Het wonder van de onbaatzuchtigheid

Overweging in de agapèviering van de Effataparochie op zondag 8 november 2009 (jaar B, tweeëndertigste zondag door het jaar, tevens Willibrordzondag 

(gelezen: 1 Koningen 17,10-16 en Marcus 12, 38-44) 

Vertrouwen is een kwetsbaar iets. Je hebt mensen van goed vertrouwen, maar er bestaat ook de zonde van vermetel vertrouwen. Je kunt bouwen op vertrouwen, maar vertrouwen kan ook beschaamd worden. Er zijn mensen die vertrouwen inboezemen, vertrouwen kun je genieten. Vertrouwen wekt vertrouwen, zo zegt het spreekwoord. Maar kennelijk is vertrouwen ook zo broos, zo kwetsbaar en zo zeldzaam dat onze samenleving aparte vertrouwensartsen nodig heeft en dat scholen en bedrijven een vertrouwenspersoon aanwijzen. Kennelijk kun je dus niet iedereen vertrouwen.

 

In de lezingen van vandaag hoorden we twee verhalen van vrouwen vol vertrouwen. Het meest wonderlijke is eigenlijk wel het eerste verhaal, over de profeet Elia. Dat begint al met het vertrouwen dat Elia aan de Eeuwige schenkt. Jahwe had hem gezegd: ga naar Sarefat, een stad in Fenicië, ten zuiden van Sidon, in het Grieks Sarepta geheten. En daar zal een weduwe voor je zorgen. En Elia doet dat zomaar. Hij vertrekt naar een hem onbekende stad waar een hem onbekend persoon voor hem zou zorgen. Begin er maar eens aan.

Elia is er aan begonnen, en dan blijkt: vertrouwen wekt vertrouwen. Want als hij dan in die stad komt en daar een weduwe hout ziet sprokkelen, vraagt hij haar om hem een brood te brengen. Maar de vrouw is straatarm. Zij sprokkelt hout om van het laatste beetje meel en het laatste beetje olie dat zij heeft een laatste maaltijd voor haar en haar zoon te kunnen bereiden. Elia vraagt haar het onmogelijke: maak voor mij eerst een broodje en daarna kun je ook voor jezelf en je zoon zorgen. Maar hij zegt erbij: vrees niet, wees niet bang. Hij roept de vrouw dus op hem te vertrouwen, want vertrouwen staat lijnrecht tegenover angst. Laat je angst varen, en dan komt er ruimte voor het wonder. Dat is wat Elia bedoelt, en dat is ook wat er gebeurt. De vrouw schenkt hem haar vertrouwen, en dan gebeurt het wonder: zij bakt brood voor Elia, maar ook voor zichzelf en voor haar zoon, en de pot met meel raakt maar niet leeg en de kruik met olie ook niet. Het wonder van de onbaatzuchtigheid voltrekt zich. En het blijft niet bij dit ene wonder. Want Elia zal zijn intrek nemen bij de weduwe en als haar zoon enige tijd later heel erg ziek wordt en sterft, wekt Elia hem weer ten leven. 

Vertrouwen schept ruimte, ruimte voor het wonder, ruimte voor nieuw leven. Want vertrouwen betekent dat wij de kluisters van de angst van ons afleggen. Naast vertrouwen bestaat er ook zoiets als berekening. Maar berekening gaat uit van het slechte in de mens. Vertrouwen gaat ervan uit dat het goede mogelijk is, dat het goede kan gebeuren. Maar daarvoor is nodig dat wij ons bevrijden van ons aangeleerde wantrouwen jegens de anderen. Te vaak zien wij andere mensen als bedreiging: de ander neemt de ruimte in die wij voor ons zelf graag zouden hebben, hij of zij heeft wat wij niet hebben. Hij is populair bij de mensen en ik niet, hij heeft succes en ik niet. Dus moet ik mij indekken tegen die ander, moet ik met berekening te werk gaan. Maar hoezeer knevelen wij ons zelf dan niet!? Wij houden onszelf gevangen in wantrouwen, in angst, in onzekerheid. We zitten bekneld en beklemd.  

Vertrouwen schenken schept dan ruimte, geeft lucht. We hoeven niet meer in de verdediging te gaan, wij maken ruimte voor de ander. Maar daarvoor is nodig dat wij het laatste van ons zelf durven te geven, het uiterste, datgene wat wij als ons laatste houvast beschouwen, zoals het laatste meel en de laatste olie van de weduwe uit de eerste lezing of de laatste penning van de arme weduwe in de evangelielezing. Zij schonk, zegt Jezus tegen zijn leerlingen, van haar armoede al wat zij had, alles waar ze van leven moest. Ja, we mogen gerust zeggen: zij schonk zichzelf. Zij bewerkte het wonder van onbaatzuchtigheid. Zij klampte zich niet vast aan wat zij had. En het verhaal van de weduwe van Sarepta in de eerste lezing maakt duidelijk wat er dan kan gebeuren: als je je laatste houvast schenkt, ontstaat er nieuw leven, nieuwe toekomst. 

In de manier waarop mensen met elkaar omgaan, ook in de kerk, lijkt vertrouwen vaak ver weg. Hoe vaak wordt ons handelen, onze omgang met elkaar, niet bepaald door het streven krampachtig vast te houden aan wat we hebben. Fusieprocessen van parochies geven daar heel wat voorbeelden van. Mensen blijven in zo’n proces meestal wel vriendelijk tegen elkaar, maar zij hebben niet zelden toch een verborgen agenda: als we samengaan, moeten de vieringen wel blijven zoals ze in onze kerk waren, op het tijdstip dat wij gewend waren, en moeten de boekjes gevouwen worden zoals wij dat gewend waren, en moet natuurlijk ons kerkgebouw ook het kerkgebouw van de fusieparochie worden.  

Het is vandaag Willibrordzondag – gisteren was het de feestdag van Willibrord – en al meer dan een halve eeuw staat die zondag in Nederland in het teken van de oecumene. Maar wordt ook die oecumene, het streven naar meer samenwerking tussen de kerken, niet vaak gehinderd en geremd en zelfs onmogelijk gemaakt door het krampachtig vasthouden aan wat kerken als hun eigen en laatste bezit beschouwen? Als wij als christenen in de oecumenische beweging willen ontdekken wat ons rond het evangelie van Jezus van Nazaret samenbindt, moeten we dan ook niet bereid zijn onze achterdocht te laten varen, moeten we dan ook niet ophouden ons krampachtig vast te klampen aan onze vermeende laatste zekerheden? Ook oecumene vraagt op de eerste plaats om vertrouwen, vertrouwen dat onbaatzuchtig ruimte schept voor de ander. En dan is er nieuw leven mogelijk.