Opgericht om te getuigen van het visioen

Jaar B, veertiende zondag door het jaar (5 juli 2009, Effataparochie Nijmegen)
 

(gelezen: Ezechiël 2,2-5 en Marcus 6,1-6)

De afgelopen week zijn weer heel wat diploma’s van middelbare en hogere schoolopleidingen uitgereikt. Misschien behoort een van uw kinderen of kleinkinderen wel tot de gelukkigen: proficiat dan. Scholieren en studenten hebben zich weer aangemeld voor nieuwe vervolgstudies en sommigen zijn nog bezig hun keuze te maken. Misschien zijn ze de afgelopen maanden wel naar een banenmarkt of een studiemarkt geweest.

Van alles kun je worden, voor van alles kun je studeren. Maar wat je op de studiemarkt niet zult aantreffen is een beroepsopleiding voor profeten. Voor profeet kun je niet studeren. Je zult op de studiemarkt geen stand aantreffen van de Hogere Profetenschool Ezechiël of van de universitaire masteropleiding hedendaags profetisme. Je kunt er zelfs niet voor kiezen om profeet te worden: het overkomt je. Profeet word je niet door eigen keuze, maar doordat je gekozen wordt: God grijpt je bij de lurven. Dat wil zeggen: zijn woord grijpt je, zijn visioen grijpt je, zijn verlangen naar een wereld van vrede en gerechtigheid grijpt je. Het grijpt je aan, het raakt je. En dan word je deelgenoot en tolk van dat woord, van dat visioen. Je gaat het zelf verkondigen, in woord en daad. Je wordt als het ware door het woord van God opgericht om fier te gaan spreken.

Zo overkwam het Ezechiël in de eerste lezing van vandaag. De Eeuwige had tot hem gesproken, en toen kwam er een geest over hem die hem rechtop deed staan. Wat een mooi beeld! Ezechiël behoorde tot de joodse ballingen die na de val van Jeruzalem in 597 voor Christus naar Babylon waren gedeporteerd. En zoals zijn volksgenoten zal hij gedeprimeerd zijn geweest. De Israëlieten verloren hun vertrouwen in Jahwe, in de Eeuwige, in zijn mooie beloftes. Hij had hen in de steek gelaten, en daarom begonnen zij tegen Hem te rebelleren. Zij kregen, zoals de lezing van vandaag zegt, ‘een harde blik en een hart van steen’. Ze waren terneergedrukt. Maar één van hen, zo horen we vandaag, werd door God opgericht. Hij kon weer rechtop staan. Dat wil zeggen: hij kon weer vertrouwen in Jahwe. Zijn naam heeft in dat opzicht symbolische betekenis. Ezechiël betekent namelijk: God is mijn sterkte. Dat weer te beseffen, dat weer tot in het diepst van zijn vezels te voelen, maakte Ezechiël tot profeet.

Een profeet is iemand die spreekt vanuit de volheid van zijn hart, en die dan niet vertelt wat hij zelf bedacht heeft, maar die zegt wat hem door de Eeuwige is aangereikt. Dat betekent het woord ‘prophètès’: iemand die spreekt namens een ander. Beter gezegd: iemand die doorgeeft wat hem is aangereikt, iemand die deelt met anderen wat hij zelf heeft ontvangen. In het Hebreeuws van het Oude Testament zijn de profeten de nebi’im: geïnspireerde mensen die leeg worden van eigen gedachten zodat ze vol kunnen worden van de boodschap van de Eeuwige. Dat God de mensen niet in de steek laat, dat God een visioen heeft van menswaardige toekomst voor deze wereld, is niet iets wat Ezechiël zelf heeft bedacht. Het is hem aangereikt. Het is een woord, een visioen dat hem heeft overweldigd en dat hij niet voor zich kan houden.

Zo verging het ook Jezus van Nazareth, een mens vol van God, zó vol dat anderen Hem Zoon van God ging noemen. Ook Hij kon niet zwijgen over het woord dat hem geraakt had. Ook Hij moest spreken namens die Ander, namens de Eeuwige, die Hij vol vertrouwen en intimiteit zijn Vader, zijn abba, zijn papa noemt. Maar als elke profeet wil Hij delen met anderen, en daarom is die Vader ook onze Vader. Ook Jezus wil ons het visioen voorhouden dat God mensen nooit laat vallen, dat Hij trouw is tot in eeuwigheid, en dat Hij ook vasthoudt aan zijn visioen van een wereld van vrede en gerechtigheid, een wereld die de bijbel Rijk van God noemt.

Maar het valt niet mee om profeet te zijn. Want wie spreekt van het visioen van God brengt iets onder woorden wat niet realistisch, niet werkelijk lijkt te zijn. Alles lijkt tégen dat visioen te pleiten. Alles lijkt ons aan te moedigen om zoals de ballingen in Babylon maar bij de pakken te gaan neerzitten. De wereld lijkt ons neer te buigen. Profeten worden niet graag gehoord, want ze brengen iets onder woorden dat tegendraads is, ja iets dat bijna ongeloofwaardig is. Ezechiël wordt er al voor gewaarschuwd: ‘of ze luisteren of niet, want het is een opstandig volk’. En Jezus ondervindt het aan den lijve: de mensen uit zijn vaderstad Nazareth nemen aanstoot aan Hem. ‘Een profeet wordt in zijn vaderstad niet geëerd.’

Het gaat profeten vaak als de klokkenluiders in onze samenleving. Ook zij spreken in het besef dat de wereld beter kan en beter moet. Zij laten zich horen omdat zij vinden dat de overheid te kort schiet, dat ze beter moet kunnen handelen, oprecht en eerlijk. Of ze roeren zich omdat ze vinden dat de kerk een ander gezicht moet laten zien, een menselijk en barmhartig gezicht, en dat zij niet onrecht en machtsmisbruik met de mantel der liefde mag bedekken. Klokkenluiders spreken net als profeten vanuit het besef dat de wereld anders bedoeld is en anders kán zijn dan hij nu is. Zij spreken vanuit een visioen, en vanuit dat visioen willen zij anderen wakker roepen. Maar veel mensen willen helemaal niet wakker worden. Zij slapen liever door, zij houden liever vast aan hun zelfgemaakte zekerheden.

Profeten zijn er om ons wakker te schudden, ja om het visioen dat hen zelf geraakt heeft en dat misschien ook in ons nog sluimert weer wakker en werkzaam te maken. Dat visioen van hoe de wereld bedoeld is. Dat visioen van hoe mensen kunnen zijn, zo prachtig en vol liefde voor elkaar. Telkens als wij samen komen om te luisteren naar de verhalen uit de Schrift en om samen de tekens van brood en wijn te delen, dan worden ook wij uit onze slaap gewekt. Samen vieren is een profetisch teken stellen. Als wij dat doen, mogen ook wij uit onze slaap en onze sluimer wakker gekust worden en rechtop gaan staan. Misschien mogen wij voor elkaar ook vandaag zo’n profetische kus zijn die ons doet ontwaken.