Als het goede maar gedaan wordt

Overweging in de agapèviering van de Effataparochie op zondag 27 september 2009 (jaar B, zesentwintigste zondag door het jaar)

(gelezen Numeri 11,25-29 en Marcus 9,38-43+45+47-48)  

Merken zijn heel belangrijk in onze samenleving. Wie niet het juiste merkje op zijn rugzak, zijn schooltas, zijn sportschoenen of zijn T-shirt heeft staan, ligt eruit op school. En wie niet in het juiste merk auto rijdt, is een loser (om nog maar te zwijgen over mensen die helemaal geen auto rijden…).

Een week geleden verscheen in de media het bericht dat ING uit de lijst van honderd meest waardevolle merken verdwenen is, een lijst die door Coca Cola wordt aangevoerd, gevolgd door IBM, Microsoft, General Electric en Nokia. Het ging ING al niet zo goed door de kredietcrisis, maar nu is ook nog het merk in waarde gedaald.

Ook op het gebied van het geloof lijken merken heel belangrijk te zijn. Na de bloeitijd van de oecumene van de jaren zestig tot de jaren tachtig, de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie tot en met het Conciliair Proces voor gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping, na een tijd dus waarin christenen veel samen met elkaar deden, zonder dat het belangrijk was welk etiketje erop hing, is nu een tijd aangebroken waarin de kerken hun eigen merk weer willen profileren. Er zijn godsdienstsociologen die dat de kerken ook aanraden: als je veel leden wilt hebben, moet je je met een sterk merk en een duidelijk profiel op de levensbeschouwelijke markt bewegen. Rooms-katholiek is zo’n merk en ‘rechtzinnig in het geloof’ is zo’n profiel. Met een vaag merk en een zoekend profiel win je geen leden, zo zeggen deze ‘rational choice’-geleerden. 

De vraag is natuurlijk of het de kerken erom moet gaan zo veel mogelijk leden te hebben. Dat hebben de kerken wel lang gedacht: in de voorbije eeuwen probeerden ze in concurrentie met elkaar in ledental te groeien. En iets deugde alleen maar als er het juiste merkje op stond: rooms-katholiek. Alleen met dat merk kon je verantwoord geloven, verantwoord sporten, verantwoord aan politiek doen, verantwoord verzekerd zijn, verantwoord onderwijs volgen, ja zelfs verantwoord geiten fokken. De kerken wilden zo groot mogelijk zijn en zagen zichzelf als doel. Want er is maar één weg naar de zaligheid, en dat is die van het eigen merk. 

Maar gaat het er niet veel meer om dat het goede gedaan wordt? Bestaat de kerk eigenlijk ook niet alleen maar om te zorgen dat het goede gedaan wordt? En is het dan nog zo belangrijk onder welke merknaam dat goede gebeurt? De kerk is immers geen doel op zichzelf, zij is, in de woorden van het Tweede Vaticaans Concilie, alleen maar instrument en teken van heil. Ja, zij is een instrument, een hulpmiddel dus, niet meer dan dat, bedoeld om iets anders mogelijk te maken. En dat andere is, kort gezegd: dat het goede gedaan wordt.  

De beide bijbellezingen die wij vandaag gehoord hebben, gaan over mensen die het goede doen, maar niet de juiste merknaam dragen. In de eerste lezing is sprake van twee mannen die profeteren, dat wil zeggen die getuigenis afleggen van Gods bedoeling met de wereld, zonder dat zij officieel als profeten te boek staan. Jozua, toen nog de bezorgde assistent van Mozes, later de politieke leider van Israël, wil dat Mozes het die twee mannen verbiedt te profeteren. Maar Mozes zegt: waarom zou ik? Profeteerde heel het volk maar, legde maar iedereen getuigenis af van het goede dat God met de wereld voorheeft. En in de evangelielezing is sprake van iemand die in Jezus’ naam boze geesten, demonen uitdrijft, maar die volgens Johannes niet tot de club van Jezus’ volgelingen behoort (let wel: Johannes zegt niet dat deze man geen volgeling van Jezus was, maar dat hij geen volgeling ‘van ons’ was!). En ook Jezus zegt, zoals Mozes: houd hem niet tegen, laat hem vooral doorgaan, want – zo vat ik even kort samen – wie het goede doet, doet het kwade niet, doet dus geen kwaad.  

De profeten in het eerste verhaal, de duiveluitdrijver in het tweede verhaal: ze deden het goede, maar ze hadden niet het juiste merk. Ze deden het goede als het ware buiten kerkelijk verband, ze waren niet van hogerhand gelegitimeerd, ze waren niet door het gezag bevoegd. Let wel: hogerhand moet hier dan wel opgevat worden als hoger menselijk gezag, want uiteindelijk handelden ze wel op gezag van hogerhand. Ook op de illegale, onbevoegde profeten rustte immers de Geest, zegt de eerste lezing. Zij hadden de opdracht van hogerhand verstaan, hun roeping van godswege om het goede te doen, om te profeteren, om mensen te bevrijden van de boze geesten die hen gevangen houden en tot slaaf maken. En omdat ze bekwaam zijn om het goede te doen, zijn ze ook bevoegd om het te doen.  

En daarmee houden ze een spiegel voor aan degenen die wel bevoegd zijn, maar feitelijk niet bekwaam blijken. Jezus spreekt hen in harde taal toe; ‘grotesk en gruwelijk’ noemt Bas van Iersel in zijn commentaar op het Marcusevangelie de beelden die Jezus hier gebruikt: als je twee handen hebt, maar die handen zijn niet bereid om het goede te doen, hak ze dan maar liever af. En als je voet niet bereid is de goede kant op te gaan, hak ook die voet dan maar af. En als je oog niet bereid is het goede te zien, ruk dan je oog maar uit. Want als je het goede niet wilt zien, dan ben je toch al verblind. Inderdaad, gruwelijke beelden, die ons onaangenaam in de oren klinken. 

Als het goede maar gedaan wordt. Misschien is dat wel de kortst denkbare samenvatting van Gods bedoeling met de wereld. En het maakt niet uit onder welke merknaam dat goede dan gedaan wordt. Als het goede gebeurt, dan heeft het Gods zegen. En waarom komen we dan nog samen in de kerk? Om daaraan herinnerd te worden: dat het goede moet gebeuren. En om elkaar en anderen daarin te bemoedigen: het goede kan ook echt gebeuren. We zien het om ons heen, in kleine en grote dingen. Bijvoorbeeld in de projecten die gesteund worden door de koffiegroep, uit de opbrengst van onze bijdrage aan de koffie na de zondagse vieringen. Een van die projecten is Interplast, een ideële organisatie die operaties mogelijk maakt van kinderen in de Derde Wereld met bijvoorbeeld brandwonden of lipspleten. Bij de mededelingen hoort u straks van mevrouw José van Tintelen meer over Interplast. En nee, die organisatie draagt geen rooms-katholiek merkplaatje. Maar ze zorgt wel dat het goede gedaan wordt. Ze is de helpende hand van die ander, waarover Odeon dadelijk zal zingen: ‘neem die hand van die ander aan, trek hem over je schouder. Kijk niet tegen het leven aan, maar ga er samen aan bouwen.’ Dat bouwen aan het leven, zoals Interplast dat doet, verdient onze steun. En omdat organisaties als Interplast zorgen dat het goede gedaan wordt, mogen we ook erop vertrouwen dat Gods zegen erop rust.