Levensboom

Overweging Studentenkerk Nijmegen 14 november 2010

Cyclus Bomen: Levensboom 

(Gelezen Spreuken 3,13-18 en Openbaring 22,1-5) 

Hebt u ook wel eens de indruk dat er in uw jeugd veel meer bomen waren dan nu? Ik zeg dat nu niet omdat de bomen aan de Van Schaeck Mathonsingel onlangs zijn verdwenen. Ze komen terug, belooft de website van de gemeente Nijmegen ons, samen met fonteinen en vazen. Maar eerst moet er een parkeergarage komen voor 650 auto’s en duizend fietsen. Maar de bomen komen terug, gelukkig. Andere bomen dan wel, neem ik aan. Nieuwe bomen.

Nee, ik meen het serieus: over die rijkdom aan bomen in onze jeugd. Mijn jeugdherinneringen zijn omzoomd met bomen. Het Limburgse dorp waar ik ben opgegroeid, werd aan de ene kant geflankeerd door de uiterwaarden van de Maas, waar de weilanden omzoomd werden door hoge populieren, en aan de andere kant door een bos- en heidegebied dat het dorp scheidde van de buurdorpen. Bomen bepaalden de contouren van het land en omlijnden de horizon. Ook als we mijn grootouders bezochten, waren er veel bomen. Zij hadden een boerderij in de Betuwe, met varkensstallen maar ook een grote fruitboomgaard. En in de tijd van de fruitoogst waren wij vaak daar en leefden in en onder de bomen.Bomen hadden iets fascinerends. Ze leken te bewegen in de wind, ze strekten hun takken uit, probeerden iets te grijpen. Ze leken ook te spreken, soms ook te huilen. Of misschien weenden ze wel; dat past misschien beter bij bomen. 

De bomen waren in mijn jeugd als in het gedicht ‘Tussen Sibbe en Margraten’ van de dichter Leo Herberghs. Daar komen regels in voor als:       

de bomen scheppen       

netten vol vlinders       

uit het donkere bos       

van de aarde

Of:       

de bomen bekvechten       

met de spin van de wolk       

en rekken hun plechtige       

kop vol insekten       

naar hun bestaansgrond

Of nog mooier:       

de bomen welven

zich oudlimburgs

rond de dorpskern

als een verhemelte 

Bomen lenen zich voor dromen. Wat is er mooier dan onder een boom te dromen over… bomen. Iedere boom heeft iets van een droomboom. Bomen spreken immers tot de verbeelding. Ze wortelen in de grond, ze staan op de aarde en ze reiken met hun takken naar de hemel. De meeste bomen verliezen elke winter hun bladeren, sterven dus in zekere zin, maar komen het volgende voorjaar weer opnieuw tot bloei: ze staan op uit de dood. In veel culturen en religies komt dan ook het motief voor van de levensboom, van de Indianen tot de Chinezen, van Mesopotamië tot Scandinavië: overal zijn levensbomen terug te vinden. Overal is gedroomd over bomen. 

Het boek Openbaring is ook een droomboek. Het beschrijft de dromen van Johannes op Patmos. Het doet dat in de vorm van een brief, waarin een verslag is opgenomen van wat Johannes heeft gezien en gehoord. Ik noem het dromen, maar het zijn officieel natuurlijk visioenen: gezichten. En het zijn engelen die dit Johannes allemaal laten zien en laten horen, in opdracht van de Eeuwige. Toch ben ik nog maar even zo brutaal om Johannes een dromer te noemen en de beelden van het boek Openbaring te lezen als vruchten van zijn rijke verbeeldingskracht. Vijfendertig jaar geleden pleitte de letterkundige en theoloog Cornelis Rijnsdorp in een boekje met de titel Gefascineerd door het laatste bijbelboek al voor een ‘muzische’ lezing van het bijbelboek Openbaring. Hij ziet het boek als een meesterwerkje, dat vertrekt vanuit visuele en akoestische ervaringen en deze in een krachtige evocatieve taal omzet tot een vergezicht dat in de wereldliteratuur zijn weerga niet vindt. Inderdaad dus een droomboek. 

