Durf te leven vanuit je dromen

Vierde zondag van de Advent, jaar A

 

19 december 2010 (Effataparochie Nijmegen)

  

‘Woorden in verhalen van toekomst doen herleven het visioen.’ We zijn aangekomen op de vierde zondag van de advent, de vierde zondag van de cyclus rond de woorden die u op de voorzijde van uw liturgieboekje vindt. Nog maar een kleine week scheidt ons van kerstmis. Kunnen de woorden die wij lezen het visioen laten herleven? En welk visioen dan? Misschien wel het visioen dát visioenen belangrijk zijn. Misschien gaat het er wel om dat niet woorden het visioen in ons laten herleven, maar dat wij zelf het visioen laten herleven. Dat wij zelf het visioen toelaten tot ons leven. Dat wij ruimte durven scheppen voor onze dromen van een wereld van vrede en gerechtigheid, dat wij plaats maken voor ons verlangen naar goedheid. Ja, misschien gaat het er wel om dat wij durven te geloven in onze dromen.

Misschien helpt het verhaal uit de evangelielezing van vandaag ons daarbij wel op weg, het verhaal over de droom van Jozef. Want daarom draait het in de perikoop die wij vandaag gelezen hebben. De droom is het keerpunt in het verhaal, of liever nog: Jozefs geloof in zijn droom, zijn bereidheid om zich, op basis van zijn droom, aan het avontuur over te leveren.

Want een avontuur moet het voor die goede Jozef toch wel geweest zijn. Als we de legenden van rond het jaar 500 mogen geloven, was Jozef immers al een oude man van tachtig jaar toen hij zich met Maria verloofde. En Maria was nog maar een jong ding. In het evangelie van vandaag heet ze ‘maagd’: ‘Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon ter wereld brengen’. Dat vers uit het evangelie is een citaat uit de voorspelling van de profeet Jesaja die we in de eerste lezing gehoord hebben, en daar, bij Jesaja, staat in het Hebreeuws ‘jonge vrouw’. ‘Zie, de jonge vrouw zal ontvangen en een zoon baren.’ En dat is ook de strekking van het Griekse woordje waarmee Maria in het evangelie van vandaag wordt aangeduid. Dat woordje ‘parthenos’, dat altijd vertaald is als ‘maagd’, met alle gevolgen van dien – een hele, soms gekunstelde, theologie rond de blijvende maagdelijkheid van Maria -, dat duidt eerder op een bepaalde levensfase dan op de staat van maagdelijkheid in de lichamelijke en seksuele zin van het woord. Een ‘parthenos’ is een meisje dat net jonge vrouw begint te worden, een meisje dat het stadium van de vruchtbaarheid bereikt. Een pubermeisje dus, een meisje van zo’n dertien, veertien jaar. Zo oud ongeveer zal Maria geweest zijn toen Jezus geboren werd. En met zo’n meisje was Jozef verloofd. De grijsaard en het pubermeisje; we komen het in de glossy’s wel eens tegen, of in de Italiaanse politiek, maar dan zijn die grijsaards meestal toch wel miljonair.  

En dat pubermeisje bleek zwanger te zijn. Ze woonde nog niet samen met de oude man, maar ze was toch al in verwachting. Jozef begreep er niets van. Maar, zo staat er in het evangelie van vandaag, hij wilde haar niet in opspraak brengen en daarom dacht hij erover in stilte van haar te scheiden. Hoe zat dat dan: ze waren toch nog maar pas verloofd? Om dat te begrijpen, moeten we iets weten van de joodse huwelijksgebruiken in het Palestina van die tijd. Het huwelijk werd toen in twee fasen gesloten. De eerste was de verloving: het meisje kreeg dan al de status van een getrouwde vrouw, maar bleef nog thuis wonen. Haar ouders bleven in die periode nog verantwoordelijkheid voor haar levensonderhoud. De tweede stap was dan het trouwen: de vrouw ging dan over naar het huis van haar man, die nu voortaan voor haar moest zorgen. Jozef en Maria bevonden zich nog in die eerste fase: Maria was al de vrouw van Jozef, maar woonde nog niet bij hem. In die eerste fase konden vrouw en man wel al seksuele omgang met elkaar hebben. Maar de vrouw mocht, eenmaal verloofd, geen seksueel contact meer hebben met een andere man dan haar verloofde. Deed ze dat wel, dan kon haar verloofde zich ontslagen achten van alle verplichtingen tegenover haar. Hij kon haar dan een scheidsbrief geven, waardoor ook de vrouw van haar verplichtingen ontslagen was. Ze kon dan in alle vrijheid naar die andere man gaan, met wie ze seksuele omgang had gehad en van wie ze misschien wel meer hield.  

