Wij zijn mensen van verwachting

Effataparochie, 11 december 2011

Op de derde zondag van de advent stonden in de lezingen twee wegbereiders centraal: de profeet Jesaja (Jesaja 61,1-21 en 10-11) en Johannes de Doper (evangelie volgens Johannes 1,6-8 en 19-28). In de overweging van Peter Nissen worden zij voorgesteld als vooruitlopers: zij lopen vooruit op wat komt.

In de lezingen van vandaag verschijnen twee bijzondere mensen op het toneel: in de eerste lezing de profeet Jesaja en in de tweede lezing Johannes de Doper. Jesaja lijkt zijn bijzondere rol te beseffen, want hij begint heel parmantig met te zeggen: De Geest van de Heer God rust op mij, want de Heer heeft mij gezalfd. Je zou als toehoorder denken: daar is hij dan, de langverwachte gezalfde, de Messias, de Christus. Want dat betekenen die woorden: de gezalfde. En zegt Jesaja niet dat hij door de Heer gezalfd is?  

Ook Johannes de Doper moet een markante figuur geweest zijn. Zijn naamgenoot de evangelist Johannes beschrijft hem ook zo, als een gezondene van God. Hij weet de mensen uit hun gewone doen te halen, hij maakt ze onrustig: wie is dat toch? En ook dan komt de vraag weer op: is hij het misschien? Is hij de gezalfde, de Messias? De mensen uit Jeruzalem sturen er priesters en levieten op af, een commissie van deskundigen, die het moeten onderzoeken. En zij vragen het hem op de man af. Nee, sterker nog: de evangelist Johannes vertelt niet eens dat zij het vragen, het wordt blijkbaar al verondersteld bij de lezers dat die vraag opkomt. We horen alleen dat Johannes de Doper het antwoord geeft en het dus zelf ontkent: ik ben de Messias niet. Er staat zelfs dat hij er onomwonden voor uitkwam. Hij kwam uit de kast met te zeggen wie hij niet was. En dat gaat nog door, want het hart van de joodse tijdgenoten van Jezus was vol van verwachtingen: zij verwachten ook een nieuwe Elia, die de voorloper van de tijd van de Messias zou zijn. En zij verwachten een profeet, die een nieuwe Mozes zou zijn. In het Johannesevangelie wordt daar vaker op gezinspeeld. Na de wonderbare spijziging zeggen de mensen ook: dat is ongetwijfeld de profeet die in de wereld komen zou (Jo. 6,14; zie ook 7,40). Maar Johannes is duidelijk: dat is hij ook allemaal niet. Niet de Messias, niet de nieuwe Elia en ook niet de profeet.  

Maar wie is hij dan wel, en wie is die Jesaja uit de eerste lezing? Zij zijn allebei mensen van verwachting. Zij zijn mensen die vooruitwijzen: het gaat niet om mij, maar om wat na mij komt. Ik kom alleen om jullie toekomst te wijzen, om jullie aan te kondigen: zie, het nieuwe komt. Wees waakzaam, houd de hoop levend, leef aandachtig en verwachtingsvol. Het gaat immers om wie na ons komt. ‘Hij die na mij komt, maar wiens schoenriem ik niet waard ben los te maken.’ 

Jesaja en Johannes zijn wegbereiders, voorlopers. En wel voorlopers die ook vooruitlopers zijn: zij lopen vooruit op wie en wat komen gaat. Daarmee durven zij een risico te nemen: zij bouwen en vertrouwen op wat er nog niet is. Zij roepen in de woestijn, de woestijn van het leven, de woestijn van het heden: de plek van gemis, van ontbering, van eenzaamheid. Daar durven zij al een voorschot te nemen op wat in die woestijn gaat groeien, op wat dat gemis gaat vervullen, op wat die ontbering gaat opheffen, op wat de eenzaamheid gaat doorbreken. Zij zijn mensen van de toekomst, mensen van het komende. Zij durven een voorschot te nemen op leven, liefde en geluk die nog uitstaan, die nog om voltooiing vragen. En zij getuigen er alvast van, zij spreken erover, ze kunnen er hun mond niet over houden. Jesaja brengt de armen het goede nieuws, hij verbindt gebroken harten, hij meldt de gevangenen hun vrijlating, de geketenden hun terugkeer naar het licht. Maar tegelijk weten we allemaal dat die vrijlating, die terugkeer, die heling van gebroken harten er nog niet is, nog niet voor iedereen, nog niet overal.  

Wij zijn mensen van verwachting. Dat betekent: wij zijn mensen die uitstaan naar wat nog komen moet. Wij zijn nog niet vervuld, wij hebben het gevoel dat nog niet alles compleet is, wij staan nog open voor groter geluk. Er zijn eigentijdse goeroes, zoals Eckhart Tolle, die ons dat afraden. Denk toch niet steeds na over wat komen gaat, leef in het nu. Zet je tollende verstand stil, want dat gaat met al dat gepieker over de toekomst met je aan de loop. Een beetje gelijk heeft Eckhart Tolle wel, want wij laten ons vaak verlammen door vrees over wat nog komen gaat. Een mens lijdt het meest van het lijden dat hij vreest, zo luidt het spreekwoord. Dus af en toe een beetje minder piekeren over de toekomst kan geen kwaad.

