Niet zonder reisgenoot

Op Palmzondag ging Peter Nissen voor in de Studentenkerk in Nijmegen. Er werd gelezen uit Marcus 11,1-11, over Jezus die Jeruzalem nadert op een ezelsveulen. In de voorafgaande dagen was de rooms-katholieke kerk weer eens flink in opspraak: in Limburg werd een pastoor gearresteerd wegens financiële malversaties, in België gaf de gewezen bisschop van Brugge, die zijn neefjes seksueel misbruik heeft, een geruchtmakend interview. Dat leidde tot een pijnlijke confrontatie: wat is er in die kerk nog over van de boodschap van de rabbi op het ezeltje?

 

Als ik het voorrecht heb ergens voor te gaan – want ja, zo voel ik dat, als een voorrecht -, dan begin ik de voorbereiding van de overweging altijd door op de maandag van de voorafgaande week de Bijbellezing van die viering alvast eens rustig door te lezen. Die tekst neem ik dan mee de week in en geleidelijk hechten zich allerlei gedachten en associaties aan de Bijbeltekst. Vaak hebben die gedachten en associaties te maken met dingen die ik in die week meemaak, dingen die ik hoor in gesprekken met mensen of met zaken die ik lees. En tegen het eind van de week ga ik er dan eens rustig voor zitten om die gedachten uit te sorteren en samen te smeden tot een overweging. 

Dat had ik misschien deze week beter niet kunnen doen, die tekst meenemen door de week heen. Want ik begon dus de week met het verhaal over Jezus die op een ezelsveulen naar de stad Jeruzalem trok, een tocht in het teken van het komende rijk van God. Maar de volgende dagen las ik, tussen het gewone werk door, het manuscript van een boek van twee journalisten dat na de zomer gaat verschijnen over de zaak Joep Haffmans. U weet het misschien nog wel: de schokkende onthullingen over een Limburgse pastoor-deken uit de stal van bisschop Gijsen, een verhaal van diefstal uit de armenkas, financiële malversaties, intimidatie, boerenbedrog, titelfraude en vooral ook seksueel wangedrag. Toen kwam in het midden van de week het bericht dat een andere Limburgse pastoor op verdenking van financiële malversaties en witwassen gearresteerd is, een pastoor – hij heet Sjang met de voornaam – die elf jaar geleden al eens veroordeeld was wegens ontucht, maar twee jaar later toch weer een parochie toevertrouwd kreeg en weer met de misdienaars op kamp ging. En toen kwam tegen het einde van de week, op donderdag, het televisie-interview met de gewezen bisschop van Brugge, die jarenlang zijn minderjarige neefje seksueel heeft misbruikt en in het interview, half glimlachend, erkende dat hij nog een ander neefje had misbruikt, maar ‘het had niet langer dan een jaar geduurd’. Terloops wees hij de interviewer er trouwens op dat deze hem nog gewoon als monseigneur mocht aanspreken. Ik was donderdag en vrijdag op een tweedaagse conferentie met theologen en religiewetenschappers, onder wie ook enkele Vlamingen. Bij hen en hun landgenoten sloeg het interview in als een bom. In de Nederlandse kranten zorgde het voor niet meer dan een klein berichtje, maar de progressieve Vlaamse krant De Morgen vulde er eergisteren zes volle pagina’s mee, en kopte op de voorpagina ‘Van God los’. 

Ik merk dat mij dat allemaal zeer emotioneert. Voor een deel komt dat omdat ik sommige betrokkenen persoonlijk ken. Pastoor Sjang bijvoorbeeld was een half jaar een studiegenoot. Maar vooral emotioneert het me omdat ik lange tijd in die priesterkerk geloofd heb en er middenin heb gestaan. Ik dacht dat het in die kerk om de zaak van Jezus ging, die man op dat ezelsveulen, die man die vervuld was van dat visioen van het rijk van God, een rijk van vrede en gerechtigheid, een rijk waarin iedereen veilig en geborgen is, vooral de kleinsten en de meest machtelozen, de mensen die geen grote mond, geen grote macht en geen verheven status hebben. Maar nee, daar gaat het kennelijk niet om. Het gaat erom dat je een monseigneur met de juiste woorden aanspreekt, ook al heeft hij zijn minderjarige neefjes misbruikt. Want ach ja, het was maar een spelletje, dat misbruik, ‘een beetje een relatietje’, zoals de gewezen bisschop op de Vlaamse tv zei. Het maakte me boos en verdrietig tegelijk. 