Aan het slot van dat droomboek toont een engel aan Johannes het hemelse Jeruzalem. En daar ziet hij in het midden van het plein van de stad die levensboom, waarover al in zoveel andere religies en culturen was gedroomd. Die levensboom verbindt voor Johannes de droom van het begin met die van het einde. Het is namelijk de boom uit het eerste bijbelboek, uit Genesis, het boek van het begin, die hier terugkeert: de boom uit het aardse paradijs, de boom uit de hof van Eden. Alles in deze slotdroom van Johannes verbindt ons trouwens met die droom over het begin. De rivier met water dat leven geeft, dat is de paradijsrivier. Johannes vertelt nu ook waar het levengevende water van die rivier vandaan komt: van de troon van God. Zo verbindt hij ons op een dubbele manier met de oorsprong: met het verhaal van het begin, van het paradijs uit de begintijd, maar ook met de oorsprong van dat begin, de bron waaruit alle leven komt: de Eeuwige. En dan komt die levensboom. Of zijn het er eigenlijk drie, want hij staat niet alleen op het marktplein, het Central Park van het hemelse Jeruzalem, maar hij staat ook aan weerszijden van de rivier? En dan is er de vrucht van die boom, elke maand een eigen vrucht. Vrucht om van te leven. Ook daar verbindt de droom van Johannes ons weer met het begin, maar nu worden de zaken wel omgekeerd. Want we weten allemaal dat het met die vrucht van de levensboom, de boom in het midden van de tuin, in het begin juist misging. In de droom over de oorsprong van de wereld kwam door het eten van die vrucht juist de dood, de sterflijkheid in de wereld. Maar in de droom over de voltooiing komt alles goed: er zal niets meer zijn waarop een vloek rust, er zal geen nacht meer zijn, er zal geen dood meer zijn, er zal geen onderdrukking meer zijn. Want de mensen zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid. De vruchten van de boom brengen nu leven, leven zonder einde, leven zonder ophouden. Ja, de bladeren van de boom brengen zelfs genezing, zegt Johannes, een mededeling waarover een pientere bijbelwetenschapper heeft opgemerkt dat die overbodig lijkt. Want in dat hemelse Jeruzalem zal immers geen ziekte en pijn meer zijn, dus er is ook geen genezing meer nodig: de dokters mogen met pensioen en de apotheken kunnen gesloten worden. De beelden van de nacht en het licht verbinden de droom van Johannes met de droom van het scheppingswerk, met de eerste dag daarvan, waarop de Eeuwige het licht van de duisternis scheidde en de duisternis nacht noemde.

Johannes heeft dus, niet wetend dat zijn boekje het slotstuk van de Bijbel zou worden, onbewust gezorgd voor een prachtige inclusio, een grote boog die begin en einde van de Bijbel met elkaar verbindt, oorsprong en voltooiing. Die droom is uitdrukking van het diepe verlangen dat ooit alles weer goed zal komen, dat ooit onze diepe verscheurdheid geheeld zal worden, dat we ooit meer met onze levensbron, de Eeuwige, verbonden zullen zijn, dat er ooit een einde zal komen aan onze ontheemdheid, onze vervreemding, onze eenzaamheid, onze ontreddering, onze slavernij. En precies omdat we daar, in die droom van de voltooiing, bij de Eeuwige zelf zullen zijn. Want de troon van God en van het lam staan in die stad, zo zegt Johannes, en wij zullen hem vereren en zien met onze eigen ogen. En er zullen geen lampen en zonnen meer nodig zijn, want de Eeuwige zelf zal ons licht zijn. Wat we in de droom over het begin verspeeld hebben, dat zal in de droom over de voltooiing ons toevallen: er zal geen dood meer zijn, nee, er zal leven zonder einde zijn. Want we zullen in de directe nabijheid van de bron van alle leven zelf zijn. Zijn naam zal op onze hoofden geschreven staan: wij zijn van de Eeuwige. 

Die Eeuwige heeft duizend namen en geen, of negenennegentig namen, zoals in de traditie van de islam. Een van die negenennegentig of duizend namen is Wijsheid. Het boek Spreuken beschrijft de Eeuwige als wijsheid. En dezelfde beelden keren terug: zij schenkt leven, lang leven. Alles wat je je maar kunt wensen valt er bij in het niet. Haar wegen zijn lieflijk, haar paden vredig. Liefde en vrede zijn dus ook namen van de Eeuwige, die hier wijsheid heet. En voor wie de wijsheid omhelst – dat doen mensen die elkaar lief hebben en die in vrede leven –, is zij een levensboom.  

Wijsheid is weet hebben van je oorsprong, kunnen terugkijken in de wortels van je bestaan, ook weten waar het is misgegaan. Wijsheid is alles wat leeft omhelzen met begrip, zoals het koor zojuist gezongen heeft. Wie dat kan, is verbonden met zijn bron, met de levensboom, met de Eeuwige.  

Wie droomt, staat niet met beide benen op de grond, zou iemand kunnen tegenwerpen. Nee, inderdaad, meestal zal iemand die droomt liggen, bijvoorbeeld onder een boom. Maar we kunnen niet zonder droom, juist niet als we de werkelijkheid willen aankunnen. We hebben dromen nodig om ons op de been te houden. We moeten dromen om met beide benen stevig op de grond te kunnen staan en vooruit te kunnen komen. We hebben dromen nodig om de toekomst aan te kunnen, om te kunnen leven in een wereld die getekend wordt door de droom van het begin, de droom van de verscheurdheid, van de nacht, van de duisternis, van de dood. Laten we dus vooral blijven dromen. Laten we dromen over leven voor iedereen, over een boom waarvan de vruchten voedsel geven aan allen. Laten we blijven dromen over een God die het opneemt voor de verscheurden, voor de rechtelozen, voor de vertrapten en de verkrachten, voor de vernederden en de moedelozen. Laten we blijven dromen dat we Hem of Haar, de krachtbron van ons leven, ooit met eigen ogen zullen zien. Dat we mogen rusten in de schaduw van zijn takken. 

Moge het zo zijn.