Maar tegelijk is het ook zo bijzonder van de mens dat hij over de toekomst kan nadenken, dat hij kan vooruitlopen op dingen die nog komen moeten, dat hij kan hopen en dromen. We weten het niet helemaal zeker, maar waarschijnlijk kunnen dieren – andere dieren – dat niet. Het vermogen om boven het hier en nu, boven dit moment, uit te kunnen stijgen, maakt de mens bijzonder. Dit uitstijgen boven het hier en nu is al een vorm van transcendentie: een kleine transcendentie noemen sommige religiewetenschappers dat, want met die transcendentie blijven we wel in de mensenwereld (stijgen we daar bovenuit, dan spreken we van een grote transcendentie), maar dan de mensenwereld van wat nog komen gaat.

En we kunnen dromen en hopen en verlangen en verwachten dat die mensenwereld ook steeds meer een mensenwereld wordt: een wereld waarin alle mensen tot hun recht komen, waarin niemand bang hoeft te zijn of zich bedreigd hoeft te voelen, een wereld waarin geluk en liefde voor iedereen zal zijn. Die wereld is er nog niet, maar hij is er ook al wel. Dat is wat de twee vooruitlopers van vandaag ons willen zeggen, Jesaja en Johannes. Jesaja gebruikt daarvoor het beeld van het zaad: het is al gezaaid, en God zal het laten ontkiemen en dan zal de aarde groen voortbrengen. Het begint met het zaad, en dat is er al. En Johannes zegt het nog directer: diegene die de gerechtigheid zal brengen, die geluk en vrede zal brengen, die is er al, maar wij herkennen hem niet. ‘Zonder dat u Hem herkent, staat Hij al in uw midden.’  

Wij worden vandaag dus geroepen mensen van de toekomst te zijn, mensen van de hoop, van de verwachting en het verlangen. Maar we krijgen ook te horen: het is er al, heel klein, het is al in ons midden. Maar wij zien het meestal niet. Daarom hebben we wegbereiders nodig. Jesaja en Johannes waren zo’n wegbereiders. Wegbereiders effenen paden, zij halen obstakels weg. De vorige week hoorden we daar ook al over.  

Welke obstakels staan ons in de weg om onze ogen gericht te houden op het komende, en het begin van dat komende al in ons midden te zien? Minstens twee obstakels kan ik bedenken, en misschien nog wel veel meer, maar ik beperk me tot deze twee. Het eerste obstakel is dat wij zo zeer met ons zelf bezig zijn, zo zeer ingenomen ook zijn met ons zelf of zo’n groot medelijden hebben met ons zelf, dat we niet kunnen uitzien naar het komende. We staren ons blind op onszelf, op wie we zijn, op wat we bereikt hebben of op wat we missen. Op ons geluk of op ons falen. Maar allebei, ons geluk en ons falen, wijzen vooruit, naar toekomst, naar grotere vervulling, die nog uitstaat. 

Een tweede obstakel wordt gevormd door mensen en machten die zeggen dat zij het licht al zijn. Johannes de Doper zegt: het gaat niet om mij, ik ben niet het licht, ik verwijs naar het licht. Wie na mij komt, is het ware licht. Maar religies en kerken hebben soms de neiging te doen alsof zij zelf het licht al zijn. Zij vinden zichzelf zo belangrijk dat zij vergeten dat Hij nog komende is. Zij vergeten dat zij alleen verwijzen naar het licht. Zij beschouwen zichzelf al als het ware licht. De grote Britse theoloog John Hick – hij wordt over een paar weken 90 jaar - heeft ooit gezegd: mensen worden niet gered door religies en kerken, maar door God. Anders gezegd: mensen worden niet gered door een religie te volgen of achter een kerk aan te lopen. Die religie en die kerk zijn alleen maar vooruitwijzers: zij zijn niet zelf het licht, maar zij verwijzen naar het licht. Tenminste, dat zouden zij moeten zijn. Zij zouden ramen moeten zijn die het licht doorlaten. Maar te vaak houden zij zichzelf voor het licht, en daardoor blokkeren zij het licht juist. 

Wegbereiders zijn er ook om die blokkades weg te nemen: de blokkades in ons zelf – dus onze eigen verblindheid – en de blokkades om ons heen – de instituties die zichzelf voor het licht houden -. Zij nemen die blokkades weg door ons nieuwsgierig te maken, nieuwsgierig naar wat achter de blokkades zit, nieuwsgierig naar wat nog niet is, maar toch ook al een beetje wel is, als een klein zaadje. Die wegbereiders helpen ons om te blijven verlangen naar de aanwezigheid van Hem die zonder dat wij Hem herkennen toch al in ons midden staat.

Moge het zo zijn.