Weer opladen
Overweging Studentenkerk Nijmegen, 27 februari 2011

 

Cyclus: Duurzaam geloven

(gelezen: Marcus 6,30-34) 

 

We hebben allemaal, lieve mensen, behoefte aan rust op zijn tijd, aan ontspanning, aan een break, een pauze in ons doen en denken. Voor ons doen vinden we dat allemaal evident: je kunt niet eindeloos doorjakkeren, ons lichaam heeft rust nodig, daarom is er de zondag, hebben we af en toe een dag vrij, nemen we vakantie, en vooral: slapen we iedere dag een aantal uren. Als we slapen, komt ons lichaam tot rust. Gelukkig hebben we een hormoon, melatonine, dat regelt dat wij bij het vallen van de avond, als het donker begint te worden, behoefte krijgen om te gaan slapen. Maar ook ons denken heeft rustpauzes nodig, heilzame onderbrekingen, en daar hebben we geen hormoon voor. En zelfs ons geloven heeft behoefte aan rustpauzes, aan stiltemomenten, aan het opzoeken van een rustige plek waar we in ons zelf kunnen keren en ons gelovig tasten naar het mysterie weer kunnen opladen. Ook dat regelen onze hormonen niet. Dat moeten we zelf doen.

Dat valt niet altijd mee. We hebben misschien allemaal die ervaring wel dat het vaak bij goede voornemens blijft. Ik ben zelf na mijn middelbare schooltijd korte tijd monnik geweest en heb daarna altijd geprobeerd op een of andere manier iets vast te houden van de stiltemomenten uit het monastieke dagritme, soms door ’s morgens of ’s avonds iets van het getijdengebed in mijn dagorde in te bouwen, soms door er in elk geval voor te zorgen dat er een stiltemoment is, een moment van meditatie, rond een psalmvers, een gedicht of een enkel woord. Maar ik wil er heel eerlijk over zijn: het komt er vaak niet van. Er zijn te veel dingen in gezin en werk die mijn aandacht en mijn tijd vragen: de e-mail die nog beantwoord moet worden, een brief die nog geschreven moet worden, een college dat nog moet worden voorbereid, u kent dat wel. Het mislukt dus vaak, met die stiltemomenten. 

De mislukte retraite van Jezus. Dat zou het opschrift kunnen zijn boven de perikoop uit het Marcusevangelie die we vanmorgen gelezen hebben. Het is een van die Bijbelpassages waar je vaak ongemerkt overheen leest, in grote haast op weg naar wat er op volgt. Dat is in dit geval het verhaal dat we allemaal kennen als dat van de wonderbare broodvermenigvuldiging of de wonderbare spijziging, soms ook wel wonderbare visvermenigvuldiging: Jezus voedt vijfduizend mensen met vijf broden en twee vissen. Dat verhaal begint vanaf vers 35. De passage die wij vandaag gelezen hebben, van vers 30 tot en met 34, heeft in de liturgie ook wel een eigen plekje gekregen. Zij wordt volgens het katholieke leesrooster eens in de drie jaar – namelijk in het B-jaar - gelezen op de zestiende zondag door het jaar. Die zestiende zondag valt ergens midden in de zomer, meestal in juli, dus in de verkondiging zal de passage er dan ook wel bekaaid vanaf komen. Zij zal toch voor de meeste lezers vooral het opstapje zijn naar dat verhaal over die spijziging. Ze vertelt ons immers hoe die enorme mensenmassa die Jezus gaat voeden, bij elkaar is gekomen. Zelfs de wijze bijbellezer Bas van Iersel behandelt de passage zo in zijn mooie commentaar op het Marcusevangelie. ‘Dit is een van die stukjes,’ zo zegt hij, ‘die meer twee episoden verbinden dan er zelf een zijn.’ 

