Machtige beelden van macht

Studentenkerk Nijmegen, 13 november 2011

In een cyclus over beelden van God sprak Peter Nissen een overweging uit over het visioen van de profeet Daniël, opgetekend in het bijbelboek Daniël 7,1-28.

Gelukkig, lieve mensen: sinds gisteren is hij weer in het land: de goedheiligman, onze God in het klein. Nederland is weer gered, wij zijn niet langer van god los. Want Sinterklaas is weer in het land. Een Russisch spreekwoord zegt het: als God niet bestaat, dan hebben we altijd Sint-Nicolaas nog. Dat is een veilige gedachte. 

Veel hebben ze met elkaar gemeen: Sinterklaas en de beelden van God die lang in onze christelijke cultuur verbreid zijn geweest. Sinterklaas is eigenlijk toch wel in vele opzichten een afstraling van een wijd verbreid godsbeeld, en hij heeft ook heel wat taken van hem overgenomen. Hij bewaakt onze publieke en private moraal, doordat hij enkele weken per jaar komt kijken of wij ons wel goed gedragen hebben. Dat deed voordien God ook. Ook die hield ons in de gaten. U kent ze wel: die platen met een oog in een driehoek en met de tekst: ‘Hier vloekt men niet, God ziet u’. Dat was nog eens een god: hij was overal en zag alles. Ja, dat was een god die ons manieren leerde. Niets ontging zijn Alziend Oog. Hij was de kat en de mens was de muis: hij vond je overal. En zag hij dat je iets deed wat hem niet zinde, dan was er straf. Geen kruisje geslagen voor het eten: vijf beurten overslaan. Uit de suikerpot gesnoept: twee beurten overslaan. Aan je plassertje gezeten: terug naar af. Die God liet niet met zich spotten. Hij kon boos worden. Hij was wijd en zijd bekend om zijn grillig karakter. En als hij boos werd, écht boos, dan kon hij flinke straffen uitdelen. Dat doet Sinterklaas niet zelf, daar heeft hij Zwarte Piet voor. Maar verder lijkt hij toch wel veel op die god van vroeger tijden. 

Die god kon ook verzoeken inwilligen. Maar dan moest je het wel héél ijverig en héél onderdanig vragen. En je wist nooit of het verzoek werd ingewilligd. Het was bij God niet: u vraagt, wij draaien. Hij was geen piratenzender die elk verzoeknummer laat horen. Híj bleef de baas. Maar je kon bij hem wel je verlanglijstje inleveren. Dat deden mensen – en doen ze nu nog vaak – in de voorbeden: lieve God, graag eten voor alle mensen in de wereld, werk voor mijn buurman (zodat hij niet meer de hele dag in huis zit te klussen), geen akelige ziekten meer, ook niet voor poes en hond, en als het even kan ook nog vrede in de wereld, liever vandaag dan morgen. Zie maar wanneer u tijd hebt. Veel voorbeden zijn als verlanglijstjes. En net als bij Sinterklaas weet je nooit wat je van dat lijstje uiteindelijk in je schoen krijgt.  

Maar ten slotte was die God toch wel vooral goedheid: een goedheiligman. Hij heeft in zijn omgang met de mensen, zoals de bijbelwetenschapper Jack Miles in zijn biografie van God schrijft, toch ook zelf manieren geleerd. Hij is liever geworden, zachtaardiger. Zoals hij vroeger toorn en bliksem rondstrooide, zo ging hij later liefde en genade rondstrooien, zoals Sinterklaas pepernoten. Uiteindelijk was hij toch vooral goedheid en barmhartigheid.  

En hij was vooral een oude wijze. Zo zag ook de profeet Daniël hem in de lezing die we zojuist gehoord hebben, een lezing uit een van de merkwaardigste boeken van de Hebreeuwse Bijbel. Een oude wijze, vroeger ook wel vertaald met ‘een oude van dagen’, maar het gaat hier niet om leeftijd, maar om wijsheid, om gezag, om majesteit. Die blijken ook uit hoe hij er uitziet, die god: een kleed wit als sneeuw, en zijn hoofdhaar is als zuivere wol. Het begint weer aardig op Sinterklaas te lijken.