En zo zat ik daar, toen ik vrijdagmiddag mijn gedachten en associaties van deze week tot een overweging wilde gaan samensmeden. Het was mij zwaar te moede, zoals dat zo mooi heet. Want ik dacht: daar sta ja dan weer, zondag, in de Studentenkerk, door de bisschop ingewijd en al. En wat ga je dan zeggen over die man uit Nazareth op zijn ezeltje? Zal ik maar gewoon een kwartier mijn mond houden, de mensen vragen om een kwartier stil te zijn uit medeleven met alle slachtoffers van seksueel misbruik, financiële malversaties en al het andere boerenbedrog, al het andere machtsmisbruik, of het nu binnen of buiten de kerk gebeurt?  

Maar gelukkig was er na die eerste lezing op maandag van de Marcusperikoop de afgelopen week nog iets anders in mijn hoofd blijven wroeten, iets dat ik mij nu opeens weer herinnerde uit de lezing, zo’n dertig jaar geleden, van een commentaar op het Marcusevangelie, namelijk dat de intocht in Jeruzalem bij Marcus helemaal geen intocht in Jeruzalem is. Jezus gaat wel naar Jeruzalem, maar de hele scène met het ezelsveulen en de mantels op de weg en de takken met bladeren speelt zich niet bij de binnenkomst van Jeruzalem af. Jezus komt bij Marcus helemaal niet Jeruzalem binnen op een ezeltje en hij wordt ook helemaal niet toegejuicht door een menigte die Hosanna roept. Het speelt zich allemaal buiten de stad af, in een dorp. Zo’n messiaanse intocht in Jeruzalem zou trouwens, zoals sommige bijbelwetenschappers hebben opgemerkt, in de politieke situatie van die tijd onmiddellijk de aandacht van de Romeinse bezetters getrokken hebben en ze zouden meteen ingegrepen hebben. Nee, het hele verhaal speelt zich af buiten Jeruzalem, in een van de twee dorpen die in het begin genoemd worden, Betanië en Betfage, op een kilometer of drie van de stad gelegen – de schrijver van het Marcusevangelie wist waarschijnlijk zelf niet meer precies welk van beide het was. Want daar, in dat dorp, vonden de leerlingen van Jezus op zijn aanwijzing het ezelsveulen, dat buiten op straat bij een deur was vastgebonden. En het zijn de mensen van het dorp - onder meer de mensen die bij dat veulen stonden -, die hun mantels op de weg legden en takken met bladeren uitspreidden, die ze in het veld afhakten. Takken die trouwens pas in het Johannesevangelie, dat pas decennia later en ver weg van Jeruzalem geschreven is, palmtakken genoemd worden. De evangelies volgens Matteüs en Lucas spreken evenmin als Marcus van palmtakken, want de schrijvers van deze evangelies wisten waarschijnlijk nog wel dat er rond Jeruzalem bijna geen palmen groeien. Ook pas bij Johannes is de feestelijke intocht duidelijk die in Jeruzalem zelf geworden; bij Matteüs en Lucas, van wie de evangelies in de tijd tussen Marcus en Johannes zijn ontstaan, zien we de scène zich als het ware steeds dichter bij de stadspoort afspelen, ofschoon Lucas nog opmerkt dat het geheel zich voltrekt als Jezus Jeruzalem voor zich ziet liggen (Lc. 19,41): hij is dan dus nog op enige afstand van de stad. Je ziet een stad voor je liggen als je haar op enige afstand nadert, niet als je al de poort binnengaat. 

