'Goddelijk en koninklijk'
Overweging op 23 november 2008, Jaar A, Hoogfeest van Christus Koning, Effataparochie Nijmegen

Koningen en koningshuizen spreken tot de verbeelding. We zagen het anderhalve week geleden weer, toen het boek van professor Cees Fasseur over de eerste twintig jaar huwelijk van koningin Juliana en prins Bernhard verscheen. De koninklijke huwelijksperikelen haalden de voorpagina’s van alle kranten en de praatprogramma’s op de televisie, en binnen enkele dagen was de eerste druk van het boek uitverkocht. Royalty fascineert.

Dat was ook al zo toen ruim driekwart eeuw geleden, in 1925, paus Pius XI, bij gelegenheid van de zestienhonderdste verjaardag van het Concilie van Nicea, de laatste zondag van het liturgische jaar uitriep tot het hoogfeest van Christus Koning van het Heelal. Bij dat feest horen afbeeldingen van een regerende, heersende Christus op een troon, met een kroon op zijn hoofd en een scepter in zijn hand. Een koningschap dat lijkt op dat van aardse koningen, maar dan in een oneindig vergrotende trap, want Hij was per slot van rekening koning van alles, van het universum, van het gehele al, het heelal.

De lezingen van vandaag laten ons echter een heel andere koning zien, een koningschap dat anders is dan wat wij gewend zijn uit de wereldgeschiedenis, anders ook dan het koningschap dat het volk Israël en de tijdgenoten van Jezus in hun eigen tijd kenden. De eerste lezing, uit de profeet Ezechiël, maakt dat andere meteen duidelijk. Ezechiël, zijn naam is een programma. Die naam betekent namelijk ‘Jahweh is mijn sterkte’. Ezechiël vertrouwt op Jahweh, op de Eeuwige, op de God van Israël, en hij houdt dat ook zijn mensen voor, die verbannen leven in Babylon, weggevoerd uit hun eigen land. Zij kennen koningen als machtige heersers, die mensen zomaar uit hun geboorteland wegvoeren, ze deporteren en ze uitbuiten. Zo waren ook zij door de koning van Babel gedeporteerd, ook Ezechiël, die een priester was van de tempel in Jeruzalem, van het huis van Adonai, zoals het in de Hebreeuwse bijbel heet, die het woord tempel nog niet kent. Maar Ezechiël weet van een andere koning: ‘Jahweh is mijn sterkte’, is immers zijn naam. En die sterkte is niet die van de wispelturige vorst die mensen laat deporteren. Nee, dat is de sterkte van de nabijheid, als van een herder die zijn schapen niet in de steek laat. Zo is het koningschap van de Eeuwige. Hij ziet om naar zijn mensen als een herder naar zijn schapen die verdwaald zijn, Hij brengt ze veilig thuis, Hij wijst ze een rustplaats, Hij gaat op zoek naar wie verdwaald of verlaten is, Hij verbindt wie gewond is en sterkt wie ziek is. Zo is het koningschap van God: niet een van macht en pracht en praal, maar een van zorgende nabijheid, niet een van geweld en strijd, maar een van zachtmoedige aandacht voor het kleine en kwetsbare.

Daarmee wordt een programma getekend, een programma voor ons, een programma voor vandaag, een programma voor een wereld zoals die door God bedoeld is. De bijbel gebruikt voor die wereld het beeld van het koninkrijk van God. Ezechiël beschrijft wat de waarden van dat koninkrijk zijn. En Jezus geeft in de evangelielezing aan dat dit koninkrijk er alleen komt als wij leven volgens die waarden. Dat koninkrijk, zo zegt Hij, ligt vanaf het begin van de schepping voor ons klaar. Het is er dus, maar het is er ook nog niet. En het komt telkens dichterbij als wij handelen volgens de waarden van het koninkrijk: als wij hongerigen te eten geven en dorstigen te drinken, als wij vreemdelingen in ons midden opnemen, als wij de naakten kleden, ze dus veiligheid, warmte en geborgenheid bieden, en het komt er als wij zieken en gevangenen niet aan hun lot overlaten – eigen schuld dikke bult – maar ze opzoeken en naar hen omzien. Want als wij dat doen aan onze minste broeders en zusters, dan doen wij het aan de Mensenzoon, dan doen wij het aan de gezondene van de Eeuwige. Want elke hongerige en elke dorstige, elke vreemdeling en elke naakte, elke zieke en elke gevangene is een gezondene van de Eeuwige. In hen zien wij het gelaat van de Onzienlijke. Als wij hen in de ogen zien, dan zien wij de Mensenzoon. En dan kunnen wij niet zeggen: Heer, wanneer hebben wij u dan gezien? De Eeuwige zelf verschijnt in het gelaat van onze minste broeder of zuster. In dat gelaat gebeurt het sacrament van de godsontmoeting.

Als wij handelen zoals Ezechiël en Jezus ons voorhouden, dan brengen wij het koninkrijk van God dichterbij, ja dan gebeurt het goddelijke in onze wereld. Dat klinkt hoog verheven, maar het is tegelijk heel gewoon en alledaags. Het goddelijke gebeurt namelijk in kleine dingen, om ons heen, hier. Het gebeurt waar mensen zich inzetten voor andere mensen. Dat gebeurt ook in onze parochie, in onze Effatagemeenschap. De laatste zondag van het liturgisch jaar is een goed moment om daar even bij stil te staan, bij het vele goede dat achter de schermen gebeurt.
Volgende week begint een nieuw liturgisch jaar, en over ruim vijf weken begint er een nieuw kalenderjaar, en dan wordt de nieuwe Effataparochie een feit. Dan worden we echt één parochie, met één bestuur. Daar hebben achter de schermen enkele mensen zich bijzonder voor ingezet. Marcel Becker zal hen straks, na de mededelingen, kort onze oprechte dank overbrengen. Die stille vrijwilligers zetten zich niet alleen zo in omdat zij een parochie zo belangrijk vinden, nee, zij doen dat omdat zij de droom koesteren van een wereld die goed is voor mensen, een wereld waarin wij niet aan elkaar voorbij leven, een wereld waarin de waarden van Gods koninkrijk beleefd worden. Laten we in Effata van die wereld blijven dromen, laten we aan die wereld blijven werken.

Zo zij het.