Hij is niet de enige god, die god die Daniël op zijn troon ziet zitten. Er zijn er blijkbaar meer, zoals we ook elders in de Hebreeuwse Bijbel kunnen lezen. Maar hij is wel de hoogste god: die formulering komt in de lezing die we gehoord hebben herhaaldelijk voor. De hoogste god. De manier waarop hij beschreven wordt, maakt duidelijk dat het om El gaat, de hoofdgod van de Kanaänieten, die zo beschreven wordt in teksten uit de stad Ugarit, gelegen aan de kust in Syrië (en in 1928 bij toeval teruggevonden). En dat hij de hoogste god is, blijkt ook uit de hofhouding: duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem.  

Daniël gebruikt voor zijn god beelden van macht. Die kende hij maar al te goed, die beelden. Zijn hele boek is er vol van: de macht van koninklijke hoven. Die kende Daniël, want hij had zelf carrière gemaakt aan het hof van de Babylonische koning Nebukadnessar. Die had in 586 voor Christus de stad Jeruzalem ingenomen en verwoest en had de bovenlaag, de elite van de Judese samenleving in ballingschap meegevoerd naar zijn rijk in Babylonië. Ook Daniël was daarbij, maar hij wist met zijn wijsheid en scherpzinnigheid op te klimmen aan het hof van koning Nebukadnessar en zijn opvolgers Belsassar en Darius. Hij werd koninklijke droomuitlegger. In de eerste helft van het naar hem genoemde boek horen we verhalen daarover, ook over hoe zijn positie andere hovelingen jaloers maakte en ze hem in een benarde positie brachten: de koning werd boos en gooide Daniël in een leeuwenkuil. Maar hij bleef gespaard.

En daarom kon hij in de tweede helft van zijn boek, dat begint met de lezing van vandaag, enkele van zijn eigen dromen vertellen en uitleggen. Het zijn sterk tot de verbeelding sprekende verhalen, heftig van toon en indrukwekkend in hun beeldtaal. Een scenarist van een fantasyfilm of een computergame zou er nog inspiratie uit kunnen opdoen. Die beeldtaal deelt Daniël met teksten uit de omringende culturen, die van Egypte, Mesopotamië en de Kanaänieten. De heftige beelden brengen ook de verteller Daniël zelf in verwarring. Tot twee keer toe horen we het, en het zijn voor ons misschien wel de meest herkenbare zinnetjes in het verhaal: ‘Ik, Daniël, was tot in het diepst van mijn gemoed geraakt; de visioenen die door mijn hoofd gingen brachten mij in verwarring’, zo lezen we halverwege het visioen, en bij de afsluiting horen we het nog eens: ‘Hier eindigt mijn verslag. Wat mij, Daniël, betreft, mijn gedachten brachten mij geheel in verwarring en ik werd bleek; ik koesterde die woorden in mijn hart.’ 

Machtige beelden van macht, dus: wereldrijken die over elkaar heen tuimelen. Want dat is de betekenis, zo wordt algemeen aangenomen, van die vier grote dieren die in het visioen uit de zee komen oprijzen: een leeuw met adelaarsvleugels, een beer, een vierkoppige panter met vier vogelvleugels en een vierde dier met grote ijzeren tanden en tien horens. Het zijn, zegt Daniël zelf, koningen die uit de aarde zullen oprijzen. Meestal wordt aangenomen dat het om de koning of het rijk gaat van de Babyloniërs, van de Meden, van de Perzen en van de Grieken. Maar die dieren zullen gedood worden en vernietigd, ze zullen verdelgd worden, aan hun koningschap komt een einde, hun macht zal worden gebroken. En dan zal de oude wijze de macht geven aan iemand anders, aan iemand die met de wolken uit de hemel komt, iemand die op een mens lijkt. Bar’enasj staat er, en dat betekent zoveel als mensenzoon of menselijk wezen. Dat menselijk wezen komt niet uit de aarde of de zee, zoals de vier dieren of vier wereldse machten, nee, het komt uit de hemel. Het zal u niet verbazen dat christenen later gedacht hebben: ha, dat is vast Jezus! De mensenzoon! Hij krijgt macht en eer en het koningschap, en alle volken en naties zullen hem dienen, zo staat er. Geen wonder dat deze verzen later, in het begin van de twintigste eeuw, terecht zijn gekomen als eerste lezing in de liturgie voor de kerkelijke feestdag van Christus Koning.  

