Gekend worden

Overweging Studentenkerk Nijmegen, 7 maart 2010, derde zondag van de veertigdagentijd

De afgelopen week, in de dagen rond de gemeenteraadsverkiezingen, moest ik weer herhaaldelijk aan ze denken, de heren Jacobse en Van Es van de Tegenpartij. Ze zouden misschien wel goed gescoord hebben als ze hadden meegedaan, met hun leuzen ‘Met z’n allen voor ons eigen’, ‘Laat ze zelf eens een keer bezuinigen’ of ‘Geen gezeik, iedereen rijk’ (ik weet het, je moet het eigenlijk op z’n plat Haags uitspreken, maar daar is mijn Limburgse tong niet toe in staat). Het waren typetjes van Kees van Kooten en Wim de Bie, die twee briljante thermometers van de koortsen die onze samenleving de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. Toen ze samen nog het Simplisties Verbond vormden, hebben ze ook ooit een andere koorts bezongen, die van het zoeken naar jezelf, een koorts die nog steeds niet over is en misschien wel nooit overgaat, omdat hij beantwoordt aan een diepe menselijke behoefte: ‘Zoek jezelf broeders, vind jezelf, wees en blijf alleen jezelf’, zo zongen ze. ‘Weet je nog wanneer dat was, toen je nog geen ander was, niet in harnas achter glas, maar je eigenlijke zelf’.

Ons eigenlijke zelf: wie of wat is dat? We zijn er koortsachtig naar op zoek, naar het zelf. Onderzoekers van nieuwe vormen van religiositeit en spiritualiteit spreken over de sacralisering van het zelf. Je kunt cursussen volgen, soms van drie dagen, soms van een half jaar, die je beloven dat je aan het slot je eigenlijke zelf zult vinden, of je echte zelf, of je werkelijke zelf of je diepste zelf. De superlatieven stapelen zich op, op de markt van het zelfzoeken.

 De psalm die we vandaag gelezen hebben, Psalm 139, wijst een andere weg, een andere manier van kijken, een andere manier van leven wellicht ook. In die psalm gaat het ook over het kennen, maar dan vanuit een heel ander perspectief: de bidder van de psalm is niet wanhopig op zoek naar het kennen van zichzelf, nee, hij spreekt het diepe vertrouwen uit dat hij gekend wordt. Er is iets, iemand, de Eeuwige, de Ene, die hem kent, en wel door en door, tot in zijn nieren. De Eeuwige kent mij, doorgrondt mij, doorziet mij, is vertrouwd met mij. In de eerste zes verzen van de psalm komt alleen het woord kennen al vier keer voor, en daar voegen zich allerlei synoniemen aan toe: doorgronden, doorzien, vertrouwd zijn. En naar die Eeuwige die mij kent, hoef ik niet wanhopig op zoek, aldus de psalmist: Hij is er altijd en overal, in de hemel en in het dodenrijk, van oost tot west, in het duister en in het licht. En waarom kent die Eeuwige mij zo goed? Omdat Hij erbij was toen ik gevormd werd, ja, Hijzelf heeft mij gevormd, gemaakt, gevlochten en geweven. De Eeuwige kent mij door en door, van binnenuit. Hij is intiem met mij verbonden, meer dan wat ook. En daarom ga ik Hem ook ter harte. Hij laat mij niet los. Hij laat mij niet vallen. 

Het is een indrukwekkend getuigenis, deze psalm 139. Er wordt gezegd – ik heb het niet nageteld – dat het de meest bestudeerde en de meest becommentarieerde psalm is uit het hele bijbelboek van 150 psalmen. Sommige bijbelwetenschappers zeggen dat de psalm eigenlijk een soort juridisch pleidooi is, een pleidooi van onschuld, een pleidooi om vrijspraak. De bidder van de psalm wordt ergens van beschuldigd en alleen de Eeuwige kan weten dat het niet waar is, want de Eeuwige kent hem door en door. De bidder roept daarom de Eeuwige op als getuige à décharge. De crux van de psalm zit dan in de laatste paar verzen, waarin de getuige wordt uitgenodigd om het verlossende woord te spreken: zie of ik geen verkeerde weg ga, en leid mij over de weg die eeuwig is. De bidder legt daar zijn lot als het ware in de handen van de Eeuwige. De rest van de psalm zou dan eigenlijk alleen maar aanloop zijn, waarin omstandig wordt uiteengezet waarom de Eeuwige de meest betrouwbare getuige is: Hij kent mij immers al vanaf de moederschoot, en Hij is er altijd. Hij, en alléén Hij, kan dus weten of ik schuldig ben aan de daden waarvan ik nu beschuldigd wordt.