Dat is blijkbaar wat Jozef overwogen heeft toen hij na een aantal maanden merkte dat zijn verloofde in verwachting was. Hij wilde haar in stilte een scheidsbrief geven, zodat niemand er iets van hoefde te weten, behalve misschien de kleine kring die van hun verloving op de hoogte was. En met die scheidsbrief kon Maria haar eigen weg gaan. Ze kon naar de andere man gaan, die haar in verwachting had gemaakt. En dat zonder dat ze in opspraak raakte, zonder dat er praat van kwam. Zo wilde Jozef het doen. Hij wilde het niet hard spelen tegen Maria. Hij kon haar ook openlijk beschuldigen van overspel, en dat zou een flinke deuk in haar imago betekenen. Maar dat deed Jozef niet, want hij was een rechtvaardige, zo hoorden we in het evangelie. Dat betekent: hij wilde het goede voor iedereen, zeker ook voor zijn verloofde Maria. 

En dan komt eigenlijk het meest wonderlijke van het hele verhaal: de droom van Jozef. In zijn slaap komt een engel hem vertellen hoe het werkelijk zit. Jozef, je moet Maria niet wegsturen. Er is geen andere man in het spel. Jullie horen bij elkaar, neem Maria dus bij jou in huis. En het kind in haar schoot is door God gewild. Het is goed zo. En jij moet het kind een naam geven. Want door een kind een naam te geven, aanvaardde een man in die tijd het wettelijke vaderschap. De engel zegt dus eigenlijk: als jij het kind een naam geeft, word je ook zijn vader, en wordt het kind jouw kind. En je moet het kind een bijzondere naam geven, want het is een bijzonder kind. Je moet het Jezus noemen: Jehosjua, dat betekent: God redt.  

Het wonderlijke aan dit hele verhaal, is dat Jozef het ook nog allemaal gelooft. Het evangelie vertelt het heel simpel: ontwaakt uit zijn slaap deed Jozef zoals de engel hem bevolen had. Dat is het kernachtige maar grandioze slot van de evangelielezing van vandaag. Jozef kende gelukkig dat liedje van Marco Borsato nog niet: dromen zijn bedrog (maar als ik wakker word naast jou dan droom ik nog…). Nee, Jozef wist op een of andere manier dat déze droom geen bedrog was. Sterker nog: hij durfde zijn leven te laten leiden door die droom. En door andere dromen, want hoe weinig we ook over Jozef horen in de evangeliën, tot vier keer toe lezen we dat hij zijn droom volgt: als hij met Maria en het kind vlucht naar Egypte, als hij van daaruit weer terugkeert en als hij zich met zijn gezin vestigt in Nazareth. Jozef liet zijn leven leiden door zijn dromen.  

En de droom van Jozef werd waar, en daarmee werden ook allerlei dromen uit het verre verleden waar: de dromen van de profeten, zoals die droom van Jesaja uit de eerste lezing van vandaag: een jonge vrouw zal zwanger zijn en een kind ter wereld brengen en je zult het noemen ‘God-met-ons’. Je kunt dit lezen als: blijf dromen over toekomst, want in elk nieuw kind is God met ons, in elk pasgeboren kind begint nieuw leven, beginnen nieuwe kansen, begint toekomst. In elk nieuw kind herleeft het visioen. 

Jozef durfde in zijn droom te geloven, omdat die droom hem een ander perspectief, een nieuw zicht op de werkelijkheid gaf. De droom hielp hem om de dingen anders te zien, met nieuwe ogen. De droom bood hem uitzicht, deed een visioen herleven. Door zijn droom wist hij: er is geen andere man in het spel, het is goed zoals het is, met die zwangerschap van Maria. Zij hoort bij mij, én het kind hoort bij mij. De droom opende de ogen van Jozef. Hij gaf hem de moed het avontuur aan te gaan.  

Dat is wat de lezingen van vandaag ons voorhouden, zo vlak voor kerstmis: durf te dromen! En durf te leven vanuit je droom! Durf te leven vanuit een visioen, durf de wereld met nieuwe ogen te zien, durf te geloven dat de dingen anders kunnen zijn dan zij lijken te zijn. Durf te dromen: dan kan God ook in jouw leven binnenkomen, dan kan Hij ook voor jou Immanuël zijn: God-met-jou.