Maar aan het eind van de droom blijkt dat het helemaal niet om één wezen gaat, maar om ‘het volk van de heiligen van de hoogste god’, zoals het daar staat. Aan dat volk wordt een eeuwig koningschap gegeven en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen. Weg Jezus dus, maar geen nood: dat volk is dan de kerk, die de voortzetting is van Jezus, zijn lichaam, zijn corpus mysticum. Jezus en de kerk aan de macht, en alle volken zullen zich onderwerpen. 

Beelden van macht, het zijn beelden van god geworden. Die beelden van macht lijken hier, in het visioen van Daniël, allereerst opgeroepen te worden om vervolgens verbroken te worden. De vier dieren worden vernietigd, hun macht wordt tot niets gemaakt, verpulverd als stof. De hoogste god verbrijzelt hun macht. Hij maakt er een eind aan, om zo plaats te maken voor iets nieuws. Er breekt iets anders aan: iemand komt met de wolken uit de hemel, en er is een volk van de heiligen van de hoogste god.

Maar wat gebeurt er met dat wezen uit de wolken, met die heiligen van de hoogste god? Ze krijgen opnieuw macht, koningschap, heerschappij; alle volken en alle machten zullen hen dienen, ze zullen zich onderwerpen. Antimacht wordt nieuwe macht. Gaat het niet vaak zo? Antimacht wordt zelf ook weer macht. Wie de macht van anderen breekt, krijgt zelf weer macht. Hoe vaak hebben we in de recente geschiedenis niet meegemaakt dat revolutionairen dictators werden: Fidel Castro, Saddam Hoessein, kolonel Moammar al-Qadhafi. Zij begonnen met gevestigde machten te breken, maar na verloop van tijd werden zij zelf machten. 

Ook de god van de Hebreeuwse bijbel, die hoogste god uit het visioen van Daniël, begon met machten te breken. ‘Goden breken’, dat is volgens de filosoof Marc de Kesel, collega aan onze universiteit, het effect en de kracht geweest van het geloof in de éne god van Israël. Niets van wat mensen voor god houden, is god. Alleen god zelf is god. Alle beelden van god zijn afgoden, en die moeten gebroken worden.Maar dat geldt uiteindelijk ook voor de beelden van god die Daniël in zijn visioen ziet. ‘Niets van wat wij denken dat god is, is god, zelfs god niet’, aldus Marc de Kesel, in een zin die alleen een filosoof kan opschrijven. God is altijd anders dan welk beeld dan ook, want hij of zij ontsnapt aan elke poging om in beelden vastgelegd te worden. Hij of zij is voorbij de beelden. Dat geldt dus ook voor het beeld van de oude wijze met zijn hofhouding bij Daniël. Het geldt ook voor de eeuwige koning, die met Christus gelijkgesteld werd. Ook dat beeld moet, omwille van gods recht om alleen zichzelf te zijn, gebroken worden.  

Beelden van god breken om alleen god god te laten zijn. Dat is een spannend en een inspannend programma. Wie er aan meewerkt, zal in de kerk niet de handen op elkaar krijgen. Nee, hij zal eerder voor ketter uitgescholden worden, zo’n beeldenbreker, zoals dominee Klaas Hendrikse nu, met zijn nieuwe boek, weer mag meemaken. Van Sinterklaas zal hij wel een roe krijgen.

Wordt het niet erg kil en stil als al die beelden van god gebroken moeten worden? Wat blijft er dan nog over? Daar kunnen we de dichters het beste over aan het woord laten, de meesters van de verbeelding. Zoals Leo Vroman, met zijn gedicht ‘Een manier’. 

Als er geen God is,
god wat is er dan?
een raar geluid? en
waar komt dat dan uit,
niet eens van buiten
als ik tot slot
ja, sterf eigenlijk, god,
wat vergaat op dat ogenblik,
de wereld of ik?
Zie ik over al dit land
dan de schaduw, het zweet, de hand
neerdalen en ik kan
niet meer opzij, laat mij dan
goed gaan liggen om och
tegen wie praat ik eigenlijk nog.