezing, uit het bijbelboek van het Begin, Genesis. Het ís ook het verhaal van een nieuw begin. Abraham en Sara, al oude mensen, krijgen bezoek, en zij bereiden een maaltijd voor hun gasten. En die gastmaaltijd verandert iets in hun leven. Ja, die maaltijd wordt het begin van een nieuw leven. Laten we maar luisteren.

Inleiding op de tweede lezing
Ook in de tweede lezing gaat het over te gast zijn en over verandering. Jezus roept de tollenaar Zacheüs, een ongezien en ongeliefd mens, uit de boom, want, zegt Hij, ‘vandaag moet ik in jouw huis verblijven’. Er staat niet dat ze samen in dat huis eten, maar we mogen aannemen dat ze dat wel gedaan hebben. Want de schriftgeleerden spreken er de leerlingen van Jezus op aan: ‘jullie meester eet met tollenaars en zondaars’ (Mc. 2,16; Lc. 5,30). Dat hoort niet. En toch doet Jezus het. Hij maakt zichzelf tot gast en gastheer tegelijk. Hij nodigt zichzelf uit bij Zacheüs, maar laat Zacheüs tegelijk merken dat hij ook welkom is bij Jezus. En die gastvrijheid maakt van Zacheüs een ander mens. Ook bij hem begint een nieuw leven, zoals bij Abraham en Sara. Laten we maar weer luisteren.

Overweging

We hebben twee verhalen gehoord waarin het ‘bij iemand op bezoek zijn’ en het ‘samen maaltijd houden’ centraal staan. In de eerste lezing horen we zelfs tamelijk gedetailleerd hoe de maaltijd wordt voorbereid: Sara bakt koeken, Abraham zoekt een kalf uit en laat dat toebereiden en hij brengt zelf wrongel – een soort kwark - en melk. De drie gasten kunnen heerlijk eten. Abraham staat erbij en kijkt ernaar, en Sara is in de tent bezig. En dan vragen de drie naar Sara: ‘waar is zij, uw vrouw’. En dan gebeurt er iets wonderlijks in het verhaal. Als Abraham de drie wijst waar Sara is, dan antwoordden ze niet meer met z’n drieën, maar dan spreken ze met één mond. De drie blijken één te zijn, zij zijn boden van de Ene, de Eeuwige, en het is de Eeuwige die spreekt: Sara zal volgend jaar een zoon hebben. Nieuw leven wordt aangezegd.

Sara moet erom lachen, en dat lachen is belangrijk hier, in dit verhaal. Het wordt wel tot drie keer toe herhaald. De Eeuwige vraagt: waarom lacht Sara? En dan wordt Sara bang: ‘ik heb niet gelachen’. ‘Jawel’, zegt de Eeuwige, ‘je hebt gelachen’. Eerst lacht Sara uit ongeloof: ‘zal ik, op mijn oude dag, nog liefde genieten?’. Maar het is alsof de Eeuwige vervolgens wil zeggen: ja, Sara, lach maar, lach maar van geluk, want jij zúlt nog liefde genieten. Er is altijd een nieuw begin mogelijk in een mensenleven, er is altijd nieuwe liefde mogelijk.
De gastvrijheid en de maaltijd hebben iets nieuws gebracht in het leven van Sara en Abraham. Zo vergaat het ook Zacheüs, de belastingambtenaar, weinig geliefd en ongezien. Maar Jezus ziet hem en wíl hem ook zien: Zacheüs, je zult niet langer ongezien zijn, want Ik kom bij jou op bezoek. ‘Hij neemt zijn intrek bij een zondaar’, zeggen de mensen, maar Jezus trekt zich daar niets van aan. Hij wil bij Zacheüs zijn, Hij schenkt Zacheüs bevestiging. Jij mag er zijn, want ook jij bent een kind, een zoon van Abraham. Ook een laatgeborene, zoals die zoon uit de eerste lezing. Maar zij horen er allebei bij. En voor Zacheüs betekent die aanvaarding, die bevestiging, dat er ook in zíjn leven iets kan veranderen: hij deelt voortaan zijn bezit met de armen.

In het leven van Abraham en Sara en in dat van Zacheüs gebeuren wonderlijke dingen. Er verandert iets, er begint iets nieuws, ja, zij worden nieuwe mensen. En dat gebeurt aan de hand van iets heel eenvoudigs: iemand komt op bezoek, iemand is te gast en er wordt gegeten. Ogenschijnlijk alledaagse dingen, en toch zo heel bijzonder.
Zo is het ook wanneer wij liturgie vieren. Daar is niet veel meer voor nodig dan wat alledaagse dingen: een tafel, een brood, een boek, een kaars. We doen net alsof het heel gewoon is. We spelen dat we maaltijd houden. Maar we weten tegelijk dat we hier niet samen zijn om ons dagelijks voedsel tot ons te nemen, om onze fysieke honger en dorst te stillen. Het brood dat we eten is tot een symbolisch minimum teruggebracht: een klein stukje maar, met nog niet eens beleg. En soms nog een miniem slokje wijn erbij. Het mag geen naam hebben.

En toch zegt het veel. Elementen uit het dagelijkse leven zijn in het ritueel tot symbolen geworden, tot tekens die naar iets anders, iets groters verwijzen. En wij herkennen die symbolen omdat ze deel uitmaken van dit ritueel. Want een ritueel werkt uit de kracht van de herhaling: doordat wij vaker samenkomen, herkennen wij de patronen van ons vieren en krijgen wij een vermoeden van wat wij doen, van datgene ook waar de symbolen naar verwijzen. En rituelen werken ook omdat ze niet van ons alleen zijn; wij delen ze in een gemeenschap, die er samen betekenis aan geeft. Dan wordt een kaars een symbool van hoop, van verlangen naar licht in de duisternis. Dan wordt wierook een teken van ons verlangen om boven ons zelf uit te stijgen. En dan wordt een klein stukje brood een verwijzing naar grootse dingen: naar het voorbeeld van de mens Jezus, die in het brood zichzelf deelde met zijn leerlingen; naar een wereld van gerechtigheid, waar er brood voor iedereen zal zijn; en naar ons zelf, die in het delen van dit stukje brood de bereidheid uitspreken meer met elkaar te willen delen, de bereidheid dus om gemeenschap te zijn.
Met tekens die aan ons alledaagse leven ontleend zijn, verwijzen wij in de liturgie naar datgene wat minder alledaags is, naar het geheim van het leven, naar datgene wat ons overstijgt en wat wij niet goed in woorden kunnen uitdrukken.

En wij doen dat niet alleen om aan de Eeuwige te zeggen wat ons bezighoudt. Wij doen dat ook om ons op onze beurt door de Eeuwige te laten aanspreken. Hij heeft ook ons iets te zeggen. Wij vieren ook liturgie om ons door de Eeuwige te laten aanraken, om ons in beweging te laten zetten, om ons door Hem te laten aanspreken en prikkelen en inspireren. Want we weten dat het verwijlen bij Hem ons kan veranderen, dat we nieuwe mensen kunnen worden, dat er een nieuw leven kan beginnen, zoals bij Abraham en Sara en zoals bij Zacheüs. Een simpel teken, een simpel woord, een gebaar van gastvrijheid kan een mens veranderen. Ook dat is liturgie.