Misschien lezen wij Bijbelverhalen wel te haastig, vooral in de liturgie, omdat we namelijk weten wat er gaat komen. We weten waar het verhaal naartoe gaat, of we denken dat te weten, door de eeuwenoude routine van de kerkelijke liturgie. Onthaasting dus in het Bijbellezen, dat zou niet gek zijn. We proberen dat in de Studentenkerk te doen, door namelijk niet slaafs een vaststaand leesrooster te volgen, maar juist vaak teksten te lezen die bijna nooit aan bod komen. De tekst van vandaag is er zo een. Lees maar: er staat niet wat er staat, zouden we met de dichter Martinus Nijhoff kunnen zeggen. Dat wil zeggen: lees niet te gehaast, want dan lees je wat je denkt dat er zal staan. 

Onthaasting in het Bijbellezen. Over onthaasting gaat de tekst ook, zou je kunnen zeggen. Over de noodzaak om tot rust te komen, te ont-spannen, dus: spanning weg te nemen, even geen tijdsdruk. Over de noodzaak om nu en dan uit te rusten en weer nieuwe energie op te laden. Het verhaal gaat over drukke baasjes, zoals wij dat misschien allemaal wel zijn. Die baasjes heten hier ‘apostelen’. Het is de enige keer in het hele evangelie dat Marcus dat woord gebruikt (ik moet er eerlijk bij zeggen dat enkele handschriften ook bij Mc 3,14 het woord ‘apostelen’ gebruiken). Marcus spreekt verder, als hij de op pad gestuurde leerlingen van Jezus bedoelt, namelijk altijd over ‘de twaalf’. Dat hij nu, in deze passage, het woord ‘apostelen’, ‘apostoloi’, gebruikt, geeft een bijzondere dynamiek aan de tekst. De apostelen zijn namelijk de uitgezondenen, en de dynamiek in deze tekst is die van uitzenden en terugkeren, die van naar buiten gaan en naar binnen keren. De uitgezondenen keren weer terug bij Jezus: zo begint de passage ook. En zij brengen terug wat zij allemaal ‘daar buiten’ gedaan hebben: ‘ze vertelden hem over alles wat ze gedaan hadden en wat ze de mensen onderwezen hadden’. En dan spoort Jezus die drukke baasjes aan ook de weg van de inkeer te volgen. Ook die hoort er bij. ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.’ Jezus moedigt zijn volgelingen aan een pauze in te lassen, een retraite te maken, een stiltemoment in te bouwen. Want het is een drukte van jewelste in hun leven: een voortdurend komen en gaan van mensen, zodat ze zelfs niet de kans krijgen om rustig te eten. Daarom vertrekt Jezus met zijn leerlingen naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn. 

De tragiek van het verhaal is dat die poging tot stille inkeer wat Jezus betreft op niets uitloopt. Het blijft bij het goede voornemen. De mensenmenigte hoort waar Jezus met zijn leerlingen naar toe wil gaan en haast zich ook daar naartoe. Ze zijn er over land zelfs eerder dan Jezus en de apostelen er met hun boot aankomen. En dan wordt Jezus bij het zien van de mensen door medelijden bewogen en besluit toch maar weer aan het werk te gaan: hij gaat hen langdurig onderwijzen. De retraite van Jezus is onderbroken; hij is weer meteen aan de slag gegaan. Niet omdat hij zo’n workaholic is, maar omdat hij bewogen wordt door de nood van de mensen die naar hem toe komen. Dat laatste is ook wat in de meeste commentaren als de boodschap van dit verhaal wordt gezien: Jezus is er voor de mensen die hem nodig hebben, hij is de herder voor de verdoolde schapen, hij ontwijkt de mensen niet, maar laat zich door compassie bewegen om hen toe te spreken.  