De hele scène speelt zich dus niet in Jeruzalem af, maar in een klein dorp, een paar kilometer buiten de stad. En daarmee wordt de scène een antiscène: hier wordt een koning gehuldigd – daar slaat het spreiden van de mantels op en het spreiden van takken -, maar dan wel een koning die op een ezeltje rijdt, een ezeltje waar nog nooit iemand op heeft gezeten, een onervaren rijdier. Het is voor het eerst in het Marcusevangelie dat we Jezus niet zien lopen, maar op een rijdier zien zitten, en het is ook voor het eerst in het Marcusevangelie dat Jezus heer – kyrios – genoemd wordt. Dat is allemaal nodig om de scène tot een antiscène te maken: een spiegelbeeld van de macht en de praal van de heersers in Jeruzalem, in de paleizen van de Romeinse landvoogd en van de Joodse koning, én in de tempel, vooral in de tempel. Want deze messiaanse koning, deze heer die komt in de naam van het komende rijk van God, die rijdt op een ezeltje zoals een rabbi. We weten uit teksten uit de tijd van Jezus dat het heel gewoon was dat rabbijnen op een ezeltje reisden. Hier wordt dus een gewone rabbi gehuldigd, niet iemand die tot de top van het religieuze establishment behoort, en het gebeurt niet in het centrum van de macht, de grote stad Jeruzalem, niet in de tempel en niet in de paleizen, maar in een klein dorp, gewoon buiten op straat. Zijn triomftocht is het tegenbeeld van de triomftochten van de Romeinse keizers in Rome, die de lezers van het Marcusevangelie waarschijnlijk het beste gekend hebben. En ze steekt schamel af bij de pracht en praal van de tempel in Jeruzalem.  

En pas als die schamele huldiging heeft plaatsgevonden, dan pas trekt Jezus Jeruzalem binnen en gaat naar de tempel. Daar gaat hij alles bekijken, als een toerist, zoals de exegeet Eduard Schweizer zegt, en dan gaat hij met de leerlingen weer terug naar Betanië. Wie verder leest, komt er achter dat Jezus dan later, misschien de volgende dag, weer een keer terug gaat naar Jeruzalem, om dan de geldwisselaars en handelaars uit de tempel te verjagen. Maar dat weet de lezer nu nog niet. Het verhaal gaat eigenlijk uit als een nachtkaars. Er wordt een geweldige verwachting gewekt door de huldigingscène, en het eindigt met niets: de toerist Jezus keert, na de tempel bezichtigd te hebben, weer terug naar het dorp. 

Het verhaal van de huldiging van Messias Jezus maakt duidelijk aan welke kant Jezus staat: niet aan de kant van het establishment, niet aan de kant van het machtscentrum Jeruzalem, maar aan de overkant, aan de kant van de machtelozen. Hij, een rabbi op een ezeltje, heeft niets van doen met de macht en de pracht en de praal van de tempel. Hij houdt zich verre daarvan. Zijn wereld is die van het stille dorp Betanië, een onwereld zou je kunnen zeggen. Hij bezoekt de tempel, kijkt er rond – ‘neemt het alles in ogenschouw’, zegt de vertaling wat plechtstatig – en vertrekt weer. Hij hoort daar niet bij. Hij hoort bij de machtelozen, bij de mensen in nood, die hem toezingen ‘Hosanna’, dat betekent: breng toch hulp, help ons toch. Het is de slotbede van het Joodse Hallel uit psalm 118,25, en de tijdgenoten van Jezus die Hebreeuws spraken, hoorden ook de verwantschap tussen het Hosanna en de naam Jehosjua, het Hebreeuwse origineel van de naam van Jezus. Hun toejuiching is een hulpkreet: rabbi Jehosjua, sta ons bij in onze machteloosheid. 

‘Jezus verkondigde het rijk van God, en wat kwam er: de kerk’. Die woorden schreef ruim honderd jaar geleden de Franse bijbelwetenschapper Alfred Loisy: ‘Jésus annonçait le Royaume et c'est l'Église qui est venue’. Ze kwamen hem te staan op ontslag van het Institut Catholique in Parijs, op plaatsing op de index van verboden boeken en uiteindelijk in 1908 op excommunicatie uit de rooms-katholieke kerk. Maar ze verwoorden wel heel trefzeker de grote kloof die ik de afgelopen week gevoeld heb tussen het verhaal over de rabbi op het ezeltje en de manier waarop de kerk weer eens in het nieuws was. En ik dacht: laat ik maar doen als Jezus – de tempel, de kerk dus, in ogenschouw nemen, als een toerist bijna, en er op tijd ook weer vertrekken, om terug te gaan naar Betanië, in het besef dat ik daar, in die tempel, in die kerk, niet thuishoor. Laat ik maar achter die rabbi op dat ezeltje aangaan, die schertskoning. Misschien wijst hij ons wél de weg naar vrede en gerechtigheid. Misschien wijst hij ons het pad naar het koninkrijk dat komt, een pad naar nieuw begin. Het zal geen gemakkelijke weg zijn, maar we zijn niet zonder reisgenoot.Moge het zo zijn!