Maar er is iets ongemakkelijks in deze uitleg van de psalm. Hij is immers niet gericht tot een rechtbank, die ervan overtuigd moet worden dat de Eeuwige een betrouwbare getuige is. Hij is gericht tot de Eeuwige zelf. En die weet wel hoe betrouwbaar Hij is. Die hoeft daar niet van overtuigd te worden. Ik zou de psalm liever willen lezen als een dankbare belijdenis van de psalmist, als een gebed van vertrouwen, uitgesproken direct tot de Eeuwige. De psalm staat immers vol met u-zinnen: u kent mij, u doorgrondt mij, u weet het…, en zo gaat het maar door. De bidder spreekt niet over de Eeuwige, hij spreekt tot de Eeuwige. Hij spreekt de Eeuwige toe, hij moet kwijt hoe goed en hoe belangrijk het voor hem is dat de Eeuwige hém kent, dat hij gekend wordt, gevonden is, bewaard wordt door de Eeuwige. 

Er zit in deze mooie psalm één rotstukje, en daar moet toch even iets over gezegd worden. Zo’n stukje dat we het liefste zouden overslaan. De predikante Conny Aalbersberg, die een proefschrift heeft geschreven over het gebruik van deze en een andere psalm in het pastoraat, vertelt in het begin van haar boek dat mensen psalm 139 vaak vragen voor een doop- of rouwdienst, maar er dan snel bijzeggen: ‘maar laat u dan de laatste verzen weg, dominee?’ Dat zijn de verzen die doen denken aan de vloekpsalmen: ‘God, breng de zondaars om, … zou ik niet haten wie u haten, Heer, ik haat hen, zo fel als ik haten kan’. Het zijn hatelijke verzen, die je zo zou kunnen gebruiken in een bijbelversie van Wilders’ film Fitna. Wij krijgen ze - denk ik, hoop ik – niet meer door de keel en niet meer over de lippen.

Je kunt natuurlijk proberen ze te begrijpen vanuit hun bijbelse context. Het zijn woorden gesproken vanuit een situatie van beproeving. Je kunt ook proberen ze symbolisch uit te leggen: de vijanden van de Eeuwige, dat zijn de krachten van de dood, dat is datgene wat het leven bedreigt, en dat haten we, omdat we voor het leven kiezen. Je kunt ze ook lezen als de omkering van een liefdesbetuiging, zoals Anton Korteweg doet in zijn bewerking van de psalm, die verderop in de liturgie is afgedrukt: ‘Het moet wel dat ik van je hou, de pest heb aan wie de pest aan je heeft’. Anders gezegd: omdat ik zoveel van de Eeuwige houd, moet ik ook wel haten wie Hem haten. Maar dan nog, het blijven harde verzen: ‘Breng de zondaars om’. Ik kan het de psalmist niet nazeggen. 

Wat ik de psalmist wél kan nazeggen, is hoe goed het is te weten dat je gekend wordt. Dat er Iets of Iemand is die jou beter kent dan je jezelf kent, die jou niet laat vallen op momenten dat je jezelf misschien laat vallen, momenten waarop je twijfelt of wanhoopt aan jezelf. Want hoe vaak moeten we niet erkennen dat we ons zelf niet echt kennen, dat we niet weten wat er woelt in ons. ‘Ik weet niet wat in mij is’, zegt Huub Oosterhuis in zijn nieuwe, vrije vertaling van psalm 139, ‘hoeveel, hoe weinig’. Maar jij, vraagt hij aan de Eeuwige: ‘weet je mij beter dan ik?’ Er is iemand die met ons begaan is omdat zijn bestaan met het onze vervlochten is, vanaf de moederschoot. Hij is niet een Big Brother, die ons in de gaten houdt, niet het oog in de driehoek dat vroeger in schoolklassen, in huiskamers en zelfs in cafés hing: ‘Hier vloekt men niet, God ziet mij’. Hij is eerder een Zij: een baarmoeder die ons omgeeft en koestert, die ons warmte en geborgenheid geeft, een onontkoombare nabijheid, die ons niet oordeelt en veroordeelt, maar ons wel doorgrondt en peilt, die weet wat in ons gaande is, beter dan wij het zelf weten. Wij hoeven niet koortsachtig op zoek naar ons diepste zelf. Het is al gevonden en het is geborgen. Het is in vertrouwde handen, die ons niet laten vallen. Het is goed.

‘Ken je mij? Wie ken je dan?

Weet je mij beter dan ik?’

Ik ken eigenlijk geen mooier commentaar op psalm 139 dan de vrije vertaling ervan die Huub Oosterhuis in de bundel Halverwege heeft gepubliceerd. Zijn dochter Trijntje zingt die ook, zonder overigens erbij te zeggen dat het om een psalm gaat. Ze zingt het mooi, maar niet zo mooi als Daniella Martina het kan voorlezen, en dat zal ze nu doen.