Van de retraite van Jezus komt in dit verhaal dus niet veel terecht. Op andere plaatsen gelukkig wel. Vooral in het Lucasevangelie lezen we regelmatig dat Jezus zich terugtrekt op een eenzame plaats om te bidden. Het is daarom ook wel eens het biddende evangelie genoemd. En hoe zit het met de apostelen? Ja, die verdwijnen even uit het verhaal. We horen niet dat ook zij de menigte toespreken. Het lijkt erop dat zij wel aan hun retraite toekomen. Want in het vers dat op dit verhaal volgt, keren ze namelijk weer opnieuw terug bij Jezus: ‘toen het al laat werd, kwamen zijn leerlingen naar hem toe en zeiden ‘wat een eenzame plek, en het wordt al laat ook’. En dan volgt het verhaal over de brood- en visvermenigvuldiging. De leerlingen hebben dus blijkbaar wel de eenzaamheid van die plek kunnen ervaren. Zij zijn even uit beeld geweest, zij hebben wel de stilte en de rust gevonden. Hun retraite is, zij het voor één dag, wel doorgegaan. 

Het kan voor ons, voor mij, misschien troostrijk lijken dat het opzoeken van de stilte ook voor Jezus in het vrome voornemen bleef steken. Toch spiegel ik mij liever aan de leerlingen dan aan Jezus. Ik ben niet de supermens zoals de evangelies ons Jezus voorspiegelen, de herder die zonder zelf tot rust te hoeven komen er altijd voor zijn schapen is, de onvermoeibare mensenvriend. Ik ben Jezus niet. Ik heb behoefte aan oplaadmomenten, ik heb er behoefte aan om af en toe alleen te zijn en tot rust te komen. Wil mijn omgang met het mysterie van de Eeuwige iets van duurzaamheid hebben, dan moet ik af en toe bij de stilte van mijn hart kunnen verblijven, om weer te weten wat daar gaande is, wat daar woelt van binnen, wat mij beweegt, wat mij begeestert. Want ook in het geloven kunnen wij soms uitgeput raken, buiten adem van al het gejakker. En dan is het goed dat wij even kunnen bijkomen, nieuwe energie kunnen verzamelen, nieuwe bezieling. 

Jezus wist dat zijn leerlingen dat ook nodig hadden. Het verhaal van vandaag maakt dat duidelijk. Jezus kende zijn pappenheimers wel en hij had een vooruitziende blik. Uit een onderzoek dat de New York Times een half jaar geleden publiceerde, blijkt dat 90% van de predikanten, priesters en andere pastores meer dan vijftig uur per week werkt, dat 75% van hen last heeft van stress of depressie en dat 40% slachtoffer wordt van een burnout. Een derde beleeft die burnout zelfs al tijdens de eerste vijf jaar van hun pastorale werk. Drukke baasjes dus. Komt het misschien omdat al die pastores zo graag willen lijken op Jezus, over wie Marcus ons vandaag vertelt dat hij er als herder steeds was voor zijn schapen? Of – nog een stapje verder - omdat ze denken dat ze ook kunnen wat Jezus kan? Het advies van Jezus aan de apostelen was dus nog niet zo gek. Toen de apostelen, de uitgezondenen, - druk, druk - kwamen vertellen wat ze niet allemaal gedaan hadden, zei hij: ‘ga nu mee naar een afgelegen plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten’.  

‘Rusten is ook een werkwoord’, zo schrijft de Vlaamse dichter Bert Deben. Inderdaad, rusten is voor veel mensen een werkwoord geworden. Als we niet hoeven te werken, zorgen we wel dat we op andere manieren worden beziggehouden, jakkeren we wel voor andere doelen. We ruilen de ene hectiek in voor de andere. Maar we overschreeuwen dan onze eigen innerlijke stilte. We lijken in een trein te zitten die niet meer kan stoppen, en we kunnen er ook niet uitstappen. De trein rijdt maar door, tot de brandstof op is (ik leef nog in de tijd van de stoomtreinen), tot de energie is opgebrand: ‘burn-out’ noemen we dat.  

Daarom: laten we af en toe een eenzame plaats opzoeken, laten we af en toe alleen zijn, laten we af en toe tot rust komen. Maken we het af en toe stil in ons zelf, om ons af te stemmen op de stem van de Eeuwige, op de stilte van de Eeuwige, om zo misschien te ervaren dat de Eeuwige ons rakelings nabij is.

Moge het zo zijn.